Oplossingen
1. Neemt de i-factor af of toe bij toenemende molaliteit? Verklaar.
Voor zouten geldt: ∆Tv=i*Kv*m
i= dissociatie getal
Als i=1 (geen dissociatie) en i=2 (volledige dissociatie)
m= molaliteit=mol/kg
Kv ∆Tv en = cte
als i stijgt, dan daalt m
Antwoord: Als de molaiteit toenemt, dan zal de i-factor afnemen
⇒ Arrhenius zei dat hoe groter de concentratie is hoe meer de i-de factor afwijkt van de
theoretische waarde
2. Schets het verband tussen de activiteitscoëfficient en de ionsterkte voor twee
metaalionen: M2+ en M4+ . Leg uit.
a=y*c
⇒Niet ideaal gedrag van deeltjes, voor ideaal gedrag dan is y=1 zodat a=c
logy=-A*Z^2*wortel(I) A=0,590
I=½ *som(C*Z^2)
3. Waarom ontstaan er gasbellen bij het openen van een cola flesje? (*)
Wet van henry: s=k*p
In een cola fles is de druk hoger dan de atmosfeerdruk, de wet van henry zegt dat de
oplosbaarheid (s) gelijk is aan de druk (p) maal de henry constante (k), dit betekent dat er
een recht evenredig verband is tussen de druk en de oplosbaarheid. Als de druk stijgt dan
stijgt ook de oplosbaarheid, in ons voorbeeld betekent dit dat stoffen zoals (O2 en CO2)
opgelost zijn in de cola, zodra de fles open gaat zoekt de lucht in de cola evenwicht met de
atmosfeer druk waardoor de druk drastisch daalt, dit zorgt ervoor dat CO2 en andere gassen
die eerst opgelost waren, niet meer oplosbaar zijn in die druk.
4. Leg uit wat decompressie bij duiken is. (*)
Wet van Henry: s=k*p
⇒ De druk is rechtevenredig met de oplosbaarheid van een stof
Als een duiker diep onder zee is, dan stijgt de druk in vergelijking met de atmosfeerdruk. Dit
zorgt ervoor dat het lichaam van de duiker gassen zal opnemen en oplossen in de
bloedvaten, dit betekent ook een stijging in de opname van N2 vanuit de omgeving.
* Vaak voorkomende examenvragen
, Als de duiker niet traag genoeg naar de oppervlakte sijgt, kan dit gas niet op tijd ontsnappen.
Dit zorgt voor de vorming va gasbellen in de bloedvaten en weefsels, wat extreem pijnlijk is
en heel gevaarlijk. Daarom is het belangrijk dat de duiker heel traag opstijgt.
5. Bespreek de invloed van temperatuur en druk op de oplosbaarheid van vloeistoffen
en gassen.
De temperatuur heeft een zekere invloed op de oplosbaarheid van een stof, het hangt wel
echter af van het type reactie
Voor endotherme processen geldt: H>0 ⇒ T stijgt= Oplosbaarheid ook stijgen
Voor exotherme processen: H<0 ⇒ T stijgt= Oplosbaarheid dalen
Druk voor gassen: s=k*p ⇒ p stijgt= oplosbaarheid stijgt
6. Het oplossen van een gas is …
a. endotherm b. exotherm c. isotherm
⇒ Het is makkelijker om een gas in een koud vloeistof op te lossen dan in een warm
vloeistof
7. Tv = i*Kv*m Verklaar alle symbolen in deze formule en geef ook telkens de
eenheden.
Tv= Vires Temperatuur = Temperatuur waarbij een bepaald zout bevriest (°C)
i= i-factor= een maat voor dissociatie (zouten) (geen eenheid)
Kv= Evenwichtsconstante van de zout ( °C * L / kg)
m=molaliteit van de zout (kg/L)
8. Leg uit: Oplosbaarheidsproduct
Het oplosbaarheidsproduct van een stof vertelt hoe goed dat stof in water kan oplossen.
voor A^a+ B^b → AB geldt:
Ks(AB)=(A)^a* (B)^b
Als K een groot getal is dan is het goed oplosbaar in water, anders kan het heel moeilijk of
niet oplossen in water.
Hoe groter Ks, hoe beter oplosbaar dat stof is in water.
9. Leg uit waarom een piloot in een (F16 fzo) een zuurstofmasker moet dragen
wanneer deze op hoge hoogte vliegt (gebruik de nodige formules)
In een zekere hoogte is de druk heel laag
s=k*p ⇒ als de druk daalt dan daalt ook de oplosbaarheid van een stof
⇒ Minder O2 kan oplossen in je bloed, hierdoor moet je dus een masker dragen
* Vaak voorkomende examenvragen