TENTAMEN SCHENK-, ERF- EN OVERDRACHTSBELASTING II
TWEE TENTAMENS: HC 1 T/M 5 (VERDIEPING BACHELOR) EN HC 6 T/M 10 (BEDRIJFSOPVOLGINGSREGELING)
Week 1, 2 en 3 – Art. 10 SW uitgebreid
De klassieke art. 10 SW
In de bachelor ging het over art. 10 SW-transacties tijdens het leven:
Art. 10 SW belasten bij overlijden van verkrijging van eigendom, dat eerder is omgezet in vruchtgebruik t.b.v.
toekomstige erfgenamen. Vruchtgebruik vererft niet, het eindigt bij overlijden vruchtgebruiker (art. 3:203 BW).
Op dat moment wast het bloot-eigendom aan bij de volle eigendom. Dit is GEEN verkrijging krachtens erfrecht
(art. 1 SW) en dus geen belastingheffing. Iemand kan zich dan dus eenvoudig van de erfbelasting ontdoen en
daarom zijn ficties ontstaan. DUS: kijken of sprake is van fictie van art. 10 SW!
We ‘doen’ alsof er een erfrechtelijke verkrijging is, maar die zie je in beginsel niet. We doen alsof
vruchtgebruik wel vererfd.
‘Al wat’ al wat op naam staat van erflater/overdragen is wordt geacht krachtens erfrecht door
overlijden te zijn verkregen. Je heft over al hetgeen bij de ‘pijl’ betrokken is geweest. Dus bij het
overlijden van erflater doen we alsof het gehele pand een verkrijging krachtens erfrecht is.
Voorwaarden voor art. 10 SW:
Er moet zijn verkregen:
- Ten koste van (= afkomstig uit) het vermogen van erflater goed zijn verkregen door ander dat
afkomstig is uit vermogen van erflater, OF
- Ten laste van (= gesplitste aankoop) erflater moet offer hebben gebracht om vruchtgebruik te
verkrijgen, de nalatenschap moet zijn verkleind
Verkrijging ontstaat in verband met een rechtshandeling waarbij erflater partij was. Bijv.
koopovereenkomst.
Erflater moet tot aan zijn overlijden (of daarmee verband houdend tijdstip 180 dagen regel) genot
hebben gehad van vruchtgebruik.
- Vruchtgebruik (art. 18 SW): vruchtgent, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse
opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
- Periodieke uitkering: uitkeringen in geld en elke andere voortdurende of op vastgestelde
tijdstippen terugkerende prestatie.
! Een beetje genot is ook genot, bijv. rente van 4,5% is niet voldoende en dus is art. 10 SW van
toepassing.
Een rente/huur van 6% betalen kan de werking van art. 10 SW voorkomen!
Genot is ten laste gekomen van iemand die behoort tot verdachte familiekring (= partner van erflater
en bloed- en aanverwanten t/m vierde graaf of hun partners) (art. 10 lid 4 SW).
- Zie ook het partnerbegrip van art. 1a SW.
Uit art. 5a AWR blijkt het algemene partnerbegrip. MAAR in art. 1a SW staat een afwijkende
regeling.
Voordeel partner: grote vrijstelling (art. 32 SW) en lager tarief
Nadeel partner: je valt onder art. 11 lid 5 SW en art. 26 SW (samentelregeling)
Voorwaarde van art. 1a lid 1 sub c SW: er moet sprake zijn van een wederzijdse zorgverplichting.
Uit het contract moet blijken dat je elkaar verzorgt als er iets met de ander zou gebeuren.
Verzorgingsgedachte bij samenwoners:
o Hof Amsterdam 25 november 2021
o De zorgplicht moet blijken uit de draagplicht in de kosten van de gemeenschappelijke
huishouding opgenomen in een samenlevingscontract.
o Zij moeten naar evenredigheid bijdragen aan de kosten van huishouding.
o SvF er moet IETS omtrent wederzijdse zorgverplichting in het notarieel
samenlevingscontract zijn opgenomen. Bijv. samenwoner moet meebetalen aan een kratje
Grolsch bier.
Maar je hoeft niet aan sub c te voldoen als je een onafgebroken periode van 5 jaar op hetzelfde
adres woont. Dit is alleen lastig te bewijzen.
1
, Door art. 10 SW wordt het gehele object waar vruchtgebruik betrekking op heeft, dus gehele woning, geacht
terug te vallen in het vermogen van de erflater. De woning wordt dus voor de volle waarde in de heffing
getrokken bij de verkrijger.
