Hoorcollege 1: inleiding en situering
Doelstellingen COS 1
• Vanuit verschillende perspectieven kijken naar complexe opvoedingssituaties en
onderbouwd aangeven welke pedagogische tussenkomsten in
opvoedingssituaties mogelijk zijn.
Wat is complexiteit
• Complexiteit kent meerdere lagen
• Is afhankelijk van het perspectief dat je inneemt
• Houdt een sterke mate van subjectiviteit in
• Geen absoluut, maar een relatief begrip: krijgt pas betekenis door de context van
de situatie
Complexiteit in opvoeding
• Opvoeden is een kwestie van vraag en aanbod.
• Complexiteit is mede afhankelijk van de mate van afstemming → ook van het
perspectief van de ouder en/of de jongere.
• Vanuit het transactionele model van Belsky: omgeving is het derde element
(macro-elementen)
Gewoon complex
• Referentiekaders spelen een belangrijke rol in de inschatting van complexiteit.
• Vaak onevenwicht tussen draaglast en draagkracht, zekere mate van
handelingsverlegenheid en een breuk tussen vraag en aanbod.
Vanuit verschillende perspectieven
Eerste perspectief: educare
• Oorsprong = empirisch wetenschappelijk denken.
• Probeert leren, ontwikkeling en jeugdhulp te vatten in termen van
objectiveerbare en controleerbare doelstellingen.
• Kinderen recht op deskundige opvoeders.
• Verwachten we in verschillende opvoedingscontexten (onderwijs, gezin, vrije tijd)
onderbouwde interventies worden ingezet.
• Focus ligt op het kind/de jongeren en zijn omgeving, niet op de opvoeder.
• Pedagogisch = ondersteunen en begeleiden van kinderen en jongeren (en hun
gezin) in hun gedrag en ontwikkeling.
, • Pedagoog zoekt naar middelen en manieren gericht op herstel van de
ontwikkeling van het kind, op herstel van de leefsituatie en op herstel van de
pedagogische relaties.
• Optimistische manier van denken over mate waarin ontwikkeling en leren
maakbaar en stuurbaar zijn.
• Er wordt beroep gedaan op ‘wat werkt’.
• Bv: biopsychosociaal model als analytisch kader om naar opvoeding te kijken.
• Leertheoretische, handelingsgerichte en systeemtheoretische perspectieven
liggen mee aan de grondslag van het gebruikte handelingskader.
Tweede perspectief: educere
• Oorsprong = kritisch emancipatorisch denken
• Pedagogisch = het creëren van pedagogische plekken: plaatsen waar kinderen
en jongeren niet zelf het voorwerp van ons (be)handelen zijn, maar waar kinderen
en jongeren uitgenodigd worden om samen met volwassenen de wereld te leren
kennen en mee vorm te geven.
• Betekent niet dat de opvoeder/lector/jeugdprofessional een vrijblijvende en
afwachtende houding aanneemt, je gaat me in ontmoeting, onderbreekt hen in
hun ‘natuurlijk’ leer- en ontwikkelingsproces, brengt iets nieuws in wat ze nog niet
eerder zijn tegengekomen.
• Leraar vertrekt vanuit een niet-wetende houding: houdt een moment van non-
conformisme in wat nieuwe mogelijkheden kan scheppen.
Begrippen
• Pedagogische actualiteit = de keuzes van een organisatie worden enerzijds
geleid door wat werkt maar anderzijds ook door wat jeugdhulp als doel stelt, door
een bepaalde invulling van wat pedagogisch handelen is.
• Verruiming van de pedagogische actualiteit =
o In beide perspectieven zijn de rechten van het kind en de sociale
grondrechten sturend. Vanuit de rechten van het kind krijg de stem van het
kind een belangrijke stem. Vanuit deze kaders kan een jeugdprofessional
op micro-, meso- en macroniveau interveniëren in een sociale en
pedagogische situatie (opvoeding).
o Pleit voor de bewustwording van de spanning tussen een overheidsbeleid,
vereisten van de organisatie en de nood aan begrip voor de mensen
waarmee ze werken. Ze willen steeds de vraag voorop stellen wat het
meest aangewezen is om de sociale grondrechten en kinderrechten na te
streven.
