WPO COGNITIEVE PSYCHOLOGIE
WPO 1: LEXICALE BESLISSING
1. Theoretisch kader
• De taak doet een beroep op het semantisch geheugen.
Dit geheugen bevat feitenkennis over de wereld en de betekenissen van woorden.
Wanneer je een woord zoals auto ziet, kan je je meteen voorstellen hoe dit eruitziet en wat
het betekent.
• Een belangrijk onderdeel van dit systeem is het mentale lexicon.
Dit is de interne verzameling van alle woorden die je kent. Het bevat informatie over:
o spelling
o syntactische eigenschappen
o betekenis
Je kan het beschouwen als een “mentaal woordenboek”.
• Centrale onderzoeksvragen zijn: Welke eigenschappen heeft het mentale lexicon? Hoe
is het georganiseerd? Hoe wordt informatie eruit opgehaald tijdens taalverwerking?
Dominant paradigma: lexicale beslissing
• Veel varianten, maar steeds dezelfde taak: Beoordelen of een letterreeks een echt
woord of een pseudowoord is.
• Pseudowoorden: niet-bestaande woorden die wel mogelijk zijn volgens de regels van de
taal.
• Drie belangrijke theoretische kaders:
o Spreading Activation Model
o Location Shifting Model
o Compound Cue Model
1.1. Meyer & Schvaneveldt (1971)
• In dit klassieke lexicale-beslissingsexperiment worden twee letterreeksen tegelijk
aangeboden (boven en onder elkaar).
• Beide kunnen echte woorden, pseudowoorden of een combinatie daarvan zijn.
• De taak: → Zo snel mogelijk aangeven of beide reeksen echte woorden zijn.
Manipulaties in het experiment:
• Taaktype:
o Ja/nee-taak: is het een woord?
o Zelfde/verschillend-taak (say-different task): zijn beide letterreeksen hetzelfde of
verschillend?
• Soort stimuli: Woord of nonwoord
• Relatie tussen twee woorden:
o Geassocieerd (bv. doctor – nurse)
o Niet geassocieerd (bv. bread – chair)
Resultaten:
• Geassocieerde woorden worden sneller herkend dan niet-geassocieerde woorden.
(Semantic priming-effect)
• Reactietijden zijn trager wanneer één van de stimuli een nonwoord is.
• Conclusie: → Activatie van een woord vergemakkelijkt de herkenning van een
gerelateerd woord. 1
,Verklaring resultaten:
Waarom verschil tussen woord–nonwoord (M = 1087) en nonwoord–woord (M = 904)?
→ Serieel beslissingsmodel
• Een nonwoord bovenaan wordt sneller opgemerkt.
• Verklaring: mensen verwerken stimuli van boven naar beneden (dominante leesrichting).
• Daardoor wordt het nonwoord sneller gedetecteerd → sneller een “nee”-reactie.
Waarom verschil tussen geassocieerde en niet-geassocieerde woorden?
→ Location Shifting Model vs. Spreading Activation
• Mensen antwoorden sneller bij geassocieerde woorden.
• Dit kan verklaard worden door:
o Location Shifting Model: woorden die samen voorkomen staan dichter bij elkaar
in het mentale lexicon.
o Spreading Activation: activatie van woord A activeert woord B wanneer ze
semantisch gerelateerd zijn.
Spreading Activation
• Het semantisch geheugen bestaat uit knooppunten (nodes).
• Deze knooppunten zijn verbonden door links die verschillen in sterkte.
• Als je een woord activeert, wordt het bijbehorende knooppunt geactiveerd.
• Die activatie verspreidt automatisch naar verwante knooppunten, en dit in verhouding
tot de sterkte van de link.
Illusoire herkenning
• Wanneer mensen een lijst met semantisch verwante woorden lezen (bv. bed, slaap,
rusten, wakker), worden de bijbehorende knooppunten in het geheugen geactiveerd.