MAAR art. 7 SW kent een verzachting: opgeofferde bedrag of hetgeen erflater werd bedongen komt in
mindering op verkrijging. Waarde van bloot-eigendom mag in mindering worden gebracht. Bijv. een
koopsom die is betaald.
- Lid 3 rente-inkomsten mogen ook in mindering worden gebracht, want die heeft verkrijger
gemist aantal jaren tussen moment dat erflater huis overdraagt en moment dat erflater komt
te overlijden x (waarde bloot-eigendom x 6%)
- Lid 2 ook eventuele schenk- of overdrachtsbelasting (te vermeerderen met enkelvoudige rente
van 6%) die bij aangaan van rechtshandeling betaald is, kan worden verrekend (IS GEEN AFTREK!).
HR 10 oktober 2014: als je gaat kwijtschelden, is het ook niet meer bedongen of opgeofferd!
- Casus betrof een verkoop door erflaatster van een woning aan het kind in 2002 voor 216.000
euro. Direct bij de verkoop is 34.025 euro van de koopsom kwijtgescholden. Vervolgens is een
overeenkomst van geldlening gesloten voor de resterende 181.975 euro. Door middel van
jaarlijkse schenkingen is deze geldlening in de loop der jaren volledig kwijtgescholden. De HR
oordeelde: het strookt niet met de bedoeling uit de wetsgeschiedenis om de waarde van hetgeen
door de erflater is bedongen ook op de waarde van de verkrijging in mindering te brengen in een
geval als hierboven, waarin de verkrijger de koopsom voor een onroerende zaak aan de erflater
schuldig is gebleven en de erflater deze schuld vervolgens geheel heeft kwijtgescholden.
Je kijkt naar de waarde van het goed op het moment van overlijden (tijdstip van verkrijging), je kijkt naar de
WEV c.q. WOZ-waarde (art. 21 lid 1 en lid 5 SW).
MAAR voor panden die voor 2010 zijn overgedragen, geldt wel de waarde van destijds:
Stel, in de jaren 80 is een huis overgedragen voor koopsom van 40.000 euro. Het pand was 100.000
euro waard, maar de koopsom was 40.000 euro, omdat er een waardedrukkend effect van 60.000 euro
is (factor 10 x 6% (art. 10 Uitv.besl. SW)).
In 2010 had het pand een WOZ-waarde van 840.000 euro.
Voor 2010 gold dat je mocht uitgaan van de waarde van destijds (waarde ten tijde van
rechtshandeling), dus je mocht toen uitgaan van de waarde van 100.000 euro.
Na 2010 was de WEV c.q. de WOZ-waarde van belang geworden, dus moet je uitgaan van 840.000
euro.
TOCH is bij besluit van 18 oktober 2016 wel overgangsrecht betrokken m.b.t. overdrachten van woningen die
hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2010, er werd dus gerepareerd step up-regeling: alleen de
waardestijging vanaf 1 januari 2010 tot overlijdensdatum wordt in aanmerking genomen voor toepassing van
art. 10 SW.
Als je bijv. in 2013 overlijdt, dan zit er waardestijging in het huis en dit moet worden meegenomen. Je
gebruikt de waarde van 100.000 euro, maar de waardestijging van 3 jaar moet je wel meenemen.
Er kan aan art. 10 SW worden ontkomen door ‘genotsvoorkomend’ te leven (art. 10 lid 3 SW). Er moet dan
daadwerkelijk jaarlijks worden betaald, namelijk 6% rente/huur. In dat geval ben je niet aan het genieten en kun
je aan art. 10 SW ontkomen. Bij een te lage huur, bijv. 3%, heb je al genoten.
Wanneer de vergoeding niet jaarlijks wordt betaald, moet de gemiste rentetermijnen (inclusief rente) alsnog
worden betaald om toepassing van art. 10 SW te voorkomen.
Art. 10 SW toegepast op testament
Nu gaan we er veel dieper op in! We passen art. 10 SW toe op alle uiterste willen.
Het turbotestament (variant op vruchtgebruiktestament)
Het is een bijzondere vorm van het vruchtgebruiktestament: de langstlevende echtgenoot verkrijgt het
vruchtgebruik van de nalatenschap onder de last de hoofdgerechtigdheid/blooteigendom van zijn/haar aandeel
in de huwelijksgoederengemeenschap in de nalatenschap te brengen. De kinderen worden benoemd tot
erfgenaam en krijgen het blooteigendom van de nalatenschap.
Langstlevende heeft het vruchtgebruik verworven over de hele huwelijksgoederengemeenschap.
2
, De kinderen verkrijgen bij eerste overlijden de blote eigendom van de hele
huwelijksgoederengemeenschap.
