College 16 dinsdag 3 februari 2026
Onderwerpen: Faillissementsrecht: fixatiebeginsel, rangorde, boedelschulden,
separatisten, Belastingdienst
Hoofdstuk 4 De fixatie van het vermogen (art. 20-
24)
Het faillissement is een algemeen beslag op het vermogen van de failliet.
Daarom is het van belang om vast te stellen wat door dit beslag wordt getroffen
en welke gevolgen dit beslag heeft.
Art. 20: in beginsel omvat het faillissementsbeslag het volledige vermogen van
de failliet op 0.00 uur van de dag waarop het faillissement wordt uitgesproken,
en alles wat de failliet tijdens het faillissement verwerft.
Dit vraagt enige nuanceringen en nadere uitwerking (art. 21-22a)
Art. 23: de failliet is niet langer beschikkingsbevoegd over het vermogen dat
onder het faillissement valt.
Net als bij een beslag buiten faillissement beperkt het faillissement de
vrijheid van de beslagene, de failliet, om te beschikken over de beslagen
goederen, de faillissementsboedel.
Art. 24: de failliet kan het vermogen dat onder het faillissement valt bovendien
niet langer blootstellen aan nieuwe schuldeisers.
Dit dient om het vermogen veilig te stellen voor de
faillissementsschuldeisers.
Fixatiebeginsel
In grote lijnen wordt de toestand van het failliete vermogen vastgelegd op het
moment van faillietverklaring zodat zij zich daar conform die toestand op kunnen
verhalen. Hierin uit zich het fixatiebeginsel.
Leveringsverbod (art. 35): een direct gevolg van de fixatie van het
vermogen is ook dat een onvoltooide levering door de schuldenaar na
faillissement niet kan worden voltooid.
4.2 Wat het faillissement omvat
4.2.1 Het vermogen
Hoofdregel (art. 20): het faillissement omvat het gehele vermogen van de
schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende
het faillissement verwerft.
Het gehele vermogen in de zin van art. 20 omvat alle zaken en alle
vermogensrechten van de gefailleerde die te gelde kunnen worden
gemaakt. Anders gezegd: alle activa van de gefailleerde.
Deze hoofdregel sluit aan bij art. 3:276 BW, dat bepaalt dat elke schuldenaar
met zijn gehele vermogen instaat voor al zijn schulden.
Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen gebaseerd op de wet
(m.n. art. 21 en 22a) en jurisprudentie (‘de hoogstpersoonlijke rechten’).
,In het faillissement vallen dus alle goederen die te gelde kunnen worden
gemaakt. Dit zijn niet alleen de goederen die de curator kan verkopen en
overdragen, die waarde hebben in het economische verkeer of waarop een
individuele schuldeiser zich buiten faillissement kan verhalen, maar ook andere
goederen die door de curator in geld kunnen worden omgezet.
Handelsnamen, vergunningen, klantgegevens, websites en alle andere
gegevens die van belang zijn voor drijven van een onderneming
Anders gezegd: de goodwill van de onderneming = onzichtbare
meerwaarde
4.2.2 Verwerven
Art. 20: het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten
tijde van de faillietverklaring, en wat hij gedurende het faillissement verwerft.
‘Verwerven’ slaat op de groei van het vermogen van de gefailleerde tijdens
het faillissement, al dan niet door zijn inspanning.
Denk aan schenkingen, erfenissen en loterijen
4.2.4 Wat blijft buiten het faillissement?
Wat niet tot dat vermogen behoort, blijft buiten het faillissement.
Zaken, die de gefailleerde onder zich heeft, waarvan een ander eigenaar
is. Zij behoren niet tot het vermogen van de gefailleerde, maar tot het
vermogen van een ander en dus ook niet tot de faillissementsboedel. De
curator moet deze zaken afgeven aan de eigenaar.
Omdat het faillissement enkel het vermogen treft, en niet de persoon, blijven de
familierechten van de gefailleerde buiten het faillissement, en kan de gefailleerde
de bevoegdheden blijven uitoefenen die hem zijn toegekend o.g. v. het Wetboek
van Strafvordering.
De gefailleerde blijft gerechtigd om de rechten uit te oefenen die
voortvloeien uit het ouderlijk gezag.
