Arbeidsovereenkomst:
● 4 bestanddelen (art. 2 en 3 AOW)
1. Overeenkomst
2. Arbeid
3. Loon
4. Gezag
● Werknemer = gezag
1. Werkgever is bevoegd om: leiding en instructies te geven, toezicht/ controle uit te
oefenen.
1. Opm. moet niet voortdurend zijn
● Zelfstandige = geen gezag
Overeenkomst:
● Opm. Een partij mag essentiële onderdelen van de arbeidsovereenkomst niet zomaar alleen
wijzigen, bv. de functie, arbeidsplaats of soms arbeidstijd.
● Zelfs als in het contract staat: “de werkgever mag essentiële voorwaarden eenzijdig
⚠️
wijzigen”, is zo’n beding nietig volgens art. 25 AOW.
● Zonder voorbehoud blijven werken, kan stilzwijgende aanvaarding van de wijziging.
Arbeid:
● Soort arbeid moet niet noodzakelijk bepaald zijn in arbeidsovereenkomst. (wel aangewezen
voor werknemer, anders kan werkgever soort arbeid wijzigen)
Loon:
● Niet betalen overeengekomen loon is strafbaar.
● Als geen loon bepaald of het onmogelijk is het bedrag van het loon te bewijzen, is alleen de
geldende minimumloonschaal van toepassing.
● Vrijwilliger = geen loon; kostenvergoeding mag wel. Wordt er eigenlijk loon betaald voor
arbeid, dan kan de relatie als arbeidsovereenkomst worden gekwalificeerd.
● Risico werkgever: overschrijdt een vrijwilliger de toegelaten vergoedingsgrenzen,
dan kan hij als werknemer worden beschouwd, met gevolgen voor
aansprakelijkheid/verzekering, sociale zekerheid, belastingen, uitkeringen en
mogelijke sancties.
Gezag:
Schijnzelfstandigheid:
● Iemand die als zelfstandige wordt voorgesteld maar die volgens de concrete uitvoering
eigenlijk onder gezag werkt en dus juridisch als werknemer moet worden beschouwd.
● Gevolg: mogelijkheid tot herkwalificatie.
Juridische vs. Economische afhankelijkheid:
● Juridische => Je werkt onder het gezag van iemand anders
● Economische => Financieel afhankelijk van één opdrachtgever
1
, Arbeidsrelatiewet - schijnzelfstandigheid:
● Neutrale criteria:
● = zaken waaraan je geen doorslaggevende betekenis mag geven bij de kwalificatie.
Je moet kijken naar de werkelijke uitvoering.
● Bv. Het hebben van een ondernemingsnummer, btw-nummer of facturen zegt
nog niets.
● Algemene criteria: art. 333 Platformwet—> Hoe?
● Kan de opdrachtgever hiërarchische controle uitoefenen?
● Wil der partijen zoals in overeenkomst
● Vrijheid van organisatie van de werktijd
● Vrijheid van organisatie van het werk
● Mogelijkheid tot hiërarchische controle
—> Samenloop van criteria bij beoordeling.
● Specifieke criteria:
Risicosectoren:
● Schijnzelfstandigheid komt vaker voor in deze sectoren, daarom—> bijzonder
weerlegbaar vermoeden.
● Risicosectoren (BBP LT VS): bouw, bewaking, platformwerk, landbouw, tuinbouw,
vervoer en schoonmaak.
● 9 sectorspecifieke criteria: art. 337/2 Programmawet
e.
● Financieel/economisch risico — investeert hij zelf en deelt hij in
winst/verlies?
● Financiële beslissingsmacht — beslist hij zelf over financiële middelen?
● Aankoopbeleid — beslist hij zelf wat hij aankoopt?
● Prijsbeleid — bepaalt hij zelf zijn prijzen?
● Resultaatsverbintenis — is hij verbonden tot een bepaald resultaat?
● Vergoeding — heeft hij een vaste/gewaarborgde vergoeding?
● Personeel — kan hij zelf personeel aannemen of zich laten vervangen?
● Eigen onderneming — presenteert hij zich als onderneming/heeft hij
meerdere opdrachtgevers?
● Materiaal/lokalen — werkt hij met eigen materiaal of eigen/gehuurde
bedrijfsruimte?
⚠️ Het is weerlegbaar: daarna kan je aan de hand van onder andere de 4 algemene criteria van
art. 333 aantonen dat de werkelijkheid anders is.
● Uber → vervoer = risicosector → art. 337/2 → bijzonder vermoeden →
daarna 4 algemene criteria art. 333 voor eventuele weerlegging.
● 8 platformcriteria: art. 337/3, §2 Platformwet
● Als minstens 3 vd. 8 of 2 vd. laatste 5 aanwezig = wettelijk vermoeden van
werknemerschap (= vermoeden arbeidsovk)!
1. Exclusiviteit mbt werkterrein eisen.
2. Geolokalisatie voor andere doeleinden dan de goede werking
basisdiensten.