Spanningsveld COS
• Het al dan niet classificeren of labelen.
o Om grip te krijgen op complexe materie hebben we de neiging om te
labelen, te benoemen en in diverse categorieën onder te verdelen.
o We krijgen dan vaak een (vals) gevoel van controle.
, o In de hulpverlening diverse manieren om gedragingen of eigenschappen
van mensen te beschrijven en vervolgens te classificeren.
Pedagogische tussenkomsten
• Belangrijk dat je je handelen kan verantwoorden vanuit de diverse theoretische
kaders.
• Je moet methodisch en doordacht te werk gaan.
• Basis voor pedagogisch handelen ligt in observatie (analytische kaart).
• Pedagogisch handelen = een externe tussenkomst of interventie in de
verhouding tussen ouders en kinderen. Die tussenkomst wordt aangestuurd
vanuit sociaal-politieke overwegingen, die doorgeen de geschiedenis meermaals
ge(her)definieerd werden: van jeugdbescherming naar algemene jeugdzorg. Een
pedagogische interventie kan dus niet louter verantwoord worden vanuit een
tekort in opvoeding. We zien het als een onderdeel van maatschappelijke
dienstverlening.
• Pedagogische blik van een professional richt zich niet uitsluiten op opgroeien en
opvoeden in de thuissituatie, maar eveneens op opgroeien en opvoeden in de
leefwereld buiten het gezin (school, kinderopvang, jeugdbeweging,
vriendengroep…)
Brede en smalle betekenis van opvoeding
• Smalle invulling = het beïnvloeden van het gedrag van kinderen in een wenselijk
geachte richting.
• Brede invulling = gaat over veel meer dan gedrag en behelst het geheel van
daden, activiteiten en praktijken dat gericht is op het bijdragen aan de
menswording van het kind tot een volwassen persoon.
, Opdracht jeugdprofessional
• Rechtstreekse/ mediërende pedagogische opdracht
o Rechtstreeks: in rechtstreeks contact met een kind, jongere of groep
o Mediërende: als tussenpersoon tussen een (andere) opvoeders en het
kind of de jongere.
• Maatschappelijke opdracht
o Pedagogisch professional valt onder de sociale beroepen of
welzijnsberoepen.
o Zijn gericht op het bevorderen van sociale verandering, sociale cohesie en
welzijn is het algemeen.
o Specifiek gericht op het stimuleren en bevorderen van de sociale
verandering en het welzijn van kinderen, jongeren en ouders.
Hoorcollege 2: leertheoretisch perspectief (onderdeel
pedagogisch handelen)
Doelstellingen
• Je kan:
o De complexiteit van gedrag begrijpen.
o Bestaande emotionele en cognitieve reacties van kinderen, jongeren en
hun ouders verklaren vanuit de principes van klassieke conditionering.
o Bestaande gedragspatronen van kinderen, jongeren en ouders verklaren
vanuit principes van operante conditionering.
o Een hypothese formuleren over het integratief beeld, de leergeschiedenis
en de wisselwerking van aanleg- en contextfactoren (nature/nurture)
o Aan de hand van e integratief beeld aangewezen technieken selecteren en
toepassen in het kader van pedagogisch handelen.
o Een kritische blik werpen op het leertheoretisch perspectief.
Wat verstaan we onder pedagogisch handelen?
• Eenduidige definitie is moeilijk.