4.2.5 Uitgezonderd vermogen – art. 21 – 22a
Op de hoofdregel dat het faillissement het gehele vermogen omvat en wat de
gefailleerde verwerft, zijn enkele wettelijke uitzonderingen. De belangrijkste
staan in art. 21 en 22a:
1. Specifieke goederen waarop geen beslag kan worden gelegd op grond van
art. 447 en 448 lid 1 Rv:
Dit zijn kort gezegd de inboedel van art. 3:5 BW: kleding, levensmiddelen,
verzorgingsmiddelen, zaken noodzakelijk voor verwering van inkomen of
studie, gezelschapsdieren en hoogstpersoonlijke zaken, alle voor zover zij
niet bovenmatig zijn.
Op deze goederen kan buiten faillissement wel beslag worden gelegd voor
vorderingen in art. 448 Rv genoemd, vorderingen ter zake van de verkoop,
vervaardiging of herstel van deze zaken, of de verzorging van de
genoemde gezelschapsdieren. Als voor deze vorderingen in het
faillissement wordt opgekomen vallen deze zaken wel binnen de
faillissementsboedel; art. 21 onder 1°.
Ook een aanspraak op vergoeding van andere schade dan
vermogensschade, zoals smartengeld, is niet vatbaar voor beslag; art.
6:95 lid 2 BW. Die valt dus ook buiten het faillissement. Is de vordering
voldaan en behoort de opbrengst, de schadevergoeding, tot het vermogen
van de failliet, dan valt die wel onder het faillissementsbeslag.
2. Het vrijgelaten loon e.d.
, Het vrij te laten bedrag (art. 21 onder 2)
3. Gelden onderhoudsplicht (art. 21 onder 3): Deze gelden strekken ertoe de
gefailleerde ondanks zijn faillissement de beschikking te doen houden over
uitkeringen tot zijn levensonderhoud bestemd.
4. Opbrengst vruchtgenot: Een door de rechter-commissaris te bepalen
bedrag uit de opbrengst van het in art. 1:253l lid 1 en 2 BW bedoelde
vruchtgenot ter bestrijding van de in art. 1:253l lid 3 BW vermelde lasten en
van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind; art. 21 onder 4°.
5. Geconsigneerde gelden: Bedragen die krachtens art. 642c Rv in verband
met beperkte scheepsaansprakelijkheid in gerechtelijke consignatie zijn
gestort; art. 21 onder 5°. De gelden die op andere gronden in consignatie zijn
gestort behoren dus wel tot de faillissementsboedel.
6. Goederen onder bewind: De onder bewind staande goederen, waarvoor
zich geen schuldeiser ter verificatie en uitwinning heeft aangemeld o.g.v. art.
60a lid 3. De netto vruchten van deze goederen vallen in het faillissement;
art. 21 onder 6°.
7. Lijfrente-en bankspaarrekeningen: Bankspaarrekeningen die dienen als
oudedagsvoorziening en fiscaal vergelijkbaar zijn kunnen o.g.v. art. 21 onder
7° ook buiten de boedel vallen.
8. Gereserveerde uitdelingen: Gereserveerde uitdelingen of baten uit een
vroeger faillissement, waarvan de rechtbank o.g.v. art. 194 vereffening en
verdeling heeft bevolen.
9. Recht van gebruik en bewoning: art. 3:226 lid 4
10.Schoolgebouw
11.Hoogstpersoonlijke rechten: Rechten, die zo persoonlijk zijn, dat deze niet
te gelde kunnen worden gemaakt. Dat is het geval bij aanspraken die zozeer
met de persoon van de rechthebbende zijn verknocht dat niet kan worden
aanvaard dat anderen die aanspraak uitoefenen of daarvan profijt trekken.
a. Pensioenrecht, aanspraak op smartengeld
4.3 Handelingsbevoegdheid en
beschikkingsonbevoegdheid van de gefailleerde
4.3.1 Verlies van beheer en beschikking
Na de faillietverklaring blijft de gefailleerde handelingsbevoegd.
Zijn handelingen kunnen echter geen (vermogensrechtelijke) invloed meer
hebben op het vermogen waarop het faillissementsbeslag rust = een
uitwerking van het fixatiebeginsel.