• Door spreading activation wordt ook het centrale, niet-gepresenteerde woord (bv.
slapen) mee geactiveerd.
• Daardoor rapporteren deelnemers soms illusoir dat dit woord in de lijst stond—ze
“herinneren” het ten onrechte.
Activatie van verwante woorden kan leiden tot een valse herkenning of herinnering.
Meyer & Schvaneveldt (1971) – Kernpunten
Spreading activation
• Verklaart waarom geassocieerde woorden sneller verwerkt worden.
• Geldt voor beide taken (ja/nee én same/different).
Serieel beslissingsmodel
• Verklaart waarom in de ja/nee-taak
woord–nonwoord (1087 ms) trager is dan nonwoord–woord (904 ms).
• Reden: mensen scannen van boven naar beneden, dus een nonwoord bovenaan wordt
sneller opgemerkt → snellere “nee”.
Maar… probleem in de same/different-taak
• In de same/different-taak is nonwoord–woord trager dan woord–nonwoord.
• Dit patroon kan het serieel beslissingsmodel niet verklaren.
• Daarom is spreading activation onvoldoende om álle effecten te verklaren → aanleiding
voor andere modellen (bv. location shifting).
2
, Location Shifting Model
• Het geheugen wordt voorgesteld als een harde schijf met voor elke letterreeks (woord of
non-woord) een vaste locatie. (Ook non-woorden krijgen een plek, omdat ze later echte
woorden kunnen worden.)
• Verwante concepten liggen dicht bij elkaar opgeslagen, waardoor er minder tijd nodig
is om te “shiften” tussen hun locaties.
→ verklaart waarom geassocieerde woorden sneller verwerkt worden in beide taken.
• Het model veronderstelt ook een standaard startpositie van het “armje” dat over de
locaties beweegt.
→ Daardoor kan het verklaren waarom in de same/different-taak de positie van woord vs.
non-woord een effect heeft op de reactietijd.
1.2. Ratcliff & McKoon (1995) – Compound Cue Model
• Er is geen activatie van knooppunten zoals in spreading activation.
• De aangeboden stimuli vormen samen een “compound” (een groepje) in het
kortetermijngeheugen (KTG).
• Dit compound wordt passief vergeleken met informatie in het langetermijngeheugen
(LTG).
• Het resultaat van dit matching-proces is een maat van familiariteit (vertrouwdheid).
Familiariteit bepaalt de reactietijd:
• Hoge vertrouwdheid → sneller “ja” in een ja/nee-taak.
• Lage vertrouwdheid → sneller “nee”.
Essentie van het model: Geen actieve verspreiding van activatie, maar een passief,
achter-de-schermen vergelijkingsproces tussen het KTG-compound en het LTG.
Sequentiële aanbieding paradigma:
Stimuli worden één voor één aangeboden in reeksen van drie items, met combinaties van:
• U = unrelated (niet verwant)
• R = related (verwant)
• X = non-woord
Voorbeeld.: URR, RRU, XUU, XRR, UUU (baseline) …
Belangrijkste bevindingen
• UUU = baseline (drie niet-verwante woorden).
• URR = sneller dan baseline (verwantschap achteraan).
• RRU = versnelling niet altijd zoals verwacht → geen duidelijk effect ondanks begin met
verwante items.
• XUU = trager dan baseline (non-woord verlaagt vertrouwdheid).
• XRR = klein of geen effect (twee soorten effecten heffen elkaar deels op).
Interpretatie volgens het Compound Cue Model
• Geen activatie zoals in spreading activation.
• De drie items vormen samen een compound in het KTG.
• Dat compound wordt vergeleken met het LTG → levert vertrouwdheid op.
• Hoe hoger de vertrouwdheid, hoe sneller de reactie.
• Non-woorden verlagen de vertrouwdheid → tragere RT.
• Verwante woorden verhogen de vertrouwdheid → snellere RT.