• Verhouden tot de visie van SRW:
o Pedagogische tussenkomsten of interventies (rechtstreeks of mediëren =
jij tussen ouder en kind)
o Brede kijk: onderdeel van maatschappelijke diensteverlening
Doelstellingen COS 1
• Vanuit verschillende perspectieven kijken naar complexe opvoedingssituaties en
onderbouwd aangeven welke pedagogische tussenkomsten in
opvoedingssituaties mogelijk zijn.
Wat is complexiteit
• Complexiteit kent meerdere lagen
• Is afhankelijk van het perspectief dat je inneemt
• Houdt een sterke mate van subjectiviteit in
• Geen absoluut, maar een relatief begrip: krijgt pas betekenis door de context van
de situatie
Complexiteit in opvoeding
• Opvoeden is een kwestie van vraag en aanbod.
• Complexiteit is mede afhankelijk van de mate van afstemming → ook van het
perspectief van de ouder en/of de jongere.
• Vanuit het transactionele model van Belsky: omgeving is het derde element
(macro-elementen)
Gewoon complex
• Referentiekaders spelen een belangrijke rol in de inschatting van complexiteit.
• Vaak onevenwicht tussen draaglast en draagkracht, zekere mate van
handelingsverlegenheid en een breuk tussen vraag en aanbod.
Vanuit verschillende perspectieven
Eerste perspectief: educare
• Oorsprong = empirisch wetenschappelijk denken.
• Probeert leren, ontwikkeling en jeugdhulp te vatten in termen van
objectiveerbare en controleerbare doelstellingen.
• Kinderen recht op deskundige opvoeders.
• Verwachten we in verschillende opvoedingscontexten (onderwijs, gezin, vrije tijd)
onderbouwde interventies worden ingezet.
• Focus ligt op het kind/de jongeren en zijn omgeving, niet op de opvoeder.
• Pedagogisch = ondersteunen en begeleiden van kinderen en jongeren (en hun
gezin) in hun gedrag en ontwikkeling.
, • Pedagoog zoekt naar middelen en manieren gericht op herstel van de
ontwikkeling van het kind, op herstel van de leefsituatie en op herstel van de
pedagogische relaties.
• Optimistische manier van denken over mate waarin ontwikkeling en leren
maakbaar en stuurbaar zijn.
• Er wordt beroep gedaan op ‘wat werkt’.
• Bv: biopsychosociaal model als analytisch kader om naar opvoeding te kijken.
• Leertheoretische, handelingsgerichte en systeemtheoretische perspectieven
liggen mee aan de grondslag van het gebruikte handelingskader.
Tweede perspectief: educere
• Oorsprong = kritisch emancipatorisch denken
• Pedagogisch = het creëren van pedagogische plekken: plaatsen waar kinderen
en jongeren niet zelf het voorwerp van ons (be)handelen zijn, maar waar kinderen
en jongeren uitgenodigd worden om samen met volwassenen de wereld te leren
kennen en mee vorm te geven.
• Betekent niet dat de opvoeder/lector/jeugdprofessional een vrijblijvende en
afwachtende houding aanneemt, je gaat me in ontmoeting, onderbreekt hen in
hun ‘natuurlijk’ leer- en ontwikkelingsproces, brengt iets nieuws in wat ze nog niet
eerder zijn tegengekomen.
• Leraar vertrekt vanuit een niet-wetende houding: houdt een moment van non-
conformisme in wat nieuwe mogelijkheden kan scheppen.
Begrippen
• Pedagogische actualiteit = de keuzes van een organisatie worden enerzijds
geleid door wat werkt maar anderzijds ook door wat jeugdhulp als doel stelt, door
een bepaalde invulling van wat pedagogisch handelen is.
• Verruiming van de pedagogische actualiteit =
o In beide perspectieven zijn de rechten van het kind en de sociale
grondrechten sturend. Vanuit de rechten van het kind krijg de stem van het
kind een belangrijke stem. Vanuit deze kaders kan een jeugdprofessional
op micro-, meso- en macroniveau interveniëren in een sociale en
pedagogische situatie (opvoeding).
o Pleit voor de bewustwording van de spanning tussen een overheidsbeleid,
vereisten van de organisatie en de nood aan begrip voor de mensen
waarmee ze werken. Ze willen steeds de vraag voorop stellen wat het
meest aangewezen is om de sociale grondrechten en kinderrechten na te
streven.