Art. 23 drukt dit aldus uit, dat de schuldenaar door de faillietverklaring van
rechtswege de beschikking en het beheer verliest over zijn tot het faillissement
behorende vermogen, zulks te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring
wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
‘0.00 uur regel’
Het faillissement geldt dus vanaf de uitspraak ervan met terugwerkende kracht
tot het begin van de dag van de uitspraak.
Art. 23 bewerkstelligt dat het algemene faillissementsbeslag vanaf het
begin van de dag waarop de faillietverklaring is uitgesproken geacht wordt
op het vermogen van de schuldenaar te hebben gelegen (de ‘0.00 uur
regel’).
Vanaf dat moment is de curator belast met het beheer en de vereffening
van de boedel; art. 68 lid 1.
, Kortom: op faillissementsdatum gaat de beschikkingsbevoegdheid gaat om 0.00
dus over naar de curator.
Verbintenissen die voortvloeien uit handelingen van de gefailleerde na
faillietverklaring gelden, behoudens de uitzondering bedoeld in art. 24, niet ten
opzichte van de curator. De curator kan als die verbintenissen ten laste van de
boedel worden nagekomen het betaalde als onverschuldigd terugvorderen;
Volmacht
Het vermogen van de failliet kan niet alleen niet langer worden gebonden door
de failliet, maar ook niet langer door anderen die door hem gevolmachtigd zijn.
Een volmacht eindigt door faillissement van de volmachtgever (3:72a)
Bovendien eindigt de volmacht van een gevolmachtigde met zijn eigen
faillissement (3:72b)
JPR/Gunning q.q. (betalingsopdracht)
Het komt regelmatig voor dat een schuldenaar kort voor zijn faillietverklaring een
girale betalingsopdracht geeft aan zijn bank, die pas op de faillissementsdatum
(of later) wordt bijgeschreven op de bankrekening van de schuldeiser van de
(inmiddels gefailleerde) schuldenaar.
Een dergelijke betaling is in strijd met art. 23 als die na 0.00 op de dag van
de faillietverklaring is bijgeschreven op de rekening van de ontvanger.
Dan vindt de betaling na faillissement plaats en kan de curator die
terugvorderen, zie art. 6:114 lid 2
Overig
NB: de beschikkingsonbevoegdheid van de schuldenaar betreft alleen het
vermogen dat onder het faillissement valt en dus niet het vermogen dat
daarbuiten blijft. De beschikkingsonbevoegdheid van de schuldenaar betreft
alleen het vermogen dat onder het faillissement valt en dus niet het vermogen
dat daarbuiten blijft.
4.3.2 Werking jegens derden
Voor verbintenissen van de gefailleerde, ontstaan op of na dag van uitspraak van
faillissement, is de boedel ingevolge art. 23 en 24 niet aansprakelijk.
Dat geldt ook voor derden te goeder trouw, die onbekend met het
faillissement met de gefailleerde hebben gehandeld, ook al geschiedde
deze handeling voor de publicatie van het faillissement o.g.v. art. 14 lid 3.
Huijzer q.q./Rabobank (betaling na faillissement)
Far bv wordt op 23 december failliet verklaard. Op 30 december wordt dit
gepubliceerd. De bestuurder van Far geeft na 23 december opdracht aan de
Rabobank om geld van de rekening-courant over te maken naar derden. De
Rabobank was niet op de hoogte van het faillissement en hoefde dat op moment
dat zij de betaling uitvoerde ook niet te zijn. De curator wil het geld terug hebben
en stelt dat de Rabobank gehouden is het terug te betalen aan de boedel.
HR: De boedel is door de betaling niet gebaat, dit heeft tot gevolg dat de betaling
niet aan de boedel kan worden tegengeworpen. Ongeacht of de bank op de
hoogte was of moest zijn van het faillissement. Art. 52 Fw geeft een uitzondering
voor derden die betaald hebben na faillissement, maar voor publicatie.
Op de hoofdregel bestaan drie uitzonderingen
Onderwerpen: Faillissementsrecht: fixatiebeginsel, rangorde, boedelschulden,
separatisten, Belastingdienst
Hoofdstuk 4 De fixatie van het vermogen (art. 20-
24)
Het faillissement is een algemeen beslag op het vermogen van de failliet.