De langstlevende verkrijgt over het gehele vermogen bij overlijden van de eerststervende het vruchtgebruik,
zodat te zijner tijd niets van dat vermogen wordt nagelaten en over dit vermogen GEEN erfbelasting
verschuldigd kan zijn.
Bijv. vader A overlijdt, moeder B is genieter/vruchtgebruiker en kind C wordt blooteigenaar. A heeft een eigen
vermogen van 100. Hiervan geeft hij het vruchtgebruik aan B, zo blijkt uit testament. A zet in zijn testament,
naast het gewone vruchtgebruik van 100: B, als ik er niet meer ben, dan verplicht ik jou om jouw huis (gehuwd
in koude uitsluiting) (MAAR als het gaat om een gemeenschap van goederen, dan spreken we natuurlijk over
een half huis!) over te dragen aan C. Jij (B) krijgt dan het vruchtgebruik van het huis.
Overlijden van A is eerste overlijden;
De fiscale stunt speelt bij tweede overlijden van B.
B heeft het vruchtgebruik, dit vererft niet. In de nalatenschap van B zit blooteigendom van 100 en
blooteigendom van het huis.
Hoe kan A in zijn uiterste wil het pand laten toekomen aan C, terwijl het pand van zijn echtgenote B is? Je hoeft
GEEN eigenaar te zijn om een uiterste wil te maken (art. 4:117 BW (legaat vorderingsrecht) en 4:130 BW
(testamentaire last verplichting)).
Eerste overlijden
Bij dit overlijden wordt het testament gemaakt. Bij eerste overlijden van A is de verplichting opgelegd dat B het
huis overdraagt aan C.
De verkrijging van de langstlevende is met erfrecht belast.
De verkrijging van de kinderen (gehele blooteigendom) is met erfrecht belast.
Tweede overlijden
Op het moment dat B overlijdt (tweede overlijden), groeit het blooteigendom van de kinderen aan naar volle
eigendom. ZONDER toepassing van art. 10 SW, zou deze waardeaangroei onbelast zijn, want vruchtgebruik
vererft niet. De vraag is nu of art. 10 SW toch wel tot heffing leidt?
Er is wel sprake van genot, maar we missen degene die de rechtshandeling verricht. Dat was A en hij is al
overleden. Vruchtgebruik vererft niet, dus GEEN art. 10 SW.
HR 19 juni 2009: toen kwam het Turbotestament-arrest. Moeder B is de genieter bij tweede overlijden, maar
zie je actie/rechtshandeling bij B na het overlijden van A? A heeft de verplichting opgelegd tijdens het leven, dus
de woning is al overgedragen.
Het gaat om het moment van overlijden van A. Is op dat moment art. 10 SW van toepassing? De HR zegt dat het
gaat om drie woorden:
Het ‘aanvaarden’ van de uiterste wil A heeft het testament gemaakt, MAAR B aanvaardt zijn uiterste
wil.
Het ‘uitvoeren’ civielrechtelijk moet het pand nog geleverd worden (pand overdragen onder
voorbehoud van vruchtgebruik bij notaris). De uiterste wil moet dus nog worden uitgevoerd.
‘Ten laste van’ het moment dat B het testament aanvaardt en uitvoert, gebeurt dit ten laste van
haar vermogen. B moet uit haar eigen/privé vermogen een testamentaire last brengen. Het is dus een
last uit het vermogen van de genieter.
De HR heeft dus beslist dat art. 10 SW van toepassing is op turbotestamenten. Ook kan de erfbelasting die is
betaald bij het eerste overlijden NIET worden verrekend met de erfbelasting die bij tweede overlijden is
verschuldigd.
DUS: de HR heeft in dit arrest een nadere invulling gegeven aan het begrip rechtshandeling. In ieder geval zijn
de aanvaarding van een legaat en de uitvoering van een last als ‘rechtshandelingen’ aan te merken in de zin van
art. 10 SW.
Dit zie je terug in art. 10 lid 5 en 6 SW als je de rechtsregel letterlijk uitlegt, viel bijna ieder testament onder
art. 10 SW en dit was NIET de bedoeling.
Afwikkelingsbewindvoerder en quasi-wettelijke verdeling
3
, In 2009 kwam de afwikkelingsbewindvoerder en quasi wettelijke verdeling naar voren. Stel, vader overlijdt. Dan
zit in de nalatenschap een onverdeeld huis. In het testament staat dan vaak dat echtgenoot een
verdelingsbevoegdheid krijgt met drie sterren.