3
WPO 1: LEXICALE BESLISSING
1. Theoretisch kader
• De taak doet een beroep op het semantisch geheugen.
Dit geheugen bevat feitenkennis over de wereld en de betekenissen van woorden.
Wanneer je een woord zoals auto ziet, kan je je meteen voorstellen hoe dit eruitziet en wat
het betekent.
• Een belangrijk onderdeel van dit systeem is het mentale lexicon.
Dit is de interne verzameling van alle woorden die je kent. Het bevat informatie over:
o spelling
o syntactische eigenschappen
o betekenis
Je kan het beschouwen als een “mentaal woordenboek”.
• Centrale onderzoeksvragen zijn: Welke eigenschappen heeft het mentale lexicon? Hoe
is het georganiseerd? Hoe wordt informatie eruit opgehaald tijdens taalverwerking?
Dominant paradigma: lexicale beslissing
• Veel varianten, maar steeds dezelfde taak: Beoordelen of een letterreeks een echt
woord of een pseudowoord is.
• Pseudowoorden: niet-bestaande woorden die wel mogelijk zijn volgens de regels van de
taal.
• Drie belangrijke theoretische kaders:
o Spreading Activation Model
o Location Shifting Model
o Compound Cue Model
1.1. Meyer & Schvaneveldt (1971)
• In dit klassieke lexicale-beslissingsexperiment worden twee letterreeksen tegelijk
aangeboden (boven en onder elkaar).
• Beide kunnen echte woorden, pseudowoorden of een combinatie daarvan zijn.
• De taak: → Zo snel mogelijk aangeven of beide reeksen echte woorden zijn.
Manipulaties in het experiment:
• Taaktype:
o Ja/nee-taak: is het een woord?
o Zelfde/verschillend-taak (say-different task): zijn beide letterreeksen hetzelfde of
verschillend?
• Soort stimuli: Woord of nonwoord
• Relatie tussen twee woorden:
o Geassocieerd (bv. doctor – nurse)
o Niet geassocieerd (bv. bread – chair)
Resultaten:
• Geassocieerde woorden worden sneller herkend dan niet-geassocieerde woorden.
(Semantic priming-effect)
• Reactietijden zijn trager wanneer één van de stimuli een nonwoord is.
• Conclusie: → Activatie van een woord vergemakkelijkt de herkenning van een
gerelateerd woord. 1
,Verklaring resultaten:
Waarom verschil tussen woord–nonwoord (M = 1087) en nonwoord–woord (M = 904)?
→ Serieel beslissingsmodel
• Een nonwoord bovenaan wordt sneller opgemerkt.
• Verklaring: mensen verwerken stimuli van boven naar beneden (dominante leesrichting).
• Daardoor wordt het nonwoord sneller gedetecteerd → sneller een “nee”-reactie.
Waarom verschil tussen geassocieerde en niet-geassocieerde woorden?
→ Location Shifting Model vs. Spreading Activation
• Mensen antwoorden sneller bij geassocieerde woorden.
• Dit kan verklaard worden door:
o Location Shifting Model: woorden die samen voorkomen staan dichter bij elkaar
in het mentale lexicon.
o Spreading Activation: activatie van woord A activeert woord B wanneer ze
semantisch gerelateerd zijn.
Spreading Activation
• Het semantisch geheugen bestaat uit knooppunten (nodes).
• Deze knooppunten zijn verbonden door links die verschillen in sterkte.
• Als je een woord activeert, wordt het bijbehorende knooppunt geactiveerd.
• Die activatie verspreidt automatisch naar verwante knooppunten, en dit in verhouding
tot de sterkte van de link.
Illusoire herkenning
• Wanneer mensen een lijst met semantisch verwante woorden lezen (bv. bed, slaap,
rusten, wakker), worden de bijbehorende knooppunten in het geheugen geactiveerd.