Spanningsveld COS
• Het al dan niet classificeren of labelen.
o Om grip te krijgen op complexe materie hebben we de neiging om te
labelen, te benoemen en in diverse categorieën onder te verdelen.
o We krijgen dan vaak een (vals) gevoel van controle.
, o In de hulpverlening diverse manieren om gedragingen of eigenschappen
van mensen te beschrijven en vervolgens te classificeren.
Pedagogische tussenkomsten
• Belangrijk dat je je handelen kan verantwoorden vanuit de diverse theoretische
kaders.
• Je moet methodisch en doordacht te werk gaan.
• Basis voor pedagogisch handelen ligt in observatie (analytische kaart).
• Pedagogisch handelen = een externe tussenkomst of interventie in de
verhouding tussen ouders en kinderen. Die tussenkomst wordt aangestuurd
vanuit sociaal-politieke overwegingen, die doorgeen de geschiedenis meermaals
ge(her)definieerd werden: van jeugdbescherming naar algemene jeugdzorg. Een
pedagogische interventie kan dus niet louter verantwoord worden vanuit een
tekort in opvoeding. We zien het als een onderdeel van maatschappelijke
dienstverlening.
• Pedagogische blik van een professional richt zich niet uitsluiten op opgroeien en
opvoeden in de thuissituatie, maar eveneens op opgroeien en opvoeden in de
leefwereld buiten het gezin (school, kinderopvang, jeugdbeweging,
vriendengroep…)
Brede en smalle betekenis van opvoeding
• Smalle invulling = het beïnvloeden van het gedrag van kinderen in een wenselijk
geachte richting.
• Brede invulling = gaat over veel meer dan gedrag en behelst het geheel van
daden, activiteiten en praktijken dat gericht is op het bijdragen aan de
menswording van het kind tot een volwassen persoon.
, Opdracht jeugdprofessional
• Rechtstreekse/ mediërende pedagogische opdracht
o Rechtstreeks: in rechtstreeks contact met een kind, jongere of groep
o Mediërende: als tussenpersoon tussen een (andere) opvoeders en het
kind of de jongere.
• Maatschappelijke opdracht
o Pedagogisch professional valt onder de sociale beroepen of
welzijnsberoepen.
o Zijn gericht op het bevorderen van sociale verandering, sociale cohesie en
welzijn is het algemeen.
o Specifiek gericht op het stimuleren en bevorderen van de sociale
verandering en het welzijn van kinderen, jongeren en ouders.
Hoorcollege 2: leertheoretisch perspectief (onderdeel
pedagogisch handelen)
Doelstellingen
• Je kan:
o De complexiteit van gedrag begrijpen.
o Bestaande emotionele en cognitieve reacties van kinderen, jongeren en
hun ouders verklaren vanuit de principes van klassieke conditionering.
o Bestaande gedragspatronen van kinderen, jongeren en ouders verklaren
vanuit principes van operante conditionering.
o Een hypothese formuleren over het integratief beeld, de leergeschiedenis
en de wisselwerking van aanleg- en contextfactoren (nature/nurture)
o Aan de hand van e integratief beeld aangewezen technieken selecteren en
toepassen in het kader van pedagogisch handelen.
o Een kritische blik werpen op het leertheoretisch perspectief.
Wat verstaan we onder pedagogisch handelen?
• Eenduidige definitie is moeilijk.
• Verhouden tot de visie van SRW:
o Pedagogische tussenkomsten of interventies (rechtstreeks of mediëren =
jij tussen ouder en kind)
o Brede kijk: onderdeel van maatschappelijke diensteverlening