µ
INLEIDING
1 Plato’s grot (p.14) LES1: 26/9
Filosofie vertrekt vanuit de verwondering
Voorwerp van verwondering = alles
Wereld = vooraf geordende structuur
Plato, 5de E, schreef Dialogen: Politea = de staat de ideale staat
Allegorie van de grond = iets op een andere manier zegge: abstracte theorie toelichten
Plato’s grot: wand, vuur, gevangen, schaduwen, kopieën, …
Mensen zien een voorgevormde WH: de gevangenen die vastzitten in een donkere
grot zien enkel schaduwen op de muur. Die schaduwen zijn voor hen de enige WH.
Wat is de realiteit? (herlees verhaal nog eens Gri of p14)
Idee:
Filosofie heeft te maken met het moment waarop je evidente dingen niet meer
zo beschouwd, maar er vervreemding ontstaat
Evidente zaken in vraag stellen vervreemding
Filosofie heeft niet 1 object = alles heeft de mogelijkheid om in vraag gesteld te
worden
Filosofie bestudeerd de
WH Wat is de WH?
- Mensen worden niet geboren in realiteit, wel in symbolische orde: je
komt terecht in een voorgevormde wereld, waarmee jij vertrouwd raakt
(= 2de rangs)
- Zelfs wereld van wetenschap is een constructie
Betekenis grot van Plato:
De grot staat symbool voor de zintuiglijke wereld (wat we met onze zintuigen
waarnemen), en het licht buiten de grot voor de wereld van ideeën of ware kennis.
Plato wil hiermee zeggen dat echte wijsheid niet komt uit wat we zien, maar uit
filosofisch denken en inzicht in de waarheid achter de verschijnselen.
Blik van het kind (Nietsche)
Kind zandkasteel bouwen verwoest het nadien
Volwassen lego zetten in de kast
We zijn verleerd te zien dat het maar een bouwsel/structuur is
,2 Filosofie en ideologie
filosofie = wetenschap: ze wil iets stelligs over de WH beweren
o argumentatie
o denkwerk nodig
o technisch vocabularium
verwondering blijft in het spel: de verworven inzichten moeten opnieuw
aangevochten worden
o filosofie stelt zich open (permanente openheid)
o keert steeds terug: zodat het bereikte opnieuw ter discussie gesteld kan worden
o ruimte voor kritiek en vragen
taak van de filosofie = kwetsbaarheid uitte, ruimte voor kritiek laten, permanente
openheid, ..
vs. ideologie
= geheel van definitieve zekerheden die het bestaan ordenen (filosofie kan niet
status quo vasthouden: er is geen dit is nu juist!)
3 Historiciteit van filosofie
spatio-temporele context: tijd en ruimte zijn bepalend
vragen en antwoorden voortdurend veranderen
bv. Antwoorden kunnen verschillen naargelang wat de geografische context is
filosofie = wezenlijk historisch (+ interpretatie =
historisch bepaald) Hegel: “De filosofie is haar tijd
vervat in gedachten.”
een filosofische theorie is altijd een weergave van de tijdsgeest. Zonder besef
van geschiedenis kan je niet weten hoe de werkelijkheid in elkaar zat.
geen objectieve maatstaf
4 Filosofische canon?
Wereldbeelden
= bestaanshorizon waarin we ‘geworpen’ zijn en we vanzelf opnemen
o Elke tijd, cultuur heeft een eigen specifiek wereldbeeld
o Hierin wordt het heden geordend, de verwachtingen voor de toekomst
gevormd en wordt het verleden geïnterpreteerd.
o Veranderlijk (maar geleidelijk aan): breuken, revoluties, …
Canon
= maatstaf: datgene aan de hand waarvan je andere dingen afmeet
o Legitiem:
o Filosofische canon = geen eensgezindheid, voortdurende discussie, zelfs
kritisch, zet geen waarheid uiteen en herwerkt de theorieën van de
voorgangers
- Lijst van grote namen: historisch bepaalde keuze (je kunt niet rond Plato,
Kant, …
- Inhoudelijke kritiek = wat de filosofen zeggen: we hebben het recht en
, de plicht om het oneens te mogen zijn
- Formele kritiek = wie de filosofen zijn: alle filosofen waren witte mannen
, DEEL 1: Lotgevallen van filosofische rationaliteit
HOODSTUK 1: WIJSBEGEERTE BINNEN DE ANTIEKE BESTAANSHORIZON OUDHHEID
6DE EEUW v.C. – 6DE EEUW n.C.
1. Ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
1.1 Van mythos naar logos
Mythos = verhaal
= bieden het antwoord op vragen naar oorsprong, naar de betekenis van
fenomenen, naar de legitimatie van macht, vragen over schrikwekkende
gebeurtenissen of verwonderende vragen over het waarom van de dingen
o grond-leggende gebeurtenis (waaruit bestaande wordt afgeleid)
o de oorzaken = goden of halfgoden die door hun doen en laten de gang van
zaken bepalen
o verklarende waarde: het legt uit hoe het bestaande tot stand is gekomen
o niet kritisch: trekt de geldigheid van verklaringsmethode niet in twijfel
o normatief: geeft aan waarom de dingen zo moeten zijn
o legitimerend
bv. Verklaringsmethode
Parmenides wordt ontvoerd door Hades. Haar moeder Demeter, is boos landbouw valt
compleet stil Hades beslist dat haar dochter voor 6 maand terug mag uit de onderwereld
Demeter is weer blij = bloei. Zo ontstaan de seizoenen.
cultuurschok 6de eeuw: factoren voor de omzet van mythos naar logos:
o door kolonisatie en handel
o contact met vreemde volkeren (antropomorfisme)
o mondelinge naar schriftelijke cultuur
o natuur centraal
kritiek op mythe:
vanaf nu moeten de verhalen geïnterpreteerd worden
+ moeten nieuwe verklaringsmethodes gezocht worden (niet langer gebonden aan
mythen)
logos = rede = uitleg
alle situaties waar uitleg verschuldigd is vragen om logos, een rationele verklaring
o mythos logos
o Desacralisering van de natuur: de antropomorfe goden ‘verhuizen’ naar een
aparte plaats de Olympos. De goden verliezen hun plaats in de wereld. De
Olympos = symbool voor een ‘bovennatuurlijke’ plaats, vanwaar zij met de
natuur, de mensen en elkaar in interactie treden