3. Wijze van vrijheid beperken (ivm. uitvoering werk)
2
, 4. Beperken van het inkomensniveau/prijszetting
5. Dwingende gedrags-/werkregels
6. Prioritering/rangschikking van opdrachten + elektronische controle
7. Vrijheid om het werk te organiseren beperken,
8. Eigen klanten/derden beperken
● ⚠️ Weerlegging mogelijk door: bewijs van reële zelfstandigheid: art. 337/3, §3
● = terug naar algemene criteria: art. 333 Platformwet
● vermoeden ≠ definitieve kwalificatie.
● Deliveroo: Opm. Gezag hoeft niet noodzakelijk door een menselijke manager te
worden uitgeoefend. Ook digitale/algoritmische organisatie en controle kan juridisch
relevant zijn.
● Arbeidshof Brussel op 21 december 2023: “= werknemer”
● Deliveroo → digitaal platform → art. 337/3 → 8 platformcriteria →
vermoeden → eventueel weerleggen via de 4 algemene criteria van art. 333.
Gevolgen kwalificatie als zelfstandige:
● Mogelijk geen opzegtermijn.
● Geen opdrachten = geen werk/inkomen.
● In principe vrijheid om opdrachten te weigeren.
● In principe vrije prijszetting.
● Vaak grote afhankelijkheid van het platform.
● Meer eigen risico en minder risicodekking.
● Minder collectieve actiemogelijkheden, al zijn CAO’s voor zelfstandigen mogelijk.
Gevolgen schijnzelfstandigheid:
● Zelf sociale bijdragen en bedrijfsvoorheffing betalen.
● Geen wettelijke opzegbescherming/-vergoeding.
● Geen gewaarborgd loon bij ziekte of ongeval.
● Geen quasi-immuniteit bij schade → meer aansprakelijkheidsrisico.
Link: art. 18 AOW:
● Bijzondere aansprakelijkheidsbescherming werknemer
● Bij uitvoering arbeidsovk enkel persoonlijk aansprakelijk voor:
● Bedrog/ opzet
● Zware fout
● Gewoonlijk voorkomende lichte fout
● Opm. Zelfstandige heeft wie werknemersbescherming niet!
Administratieve Commissie ter regeling van de arbeidsrelatie
• ⁃ Doet uitspraak bij onzekerheid over kwalificatie
Module 3: Soorten arbeidsovereenkomsten
1. AO? → overeenkomst + arbeid + loon + gezag
2. Aard? → arbeider / bediende / bijzondere categorie
3. Duur? → onbepaald / bepaald / bepaald werk / vervanging
4. Omvang? → voltijds / deeltijds
5. Uitvoering? → werkelijk gewerkte uren conform contract + wet?
3
,Vraag 1: Waaruit blijkt dat de gesloten overeenkomst een arbeidsovereenkomst is?
● 4 wezenskenmerken:
1. Overeenkomst
2. Arbeid
3. Loon
4. Gezag
—> Bij twijfel: algemene criteria (wwoc)
● Arbeidsovk verplicht schriftelijk?
● Nee
● Art 12 AOW: kan mondeling —> consensualisme (wilsovereenstemming volstaat)
● Een gewone arbeidsovereenkomst kan mondeling geldig zijn én mag ook
⚠️
met getuigen bewezen worden.
● Uitzonderingen: wanneer wél een geschrift?
● art. 8.9, §1 BW → + €3.500
● Art. 9 AOW → AO voor bepaalde tijd of duidelijk omschreven werk;
● Art. 11bis AOW → deeltijdse AO;
● Art. 35 AOW → ontslag om dringende reden;
● Art. 22bis AOW → scholingsbeding.
● Hiërarchie van de arbeidsrechtelijke normen
Als verschillende rechtsbronnen elkaar tegenspreken, gebruik je art. 51 CAO-wet:
1) Dwingende bepalingen van de wet
2) Algemeen verbindend verklaarde CAO's (NAR/ PC/ PSC)
→ Alle wg’s en wn’s binnen het toepassingsgebied moeten ze naleven.
3) Niet-algemeen verbindend verklaarde cao’s wanneer WG ondertekend heeft
of aangesloten is bij Buitondertekenende organisatie (NAR / PC / PSC / OR)
4) Schriftelijke individuele arbeidsovereenkomst
→ In jouw contract staat schriftelijk: €3.000 loon per maand.
5) Niet algemeen verbindend verklaarde cao’s gesloten in paritair orgaan,
wanneer WG onder paritair orgaan valt maar niet aan vwn 3. is voldaan.
6) Arbeidsreglement
→ Daarin staat bv. wanneer de werkdag begint en eindigt.
7) Aanvullende bepalingen wet
→ De wet geeft een regel, maar partijen mogen ervan afwijken. Als ze niets
regelen, geldt de wettelijke regel.
8) Mondelinge arbeidsovereenkomst
→ Werkgever zegt mondeling: “Je mag elke vrijdag thuiswerken.”
9) Gebruik
→ In het bedrijf bestaat al jarenlang een vaste gewoonte.
