Samenvatting
WO 2
1
, Hoofdstuk 5: Natuurkundige verschijnselen (basiskennis)
1. Vaste stoffen, vloeistoffen & gassen
• Stoffen – drie verschijningsvormen
1. Vast
2. Vloeibaar
3. Gas
Molecuul = Kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen heeft van die stof
Het gedrag van moleculen wordt beïnvloed door temperatuur en is bepalend voor
de verschijningsvormen van een stof
Dichtheid van de stof geeft de massa per volume – eenheid aan – hoe meer
Molecule per volume – eenheid aanwezig, hoe hoger de dichtheid
1.1 Verschijningsvormen
Elke stof bestaat uit deeltjes -> Molecuul
Vaste stof = Moleculen bewegen niet veel en trekken ze elkaar sterk aan, waardoor ze dicht bij
elkaar blijven
• Zijn hard + vormvast
(BV ijsklontjes, doe je deze in een glas – zullen ze niet veranderen van vorm)
Vloeistof = Bewegen de moleculen in alle richtingen en zitten de deeltjes minder dicht op
elkaar
Ze kunnen elkaar minder sterk aantrekken en hebben geen vaste plaats meer
• Geen vaste vorm
Gas = Bewegen de deeltjes in alle richtingen en hebben geen onderlinge aantrekkingskracht
meer, waardoor er nog meer ruimte tussen de deeltjes zit
• Lucht vult de hele ruimte waarin het zit
(BV binnenband fiets of een luchtbed, voelen allemaal even hard omdat er evenveel lucht is)
Water is een unieke stof omdat kan voorkomen in de drie verschijningsvormen/
aggregatietoestanden (Vast, vloeibaar + gasvormig)
2
,1.2 invloed van warmte op de verschijningsvorm van een stof
VAN KOUD -> WARM
Energietoevoer -> verandert het gedrag van de molecule van een bepaalde stof en
Dus ook de verschijningsvorm
Energie toevoeren -> door de temperatuur of de druk te verhogen
Zuivere vaste stof = Stof die uit één soort moleculen bestaat
• Zal bij een normale luchtdruk bij één bepaalde temperatuur vloeibaar worden =
smeltpunt
• Het smeltpunt van bevroren water is normaal 0°C – maar als de stof niet zuiver is,
verandert het smeltpunt
o (zout op sneeuw, zal de samenstelling veranderen van de sneeuw en zal het al
bij een temperatuur lager dan 0°C gaan smelten)
• Vaste stof smelt maar bij één temperatuur
Bij de overgang van de vloeibare vorm nd gasvorm is dit anders – bij bijna elke temperatuur
kunnen deeltjes aan een vloeistof ontsnappen en in de gasvormige toestand overgaan =
verdamping
Kookpunt = Van een stof is niet de temperatuur waarbij een vloeistof verdampt, maar de
hoogste temperatuur die een vloeistof kan bereiken
Daarna gaat alle vloeistof over in de gasvorm, waarbij het kookpunt van water
100°C is bij een normale luchtdruk
Als de luchtdruk hoger is, drukken de luchtmoleculen sterker op een
vloeistof, waardoor het lastiger is voor de moleculen om aan de vloeistof te
ontsnappen
Het zal daarom langer duren om bij een hoge luchtdruk een pannetje water te
laten koken (hoog in de bergen, waar luchtdruk ijler is – zal het pannetje sneller
koken)
3
, Sublimatie = Moleculen die van vaste vorm direct overgaan in gasvormige toestand, zonder dat
er een vloeibare fase is geweest
! Zorgt ervoor dat we sommige vaste stoffen (chocola) kunnen ruiken, want onze
neus vangt de ontsnapte moleculen op
VAN WARM -> KOUD
Als een gas afkoelt -> moleculen bewegen steeds langzamer en komen terug dichter bij
elkaar
Condenseert = Wanneer het gas overgaat in de vloeibare vorm
(Bv. Als je met je warme adem tegen een koude spiegel ademt, zie je een waas wat vloeibaar
water is, je uitgeademde lucht condenseert op de koude spiegel)
Vriezen = Water bevriest bij 0°C en wordt ijs onder het vriespunt
Desublimatie/ rijping = Soms slaat een gas de vloeibare fase over en gaat direct over in een
vaste vorm
(bv. lucht die direct bevriest op je sjaal)
Als er een wit ijslaagje ontstaat wordt dit rijp genoemd
TEMPERATUUR EN GEWICHT
De dichtheid van een stof geeft de massa per volume – eenheid aan
Hoe meer moleculen per volume – eenheid, des te hoger te dichtheid
Als de volume – eenheid waarbinnen de moleculen zich kunnen verspreiden groter wordt, neemt
de dichtheid af
Dichtheid wordt officieel uitgedrukt in kg/m3
1.3 Eigenschappen van water
1. Water als oplosmiddel
2. De opwaartse kracht van water
3. Oppervlaktespanning van water