Quasi-wettelijke verdeling de erflater bepaalt in zijn testament dat de w.v. NIET van toepassing is. De
kinderen en langstlevende echtgenoot worden niet voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd, MAAR de
langstlevende echtgenoot wordt aangewezen als afwikkelingsbewindvoerder. Er zijn twee varianten:
Bevoegdheidsvariant: de afwikkelingsbewindvoerder kan een verdeling tot stand brengen alsof er een
wettelijke verdeling zou gelden.
Verplichte variant: aan de afwikkelingsbewindvoerder wordt de verplichting opgelegd de nalatenschap
o.g.v. de wettelijke verdeling te verdelen.
In sommige testamenten wordt voor deze variant een tenzij-clausule opgenomen die inhoud dat de
afwikkelingsbewindvoerder ook tot een andere verdeling mag overgaan.
De vorderingen van de kinderen bij quasi-w.v. moet op dezelfde wijze worden gewaardeerd als bij w.v. Uit art.
10 lid 5 SW kan worden afgeleid dat de quasi-w.v. gelijk moet worden behandeld als de w.v.:
‘Alsof sprake is van een w.v.’ alle goederen van de nalatenschap worden toegedeeld aan de
langstlevende echtgenoot, onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te
nemen. Ieder kind verkrijgt daarbij een geldvordering op de langstlevende echtgenoot die
overeenkomt met de waarde van zijn erfdeel.
Ook de renteovereenkomst die door de langstlevende en de kinderen wordt gesloten, zal voor de heffing van
erfbelasting worden gevolgd (mits in testament tenzij-clausule is opgenomen EN ovk binnen aangiftetermijn
voor erfbelasting is gesloten (art. 1 lid 3 SW)).
Een renteafspraak wordt bij de quasi-wettelijke verdeling op grond van het besluit uitsluitend gevolgd
als het testament voorziet in de mogelijkheid dat erfgenamen onderling de rente bepalen of een
afwijkende rente overeenkomen. In een testament met een quasi-wettelijke verdeling wordt immers
de wettelijke verdeling uitdrukkelijk buiten toepassing verklaard.
Afwikkelingsbewindvoerder er zijn verschillende soorten executeurs: gewone executeur van art. 4:144 BW,
de begrafenis-executeur en de executeur van art. 4:171 BW.
Art. 4:171 BW: iemand benoemen tot afwikkelingsbewindvoerder met drie sterren. De bevoegdheden
die de afwikkelingsbewindvoerder heeft moet je uitwerken. Het is een blanco model waar je o.b.v.
vertegenwoordigingsrecht de vertegenwoordigingsbevoegdheid moet uitwerken. Bijv.: ‘ik geeft de
afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid om mijn nalatenschap zelfstandig te verdelen’.
LET OP! Een nadeel van de w.v. is art. 4:18 BW het huis wordt bij w.v. toebedeeld aan de langstlevende, maar
als deze het wil overdragen aan de kinderen, dan moet dit binnen 3 maanden gebeuren.
De quasi-w.v. betekent juist dat je een uiterste wil maakt in de sfeer van de w.v. maar je hebt langer de tijd om
te verdelen d.m.v. het benoemen van een afwikkelingsbewindvoerder. Je mag de w.v. van art. 4:13 lid 1 BW
uitschakelen.
Hoe zit het nu met deze quasi-wettelijke verdeling en art. 10 SW?
Erflater A maakt een testament waarbij langstlevende echtgenoot B drie-sterren-executeur wordt gemaakt.
B gaat dus aan de slag als afwikkelingsbewindvoerder vertegenwoordiger en heeft dus de bevoegdheid om de
nalatenschap te verdelen. Dit is een art. 10 SW-achtige setting wat gebeurt er nu richting de kinderen?
Rechtshandeling B verdeelt, dus er is sprake van een rechtshandeling.
Genot B bepaalt dat de vorderingen niet opeisbaar zijn, dus B geniet van de vorderingen van de
kinderen. Je kunt snel genot aannemen als de vorderingen renteloos zijn.
- MAAR bij een rente van 6% samengesteld (art. 10 lid 3 SW) is geen sprake van genot. Ook de rente
die wordt bijgeschreven is genot.
Er is dus sprake van een art. 10 SW-situatie, MAAR ZIE ART. 10 LID 5 SW!