Daarom is het van belang om vast te stellen wat door dit beslag wordt getroffen
en welke gevolgen dit beslag heeft.
Art. 20: in beginsel omvat het faillissementsbeslag het volledige vermogen van
de failliet op 0.00 uur van de dag waarop het faillissement wordt uitgesproken,
en alles wat de failliet tijdens het faillissement verwerft.
Dit vraagt enige nuanceringen en nadere uitwerking (art. 21-22a)
Art. 23: de failliet is niet langer beschikkingsbevoegd over het vermogen dat
onder het faillissement valt.
Net als bij een beslag buiten faillissement beperkt het faillissement de
vrijheid van de beslagene, de failliet, om te beschikken over de beslagen
goederen, de faillissementsboedel.
Art. 24: de failliet kan het vermogen dat onder het faillissement valt bovendien
niet langer blootstellen aan nieuwe schuldeisers.
Dit dient om het vermogen veilig te stellen voor de
faillissementsschuldeisers.
Fixatiebeginsel
In grote lijnen wordt de toestand van het failliete vermogen vastgelegd op het
moment van faillietverklaring zodat zij zich daar conform die toestand op kunnen
verhalen. Hierin uit zich het fixatiebeginsel.
Leveringsverbod (art. 35): een direct gevolg van de fixatie van het
vermogen is ook dat een onvoltooide levering door de schuldenaar na
faillissement niet kan worden voltooid.
4.2 Wat het faillissement omvat
4.2.1 Het vermogen
Hoofdregel (art. 20): het faillissement omvat het gehele vermogen van de
schuldenaar ten tijde van de faillietverklaring, alsmede hetgeen hij gedurende
het faillissement verwerft.
Het gehele vermogen in de zin van art. 20 omvat alle zaken en alle
vermogensrechten van de gefailleerde die te gelde kunnen worden
gemaakt. Anders gezegd: alle activa van de gefailleerde.
Deze hoofdregel sluit aan bij art. 3:276 BW, dat bepaalt dat elke schuldenaar
met zijn gehele vermogen instaat voor al zijn schulden.
Op deze hoofdregel bestaan een aantal uitzonderingen gebaseerd op de wet
(m.n. art. 21 en 22a) en jurisprudentie (‘de hoogstpersoonlijke rechten’).
,In het faillissement vallen dus alle goederen die te gelde kunnen worden
gemaakt. Dit zijn niet alleen de goederen die de curator kan verkopen en
overdragen, die waarde hebben in het economische verkeer of waarop een
individuele schuldeiser zich buiten faillissement kan verhalen, maar ook andere
goederen die door de curator in geld kunnen worden omgezet.
Handelsnamen, vergunningen, klantgegevens, websites en alle andere
gegevens die van belang zijn voor drijven van een onderneming
Anders gezegd: de goodwill van de onderneming = onzichtbare
meerwaarde
4.2.2 Verwerven
Art. 20: het faillissement omvat het gehele vermogen van de schuldenaar ten
tijde van de faillietverklaring, en wat hij gedurende het faillissement verwerft.
‘Verwerven’ slaat op de groei van het vermogen van de gefailleerde tijdens
het faillissement, al dan niet door zijn inspanning.
Denk aan schenkingen, erfenissen en loterijen
4.2.4 Wat blijft buiten het faillissement?
Wat niet tot dat vermogen behoort, blijft buiten het faillissement.
Zaken, die de gefailleerde onder zich heeft, waarvan een ander eigenaar
is. Zij behoren niet tot het vermogen van de gefailleerde, maar tot het
vermogen van een ander en dus ook niet tot de faillissementsboedel. De
curator moet deze zaken afgeven aan de eigenaar.
Omdat het faillissement enkel het vermogen treft, en niet de persoon, blijven de
familierechten van de gefailleerde buiten het faillissement, en kan de gefailleerde
de bevoegdheden blijven uitoefenen die hem zijn toegekend o.g. v. het Wetboek
van Strafvordering.
De gefailleerde blijft gerechtigd om de rechten uit te oefenen die
voortvloeien uit het ouderlijk gezag.