⚠️
Er geldt niet zomaar een algemeen principe dat je altijd de voor de werknemer gunstigste regel
kiest. Je moet eerst de hiërarchie van art. 51 CAO-wet toepassen.
Vraag 2: Welke soort overeenkomst is het voor wat betreft de aard van het werk? Waaruit blijkt
dit?
● Soort werk:
→ Arbeider
→ huisarbeiders
4
, → dienstboden
→ Bediende
→ handelsvertegenwoordigers
→ Student
Studentenarbeid: art. 121 AOW
● Vermoeden van arbeidsovereenkomst;
● overeenkomst moet schriftelijk;
● daarna bepaal je volgens de gewone regels welk type AO het is:
● arbeider;
● bediende;
● handelsvertegenwoordiger;
● dienstbode.
⚠️600 uren per kalenderjaar
Flexi-job:
● parafiscaal voordelig;
● geen opbouw van sociale rechten;
● enkel naast een ander hoofdberoep;
● raamcontract + arbeidsovereenkomst per oproep;
● snel inzetbaar.
Arbeider vs. bediende:
Art. 1978 AOW: onder één wet, maar nog steeds verschillende regeling:
→ Arbeider (art. 2 AOW)
= handarbeid tegen loon en onder gezag van een wg.
Bv. chauffeur, inpakker, magazijnier, schoonmaker, broodjes maken/afwas,
ijsjes/wafelkraam, (hulpkelner PC 302 horeca).
→ Bediende (art. 3 AOW)
= hoofdarbeid tegen loon en onder gezag van een wg.
Bv. administratieve ondersteuning, cashier, cabin crew, paralegal, logistieke
ondersteuning, verkoper, bijlesgever, onthaalmedewerker, sales assistant, pr medewerker, (hulpkelner
PC 200 catering).
● Sterk verschil in opzegtermijn (bedienden veel langer dan arbeiders)
● Voordeligere ziekteregeling voor bedienden (geen carensdag)
↪ Eenheidsstatuut:
● Arbitragehof 8 juli 1993, nr. 56/93 → verschil in opzegtermijn en carensdag strijdig
met gelijkheidsbeginsel;
● GwH 7 juli 2011, nr. 125/2011 → wetgever krijgt deadline;
● GwH 18 december 2014 → willekeurig ontslag enkel voor arbeiders strijdig met
gelijkheidsbeginsel.
Vanaf 1 januari 2014 kwam de Wet Eenheidsstatuut (WES 2013):
● harmonisatie opzegtermijnen;
● afschaffing carensdag;
● afschaffing proeftijd.
5
, Daarnaast:
CAO nr. 109 van 12 februari 2014 → bescherming tegen kennelijk onredelijk ontslag
⚠️
voor zowel arbeiders als bedienden.
Maar het onderscheid bestaat nog steeds: aparte titel in AOW:
● Andere regeling voor vakantiegeld, gewaarborgd loon, overgangsbepalingen
opzegtermijn, tijdelijke economische werkloosheid.
● Enkel voor arbeiders: technische stoornis, weerverlet.
Handelsvertegenwoordiger: Titel IV AOW:
Definitie – art. 4, lid 1 AOW
Een handelsvertegenwoordiger:
● is werknemer;
● spoort en bezoekt cliënteel;
● met het oog op onderhandelen en sluiten van zaken;
● voor rekening en in naam van opdrachtgever;
● tegen loon;
● onder gezag.
Het gaat in hoofdzaak om hoofdarbeid → bediende.
→ Bv. Youssef werkt voor Coca-Cola en bezoekt cafés en restaurants om hen
Coca-Cola-producten te verkopen.
Art. 88 AOW:
→ De werknemer moet bewijzen dat handelsvertegenwoordiging zijn hoofdopdracht is.
Art. 4 lid 2 AOW - vermoeden:
→ Handelsvertegenwoordiger = veel onderweg is, gezag moeilijker zichtbaar.
Daarom: vermoeden van arbeidsovk:
wn hoeft ondergeschiktheid niet te bewijzen
→ wg moet bestaan geen ondergeschiktheid aantonen.
Loon handelsvertegenwoordiger:
Art. 89 AOW: mogelijkheden:
● vast loon;
● commissieloon (bv. percentage per verkoop)
● of combinatie van beide.
Art. 90 e.v. AOW: bijzondere regels voor commissieloon.
Bv: €2.000 vast loon + 5% commissie op iedere verkoop.
Art. 101 AOW: uitwinningsvergoeding bij einde AO, onder voorwaarden waaronder:
● minstens 1 jaar dienst; vanaf 3 maanden loon.
Art. 65 AOW: gewone regeling concurrentiebeding voor arbeiders/bedienden;
de regeling voor handelsvertegenwoordigers wijkt hiervan af (bijzondere regels)
Dienstbode: Titel V AOW:
Hoodzakelijk = huishoudelijke handarbeid voor de huishouding van de werkgever of zijn gezin.
Bv.: kok/kokkin, poetsvrouw, nanny in particuliere dienst.
Niet:
6