Vruchtgebruiktestament
Bij een vruchtgebruiktestament legateert de erflater het vruchtgebruik van de nalatenschap aan de
langstlevende en de kinderen verkrijgen de blote eigendom daarvan. Zie HR 19 juni 2009:
Aanvaarden
Uitvoeren
4
TWEE TENTAMENS: HC 1 T/M 5 (VERDIEPING BACHELOR) EN HC 6 T/M 10 (BEDRIJFSOPVOLGINGSREGELING)
Week 1, 2 en 3 – Art. 10 SW uitgebreid
De klassieke art. 10 SW
In de bachelor ging het over art. 10 SW-transacties tijdens het leven:
Art. 10 SW belasten bij overlijden van verkrijging van eigendom, dat eerder is omgezet in vruchtgebruik t.b.v.
toekomstige erfgenamen. Vruchtgebruik vererft niet, het eindigt bij overlijden vruchtgebruiker (art. 3:203 BW).
Op dat moment wast het bloot-eigendom aan bij de volle eigendom. Dit is GEEN verkrijging krachtens erfrecht
(art. 1 SW) en dus geen belastingheffing. Iemand kan zich dan dus eenvoudig van de erfbelasting ontdoen en
daarom zijn ficties ontstaan. DUS: kijken of sprake is van fictie van art. 10 SW!
We ‘doen’ alsof er een erfrechtelijke verkrijging is, maar die zie je in beginsel niet. We doen alsof
vruchtgebruik wel vererfd.
‘Al wat’ al wat op naam staat van erflater/overdragen is wordt geacht krachtens erfrecht door
overlijden te zijn verkregen. Je heft over al hetgeen bij de ‘pijl’ betrokken is geweest. Dus bij het
overlijden van erflater doen we alsof het gehele pand een verkrijging krachtens erfrecht is.
Voorwaarden voor art. 10 SW:
Er moet zijn verkregen:
- Ten koste van (= afkomstig uit) het vermogen van erflater goed zijn verkregen door ander dat
afkomstig is uit vermogen van erflater, OF
- Ten laste van (= gesplitste aankoop) erflater moet offer hebben gebracht om vruchtgebruik te
verkrijgen, de nalatenschap moet zijn verkleind
Verkrijging ontstaat in verband met een rechtshandeling waarbij erflater partij was. Bijv.
koopovereenkomst.
Erflater moet tot aan zijn overlijden (of daarmee verband houdend tijdstip 180 dagen regel) genot
hebben gehad van vruchtgebruik.
- Vruchtgebruik (art. 18 SW): vruchtgent, gebruik en bewoning, vruchten en inkomsten, jaarlijkse
opbrengst en soortgelijke uitkeringen uit daartoe aangewezen goederen.
- Periodieke uitkering: uitkeringen in geld en elke andere voortdurende of op vastgestelde
tijdstippen terugkerende prestatie.
! Een beetje genot is ook genot, bijv. rente van 4,5% is niet voldoende en dus is art. 10 SW van
toepassing.
Een rente/huur van 6% betalen kan de werking van art. 10 SW voorkomen!
Genot is ten laste gekomen van iemand die behoort tot verdachte familiekring (= partner van erflater
en bloed- en aanverwanten t/m vierde graaf of hun partners) (art. 10 lid 4 SW).
- Zie ook het partnerbegrip van art. 1a SW.
Uit art. 5a AWR blijkt het algemene partnerbegrip. MAAR in art. 1a SW staat een afwijkende
regeling.
Voordeel partner: grote vrijstelling (art. 32 SW) en lager tarief
Nadeel partner: je valt onder art. 11 lid 5 SW en art. 26 SW (samentelregeling)
Voorwaarde van art. 1a lid 1 sub c SW: er moet sprake zijn van een wederzijdse zorgverplichting.
Uit het contract moet blijken dat je elkaar verzorgt als er iets met de ander zou gebeuren.
Verzorgingsgedachte bij samenwoners:
o Hof Amsterdam 25 november 2021
o De zorgplicht moet blijken uit de draagplicht in de kosten van de gemeenschappelijke
huishouding opgenomen in een samenlevingscontract.
o Zij moeten naar evenredigheid bijdragen aan de kosten van huishouding.
o SvF er moet IETS omtrent wederzijdse zorgverplichting in het notarieel
samenlevingscontract zijn opgenomen. Bijv. samenwoner moet meebetalen aan een kratje
Grolsch bier.
Maar je hoeft niet aan sub c te voldoen als je een onafgebroken periode van 5 jaar op hetzelfde
adres woont. Dit is alleen lastig te bewijzen.
1
, Door art. 10 SW wordt het gehele object waar vruchtgebruik betrekking op heeft, dus gehele woning, geacht
terug te vallen in het vermogen van de erflater. De woning wordt dus voor de volle waarde in de heffing
getrokken bij de verkrijger.