4.2.5 Uitgezonderd vermogen – art. 21 – 22a
Op de hoofdregel dat het faillissement het gehele vermogen omvat en wat de
gefailleerde verwerft, zijn enkele wettelijke uitzonderingen. De belangrijkste
staan in art. 21 en 22a:
1. Specifieke goederen waarop geen beslag kan worden gelegd op grond van
art. 447 en 448 lid 1 Rv:
Dit zijn kort gezegd de inboedel van art. 3:5 BW: kleding, levensmiddelen,
verzorgingsmiddelen, zaken noodzakelijk voor verwering van inkomen of
studie, gezelschapsdieren en hoogstpersoonlijke zaken, alle voor zover zij
niet bovenmatig zijn.
Op deze goederen kan buiten faillissement wel beslag worden gelegd voor
vorderingen in art. 448 Rv genoemd, vorderingen ter zake van de verkoop,
vervaardiging of herstel van deze zaken, of de verzorging van de
genoemde gezelschapsdieren. Als voor deze vorderingen in het
faillissement wordt opgekomen vallen deze zaken wel binnen de
faillissementsboedel; art. 21 onder 1°.
Ook een aanspraak op vergoeding van andere schade dan
vermogensschade, zoals smartengeld, is niet vatbaar voor beslag; art.
6:95 lid 2 BW. Die valt dus ook buiten het faillissement. Is de vordering
voldaan en behoort de opbrengst, de schadevergoeding, tot het vermogen
van de failliet, dan valt die wel onder het faillissementsbeslag.
2. Het vrijgelaten loon e.d.
, Het vrij te laten bedrag (art. 21 onder 2)
3. Gelden onderhoudsplicht (art. 21 onder 3): Deze gelden strekken ertoe de
gefailleerde ondanks zijn faillissement de beschikking te doen houden over
uitkeringen tot zijn levensonderhoud bestemd.
4. Opbrengst vruchtgenot: Een door de rechter-commissaris te bepalen
bedrag uit de opbrengst van het in art. 1:253l lid 1 en 2 BW bedoelde
vruchtgenot ter bestrijding van de in art. 1:253l lid 3 BW vermelde lasten en
van de kosten van verzorging en opvoeding van het kind; art. 21 onder 4°.
5. Geconsigneerde gelden: Bedragen die krachtens art. 642c Rv in verband
met beperkte scheepsaansprakelijkheid in gerechtelijke consignatie zijn
gestort; art. 21 onder 5°. De gelden die op andere gronden in consignatie zijn
gestort behoren dus wel tot de faillissementsboedel.
6. Goederen onder bewind: De onder bewind staande goederen, waarvoor
zich geen schuldeiser ter verificatie en uitwinning heeft aangemeld o.g.v. art.
60a lid 3. De netto vruchten van deze goederen vallen in het faillissement;
art. 21 onder 6°.
7. Lijfrente-en bankspaarrekeningen: Bankspaarrekeningen die dienen als
oudedagsvoorziening en fiscaal vergelijkbaar zijn kunnen o.g.v. art. 21 onder
7° ook buiten de boedel vallen.
8. Gereserveerde uitdelingen: Gereserveerde uitdelingen of baten uit een
vroeger faillissement, waarvan de rechtbank o.g.v. art. 194 vereffening en
verdeling heeft bevolen.
9. Recht van gebruik en bewoning: art. 3:226 lid 4
10.Schoolgebouw
11.Hoogstpersoonlijke rechten: Rechten, die zo persoonlijk zijn, dat deze niet
te gelde kunnen worden gemaakt. Dat is het geval bij aanspraken die zozeer
met de persoon van de rechthebbende zijn verknocht dat niet kan worden
aanvaard dat anderen die aanspraak uitoefenen of daarvan profijt trekken.
a. Pensioenrecht, aanspraak op smartengeld
4.3 Handelingsbevoegdheid en
beschikkingsonbevoegdheid van de gefailleerde
4.3.1 Verlies van beheer en beschikking
Na de faillietverklaring blijft de gefailleerde handelingsbevoegd.