• Door spreading activation wordt ook het centrale, niet-gepresenteerde woord (bv.
slapen) mee geactiveerd.
• Daardoor rapporteren deelnemers soms illusoir dat dit woord in de lijst stond—ze
“herinneren” het ten onrechte.
Activatie van verwante woorden kan leiden tot een valse herkenning of herinnering.
Meyer & Schvaneveldt (1971) – Kernpunten
Spreading activation
• Verklaart waarom geassocieerde woorden sneller verwerkt worden.
• Geldt voor beide taken (ja/nee én same/different).
Serieel beslissingsmodel
• Verklaart waarom in de ja/nee-taak
woord–nonwoord (1087 ms) trager is dan nonwoord–woord (904 ms).
• Reden: mensen scannen van boven naar beneden, dus een nonwoord bovenaan wordt
sneller opgemerkt → snellere “nee”.
Maar… probleem in de same/different-taak
• In de same/different-taak is nonwoord–woord trager dan woord–nonwoord.
• Dit patroon kan het serieel beslissingsmodel niet verklaren.
• Daarom is spreading activation onvoldoende om álle effecten te verklaren → aanleiding
voor andere modellen (bv. location shifting).
2
, Location Shifting Model
• Het geheugen wordt voorgesteld als een harde schijf met voor elke letterreeks (woord of
non-woord) een vaste locatie. (Ook non-woorden krijgen een plek, omdat ze later echte
woorden kunnen worden.)
• Verwante concepten liggen dicht bij elkaar opgeslagen, waardoor er minder tijd nodig
is om te “shiften” tussen hun locaties.
→ verklaart waarom geassocieerde woorden sneller verwerkt worden in beide taken.
• Het model veronderstelt ook een standaard startpositie van het “armje” dat over de
locaties beweegt.
→ Daardoor kan het verklaren waarom in de same/different-taak de positie van woord vs.
non-woord een effect heeft op de reactietijd.
1.2. Ratcliff & McKoon (1995) – Compound Cue Model
• Er is geen activatie van knooppunten zoals in spreading activation.
• De aangeboden stimuli vormen samen een “compound” (een groepje) in het
kortetermijngeheugen (KTG).
• Dit compound wordt passief vergeleken met informatie in het langetermijngeheugen
(LTG).
• Het resultaat van dit matching-proces is een maat van familiariteit (vertrouwdheid).
Familiariteit bepaalt de reactietijd:
• Hoge vertrouwdheid → sneller “ja” in een ja/nee-taak.
• Lage vertrouwdheid → sneller “nee”.
Essentie van het model: Geen actieve verspreiding van activatie, maar een passief,
achter-de-schermen vergelijkingsproces tussen het KTG-compound en het LTG.
Sequentiële aanbieding paradigma:
Stimuli worden één voor één aangeboden in reeksen van drie items, met combinaties van:
• U = unrelated (niet verwant)
• R = related (verwant)
• X = non-woord
Voorbeeld.: URR, RRU, XUU, XRR, UUU (baseline) …
Belangrijkste bevindingen
• UUU = baseline (drie niet-verwante woorden).
• URR = sneller dan baseline (verwantschap achteraan).
• RRU = versnelling niet altijd zoals verwacht → geen duidelijk effect ondanks begin met
verwante items.
• XUU = trager dan baseline (non-woord verlaagt vertrouwdheid).
• XRR = klein of geen effect (twee soorten effecten heffen elkaar deels op).
Interpretatie volgens het Compound Cue Model
• Geen activatie zoals in spreading activation.
• De drie items vormen samen een compound in het KTG.
• Dat compound wordt vergeleken met het LTG → levert vertrouwdheid op.
• Hoe hoger de vertrouwdheid, hoe sneller de reactie.
• Non-woorden verlagen de vertrouwdheid → tragere RT.
• Verwante woorden verhogen de vertrouwdheid → snellere RT.
3