MAAR art. 7 SW kent een verzachting: opgeofferde bedrag of hetgeen erflater werd bedongen komt in
mindering op verkrijging. Waarde van bloot-eigendom mag in mindering worden gebracht. Bijv. een
koopsom die is betaald.
- Lid 3 rente-inkomsten mogen ook in mindering worden gebracht, want die heeft verkrijger
gemist aantal jaren tussen moment dat erflater huis overdraagt en moment dat erflater komt
te overlijden x (waarde bloot-eigendom x 6%)
- Lid 2 ook eventuele schenk- of overdrachtsbelasting (te vermeerderen met enkelvoudige rente
van 6%) die bij aangaan van rechtshandeling betaald is, kan worden verrekend (IS GEEN AFTREK!).
HR 10 oktober 2014: als je gaat kwijtschelden, is het ook niet meer bedongen of opgeofferd!
- Casus betrof een verkoop door erflaatster van een woning aan het kind in 2002 voor 216.000
euro. Direct bij de verkoop is 34.025 euro van de koopsom kwijtgescholden. Vervolgens is een
overeenkomst van geldlening gesloten voor de resterende 181.975 euro. Door middel van
jaarlijkse schenkingen is deze geldlening in de loop der jaren volledig kwijtgescholden. De HR
oordeelde: het strookt niet met de bedoeling uit de wetsgeschiedenis om de waarde van hetgeen
door de erflater is bedongen ook op de waarde van de verkrijging in mindering te brengen in een
geval als hierboven, waarin de verkrijger de koopsom voor een onroerende zaak aan de erflater
schuldig is gebleven en de erflater deze schuld vervolgens geheel heeft kwijtgescholden.
Je kijkt naar de waarde van het goed op het moment van overlijden (tijdstip van verkrijging), je kijkt naar de
WEV c.q. WOZ-waarde (art. 21 lid 1 en lid 5 SW).
MAAR voor panden die voor 2010 zijn overgedragen, geldt wel de waarde van destijds:
Stel, in de jaren 80 is een huis overgedragen voor koopsom van 40.000 euro. Het pand was 100.000
euro waard, maar de koopsom was 40.000 euro, omdat er een waardedrukkend effect van 60.000 euro
is (factor 10 x 6% (art. 10 Uitv.besl. SW)).
In 2010 had het pand een WOZ-waarde van 840.000 euro.
Voor 2010 gold dat je mocht uitgaan van de waarde van destijds (waarde ten tijde van
rechtshandeling), dus je mocht toen uitgaan van de waarde van 100.000 euro.
Na 2010 was de WEV c.q. de WOZ-waarde van belang geworden, dus moet je uitgaan van 840.000
euro.
TOCH is bij besluit van 18 oktober 2016 wel overgangsrecht betrokken m.b.t. overdrachten van woningen die
hebben plaatsgevonden voor 1 januari 2010, er werd dus gerepareerd step up-regeling: alleen de
waardestijging vanaf 1 januari 2010 tot overlijdensdatum wordt in aanmerking genomen voor toepassing van
art. 10 SW.
Als je bijv. in 2013 overlijdt, dan zit er waardestijging in het huis en dit moet worden meegenomen. Je
gebruikt de waarde van 100.000 euro, maar de waardestijging van 3 jaar moet je wel meenemen.
Er kan aan art. 10 SW worden ontkomen door ‘genotsvoorkomend’ te leven (art. 10 lid 3 SW). Er moet dan
daadwerkelijk jaarlijks worden betaald, namelijk 6% rente/huur. In dat geval ben je niet aan het genieten en kun
je aan art. 10 SW ontkomen. Bij een te lage huur, bijv. 3%, heb je al genoten.
Wanneer de vergoeding niet jaarlijks wordt betaald, moet de gemiste rentetermijnen (inclusief rente) alsnog
worden betaald om toepassing van art. 10 SW te voorkomen.
Art. 10 SW toegepast op testament
Nu gaan we er veel dieper op in! We passen art. 10 SW toe op alle uiterste willen.
Het turbotestament (variant op vruchtgebruiktestament)
Het is een bijzondere vorm van het vruchtgebruiktestament: de langstlevende echtgenoot verkrijgt het
vruchtgebruik van de nalatenschap onder de last de hoofdgerechtigdheid/blooteigendom van zijn/haar aandeel
in de huwelijksgoederengemeenschap in de nalatenschap te brengen. De kinderen worden benoemd tot
erfgenaam en krijgen het blooteigendom van de nalatenschap.
Langstlevende heeft het vruchtgebruik verworven over de hele huwelijksgoederengemeenschap.
2
, De kinderen verkrijgen bij eerste overlijden de blote eigendom van de hele
huwelijksgoederengemeenschap.