Zijn handelingen kunnen echter geen (vermogensrechtelijke) invloed meer
hebben op het vermogen waarop het faillissementsbeslag rust = een
uitwerking van het fixatiebeginsel.
Art. 23 drukt dit aldus uit, dat de schuldenaar door de faillietverklaring van
rechtswege de beschikking en het beheer verliest over zijn tot het faillissement
behorende vermogen, zulks te rekenen van de dag waarop de faillietverklaring
wordt uitgesproken, die dag daaronder begrepen.
‘0.00 uur regel’
Het faillissement geldt dus vanaf de uitspraak ervan met terugwerkende kracht
tot het begin van de dag van de uitspraak.
Art. 23 bewerkstelligt dat het algemene faillissementsbeslag vanaf het
begin van de dag waarop de faillietverklaring is uitgesproken geacht wordt
op het vermogen van de schuldenaar te hebben gelegen (de ‘0.00 uur
regel’).
Vanaf dat moment is de curator belast met het beheer en de vereffening
van de boedel; art. 68 lid 1.
, Kortom: op faillissementsdatum gaat de beschikkingsbevoegdheid gaat om 0.00
dus over naar de curator.
Verbintenissen die voortvloeien uit handelingen van de gefailleerde na
faillietverklaring gelden, behoudens de uitzondering bedoeld in art. 24, niet ten
opzichte van de curator. De curator kan als die verbintenissen ten laste van de
boedel worden nagekomen het betaalde als onverschuldigd terugvorderen;
Volmacht
Het vermogen van de failliet kan niet alleen niet langer worden gebonden door
de failliet, maar ook niet langer door anderen die door hem gevolmachtigd zijn.
Een volmacht eindigt door faillissement van de volmachtgever (3:72a)
Bovendien eindigt de volmacht van een gevolmachtigde met zijn eigen
faillissement (3:72b)
JPR/Gunning q.q. (betalingsopdracht)
Het komt regelmatig voor dat een schuldenaar kort voor zijn faillietverklaring een
girale betalingsopdracht geeft aan zijn bank, die pas op de faillissementsdatum
(of later) wordt bijgeschreven op de bankrekening van de schuldeiser van de
(inmiddels gefailleerde) schuldenaar.
Een dergelijke betaling is in strijd met art. 23 als die na 0.00 op de dag van
de faillietverklaring is bijgeschreven op de rekening van de ontvanger.
Dan vindt de betaling na faillissement plaats en kan de curator die
terugvorderen, zie art. 6:114 lid 2
Overig
NB: de beschikkingsonbevoegdheid van de schuldenaar betreft alleen het
vermogen dat onder het faillissement valt en dus niet het vermogen dat
daarbuiten blijft. De beschikkingsonbevoegdheid van de schuldenaar betreft
alleen het vermogen dat onder het faillissement valt en dus niet het vermogen
dat daarbuiten blijft.
4.3.2 Werking jegens derden
Voor verbintenissen van de gefailleerde, ontstaan op of na dag van uitspraak van
faillissement, is de boedel ingevolge art. 23 en 24 niet aansprakelijk.
Dat geldt ook voor derden te goeder trouw, die onbekend met het
faillissement met de gefailleerde hebben gehandeld, ook al geschiedde
deze handeling voor de publicatie van het faillissement o.g.v. art. 14 lid 3.
Huijzer q.q./Rabobank (betaling na faillissement)
Far bv wordt op 23 december failliet verklaard. Op 30 december wordt dit
gepubliceerd. De bestuurder van Far geeft na 23 december opdracht aan de
Rabobank om geld van de rekening-courant over te maken naar derden. De
Rabobank was niet op de hoogte van het faillissement en hoefde dat op moment
dat zij de betaling uitvoerde ook niet te zijn. De curator wil het geld terug hebben
en stelt dat de Rabobank gehouden is het terug te betalen aan de boedel.
HR: De boedel is door de betaling niet gebaat, dit heeft tot gevolg dat de betaling
niet aan de boedel kan worden tegengeworpen. Ongeacht of de bank op de
hoogte was of moest zijn van het faillissement. Art. 52 Fw geeft een uitzondering
voor derden die betaald hebben na faillissement, maar voor publicatie.
Op de hoofdregel bestaan drie uitzonderingen