4
WO 2
1
, Hoofdstuk 5: Natuurkundige verschijnselen (basiskennis)
1. Vaste stoffen, vloeistoffen & gassen
• Stoffen – drie verschijningsvormen
1. Vast
2. Vloeibaar
3. Gas
Molecuul = Kleinste deeltje van een stof dat nog alle eigenschappen heeft van die stof
Het gedrag van moleculen wordt beïnvloed door temperatuur en is bepalend voor
de verschijningsvormen van een stof
Dichtheid van de stof geeft de massa per volume – eenheid aan – hoe meer
Molecule per volume – eenheid aanwezig, hoe hoger de dichtheid
1.1 Verschijningsvormen
Elke stof bestaat uit deeltjes -> Molecuul
Vaste stof = Moleculen bewegen niet veel en trekken ze elkaar sterk aan, waardoor ze dicht bij
elkaar blijven
• Zijn hard + vormvast
(BV ijsklontjes, doe je deze in een glas – zullen ze niet veranderen van vorm)
Vloeistof = Bewegen de moleculen in alle richtingen en zitten de deeltjes minder dicht op
elkaar
Ze kunnen elkaar minder sterk aantrekken en hebben geen vaste plaats meer
• Geen vaste vorm
Gas = Bewegen de deeltjes in alle richtingen en hebben geen onderlinge aantrekkingskracht
meer, waardoor er nog meer ruimte tussen de deeltjes zit
• Lucht vult de hele ruimte waarin het zit
(BV binnenband fiets of een luchtbed, voelen allemaal even hard omdat er evenveel lucht is)
Water is een unieke stof omdat kan voorkomen in de drie verschijningsvormen/
aggregatietoestanden (Vast, vloeibaar + gasvormig)
2
,1.2 invloed van warmte op de verschijningsvorm van een stof
VAN KOUD -> WARM
Energietoevoer -> verandert het gedrag van de molecule van een bepaalde stof en
Dus ook de verschijningsvorm
Energie toevoeren -> door de temperatuur of de druk te verhogen
Zuivere vaste stof = Stof die uit één soort moleculen bestaat
• Zal bij een normale luchtdruk bij één bepaalde temperatuur vloeibaar worden =
smeltpunt
• Het smeltpunt van bevroren water is normaal 0°C – maar als de stof niet zuiver is,
verandert het smeltpunt
o (zout op sneeuw, zal de samenstelling veranderen van de sneeuw en zal het al
bij een temperatuur lager dan 0°C gaan smelten)
• Vaste stof smelt maar bij één temperatuur
Bij de overgang van de vloeibare vorm nd gasvorm is dit anders – bij bijna elke temperatuur
kunnen deeltjes aan een vloeistof ontsnappen en in de gasvormige toestand overgaan =
verdamping
Kookpunt = Van een stof is niet de temperatuur waarbij een vloeistof verdampt, maar de
hoogste temperatuur die een vloeistof kan bereiken
Daarna gaat alle vloeistof over in de gasvorm, waarbij het kookpunt van water
100°C is bij een normale luchtdruk
Als de luchtdruk hoger is, drukken de luchtmoleculen sterker op een
vloeistof, waardoor het lastiger is voor de moleculen om aan de vloeistof te
ontsnappen
Het zal daarom langer duren om bij een hoge luchtdruk een pannetje water te
laten koken (hoog in de bergen, waar luchtdruk ijler is – zal het pannetje sneller
koken)
3
, Sublimatie = Moleculen die van vaste vorm direct overgaan in gasvormige toestand, zonder dat
er een vloeibare fase is geweest
! Zorgt ervoor dat we sommige vaste stoffen (chocola) kunnen ruiken, want onze
neus vangt de ontsnapte moleculen op
VAN WARM -> KOUD
Als een gas afkoelt -> moleculen bewegen steeds langzamer en komen terug dichter bij
elkaar
Condenseert = Wanneer het gas overgaat in de vloeibare vorm
(Bv. Als je met je warme adem tegen een koude spiegel ademt, zie je een waas wat vloeibaar
water is, je uitgeademde lucht condenseert op de koude spiegel)
Vriezen = Water bevriest bij 0°C en wordt ijs onder het vriespunt
Desublimatie/ rijping = Soms slaat een gas de vloeibare fase over en gaat direct over in een
vaste vorm
(bv. lucht die direct bevriest op je sjaal)
Als er een wit ijslaagje ontstaat wordt dit rijp genoemd
TEMPERATUUR EN GEWICHT
De dichtheid van een stof geeft de massa per volume – eenheid aan
Hoe meer moleculen per volume – eenheid, des te hoger te dichtheid
Als de volume – eenheid waarbinnen de moleculen zich kunnen verspreiden groter wordt, neemt
de dichtheid af
Dichtheid wordt officieel uitgedrukt in kg/m3
1.3 Eigenschappen van water
1. Water als oplosmiddel
2. De opwaartse kracht van water
3. Oppervlaktespanning van water
4