De langstlevende verkrijgt over het gehele vermogen bij overlijden van de eerststervende het vruchtgebruik,
zodat te zijner tijd niets van dat vermogen wordt nagelaten en over dit vermogen GEEN erfbelasting
verschuldigd kan zijn.
Bijv. vader A overlijdt, moeder B is genieter/vruchtgebruiker en kind C wordt blooteigenaar. A heeft een eigen
vermogen van 100. Hiervan geeft hij het vruchtgebruik aan B, zo blijkt uit testament. A zet in zijn testament,
naast het gewone vruchtgebruik van 100: B, als ik er niet meer ben, dan verplicht ik jou om jouw huis (gehuwd
in koude uitsluiting) (MAAR als het gaat om een gemeenschap van goederen, dan spreken we natuurlijk over
een half huis!) over te dragen aan C. Jij (B) krijgt dan het vruchtgebruik van het huis.
Overlijden van A is eerste overlijden;
De fiscale stunt speelt bij tweede overlijden van B.
B heeft het vruchtgebruik, dit vererft niet. In de nalatenschap van B zit blooteigendom van 100 en
blooteigendom van het huis.
Hoe kan A in zijn uiterste wil het pand laten toekomen aan C, terwijl het pand van zijn echtgenote B is? Je hoeft
GEEN eigenaar te zijn om een uiterste wil te maken (art. 4:117 BW (legaat vorderingsrecht) en 4:130 BW
(testamentaire last verplichting)).
Eerste overlijden
Bij dit overlijden wordt het testament gemaakt. Bij eerste overlijden van A is de verplichting opgelegd dat B het
huis overdraagt aan C.
De verkrijging van de langstlevende is met erfrecht belast.
De verkrijging van de kinderen (gehele blooteigendom) is met erfrecht belast.
Tweede overlijden
Op het moment dat B overlijdt (tweede overlijden), groeit het blooteigendom van de kinderen aan naar volle
eigendom. ZONDER toepassing van art. 10 SW, zou deze waardeaangroei onbelast zijn, want vruchtgebruik
vererft niet. De vraag is nu of art. 10 SW toch wel tot heffing leidt?
Er is wel sprake van genot, maar we missen degene die de rechtshandeling verricht. Dat was A en hij is al
overleden. Vruchtgebruik vererft niet, dus GEEN art. 10 SW.
HR 19 juni 2009: toen kwam het Turbotestament-arrest. Moeder B is de genieter bij tweede overlijden, maar
zie je actie/rechtshandeling bij B na het overlijden van A? A heeft de verplichting opgelegd tijdens het leven, dus
de woning is al overgedragen.
Het gaat om het moment van overlijden van A. Is op dat moment art. 10 SW van toepassing? De HR zegt dat het
gaat om drie woorden:
Het ‘aanvaarden’ van de uiterste wil A heeft het testament gemaakt, MAAR B aanvaardt zijn uiterste
wil.
Het ‘uitvoeren’ civielrechtelijk moet het pand nog geleverd worden (pand overdragen onder
voorbehoud van vruchtgebruik bij notaris). De uiterste wil moet dus nog worden uitgevoerd.
‘Ten laste van’ het moment dat B het testament aanvaardt en uitvoert, gebeurt dit ten laste van
haar vermogen. B moet uit haar eigen/privé vermogen een testamentaire last brengen. Het is dus een
last uit het vermogen van de genieter.
De HR heeft dus beslist dat art. 10 SW van toepassing is op turbotestamenten. Ook kan de erfbelasting die is
betaald bij het eerste overlijden NIET worden verrekend met de erfbelasting die bij tweede overlijden is
verschuldigd.
DUS: de HR heeft in dit arrest een nadere invulling gegeven aan het begrip rechtshandeling. In ieder geval zijn
de aanvaarding van een legaat en de uitvoering van een last als ‘rechtshandelingen’ aan te merken in de zin van
art. 10 SW.
Dit zie je terug in art. 10 lid 5 en 6 SW als je de rechtsregel letterlijk uitlegt, viel bijna ieder testament onder
art. 10 SW en dit was NIET de bedoeling.
Afwikkelingsbewindvoerder en quasi-wettelijke verdeling
3
, In 2009 kwam de afwikkelingsbewindvoerder en quasi wettelijke verdeling naar voren. Stel, vader overlijdt. Dan
zit in de nalatenschap een onverdeeld huis. In het testament staat dan vaak dat echtgenoot een
verdelingsbevoegdheid krijgt met drie sterren.
Quasi-wettelijke verdeling de erflater bepaalt in zijn testament dat de w.v. NIET van toepassing is. De
kinderen en langstlevende echtgenoot worden niet voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd, MAAR de
langstlevende echtgenoot wordt aangewezen als afwikkelingsbewindvoerder. Er zijn twee varianten:
Bevoegdheidsvariant: de afwikkelingsbewindvoerder kan een verdeling tot stand brengen alsof er een
wettelijke verdeling zou gelden.
Verplichte variant: aan de afwikkelingsbewindvoerder wordt de verplichting opgelegd de nalatenschap
o.g.v. de wettelijke verdeling te verdelen.
In sommige testamenten wordt voor deze variant een tenzij-clausule opgenomen die inhoud dat de
afwikkelingsbewindvoerder ook tot een andere verdeling mag overgaan.
De vorderingen van de kinderen bij quasi-w.v. moet op dezelfde wijze worden gewaardeerd als bij w.v. Uit art.
10 lid 5 SW kan worden afgeleid dat de quasi-w.v. gelijk moet worden behandeld als de w.v.:
‘Alsof sprake is van een w.v.’ alle goederen van de nalatenschap worden toegedeeld aan de
langstlevende echtgenoot, onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te
nemen. Ieder kind verkrijgt daarbij een geldvordering op de langstlevende echtgenoot die
overeenkomt met de waarde van zijn erfdeel.
Ook de renteovereenkomst die door de langstlevende en de kinderen wordt gesloten, zal voor de heffing van
erfbelasting worden gevolgd (mits in testament tenzij-clausule is opgenomen EN ovk binnen aangiftetermijn
voor erfbelasting is gesloten (art. 1 lid 3 SW)).
Een renteafspraak wordt bij de quasi-wettelijke verdeling op grond van het besluit uitsluitend gevolgd
als het testament voorziet in de mogelijkheid dat erfgenamen onderling de rente bepalen of een
afwijkende rente overeenkomen. In een testament met een quasi-wettelijke verdeling wordt immers
de wettelijke verdeling uitdrukkelijk buiten toepassing verklaard.
Afwikkelingsbewindvoerder er zijn verschillende soorten executeurs: gewone executeur van art. 4:144 BW,
de begrafenis-executeur en de executeur van art. 4:171 BW.
Art. 4:171 BW: iemand benoemen tot afwikkelingsbewindvoerder met drie sterren. De bevoegdheden
die de afwikkelingsbewindvoerder heeft moet je uitwerken. Het is een blanco model waar je o.b.v.
vertegenwoordigingsrecht de vertegenwoordigingsbevoegdheid moet uitwerken. Bijv.: ‘ik geeft de
afwikkelingsbewindvoerder de bevoegdheid om mijn nalatenschap zelfstandig te verdelen’.
LET OP! Een nadeel van de w.v. is art. 4:18 BW het huis wordt bij w.v. toebedeeld aan de langstlevende, maar
als deze het wil overdragen aan de kinderen, dan moet dit binnen 3 maanden gebeuren.
De quasi-w.v. betekent juist dat je een uiterste wil maakt in de sfeer van de w.v. maar je hebt langer de tijd om
te verdelen d.m.v. het benoemen van een afwikkelingsbewindvoerder. Je mag de w.v. van art. 4:13 lid 1 BW
uitschakelen.
Hoe zit het nu met deze quasi-wettelijke verdeling en art. 10 SW?
Erflater A maakt een testament waarbij langstlevende echtgenoot B drie-sterren-executeur wordt gemaakt.
B gaat dus aan de slag als afwikkelingsbewindvoerder vertegenwoordiger en heeft dus de bevoegdheid om de
nalatenschap te verdelen. Dit is een art. 10 SW-achtige setting wat gebeurt er nu richting de kinderen?
Rechtshandeling B verdeelt, dus er is sprake van een rechtshandeling.
Genot B bepaalt dat de vorderingen niet opeisbaar zijn, dus B geniet van de vorderingen van de
kinderen. Je kunt snel genot aannemen als de vorderingen renteloos zijn.
- MAAR bij een rente van 6% samengesteld (art. 10 lid 3 SW) is geen sprake van genot. Ook de rente
die wordt bijgeschreven is genot.
Er is dus sprake van een art. 10 SW-situatie, MAAR ZIE ART. 10 LID 5 SW!
Vruchtgebruiktestament
Bij een vruchtgebruiktestament legateert de erflater het vruchtgebruik van de nalatenschap aan de
langstlevende en de kinderen verkrijgen de blote eigendom daarvan. Zie HR 19 juni 2009:
Aanvaarden
Uitvoeren
4