Procesrecht
Vraag 1
4 juli: Portenaar BV te Voorschoten heeft meubilair verkocht en geleverd aan Van der Plas BV
te Groningen. Koopprijs is 70.568 euro en is nog niet betaald.
Advocaat P te Den Haag gaat naar rechtbank: volgens AV is de rechtbank Den Haag bevoegd.
Van der Plas verschijnt niet op de eerst dienende dag en de advocaat van P vraagt verstek te
verlenen.
a) Wat moet u nagaan voordat verstek kan worden verleend?
P is de eiser en VDP is de gedaagde. De grondslag van de vordering is nakoming art. 3:296
BW. Er is sprake van een dagvaardingsprocedure, want art. 78 jo 261 Rv. In art. 3:296 BW is
geen op verzoek o.i.d. Voordat er verstek wordt verleend, moeten de volgende punten
worden nagelopen.
Niet verschijnen?:
Fout in art. 45, 111, 114-119 Rv? Zit er bijvoorbeeld een fout in de dagvaarding of de
termijnen?
Volgens art. 121 Rv: geen verstek + herstel. Zie ook lid 3: in de regel zal er nog herstel
mogelijk zijn.
Geen fout?:
Art. 139 Rv: ‘milde’ toets onrechtmatig of ongegrond. Zo niet, dan verstek en
vordering toewijzen. De rechter wijst altijd toe, behalve bij onrechtmatig of
ongegrond.
Wanneer er verstek is verleend o.g.v. art. 139 en er een termijn overheen is gegaan, dan doet
de rechter een verstekvonnis. Hierbij wijst de rechter waarschijnlijk de vordering toe en kan
de gedaagde geen wederhoor meer bieden. Er zijn 2 ontsnappingsroutes voor de gedaagde
wanneer er verstek is verleend tegen hem volgens art. 139 Rv:
Art. 142 Rv: Griffierecht voldaan en advocaat stellen. Dit is zuivering van het verstek.
Art. 143 Rv: De gedaagde kan in verzet gaan. Dit is een rechtsmiddel tegen
verstekvonnis.
Deze twee mogelijkheden zijn er om de gedaagde nog de kans te geven voor hoor en
wederhoor. De gedaagde kan dan nog zijn verhaal doen en zich verweren.
Indien er verstek is verleend, kun je voor zover er nog geen verstekvonnis is gewezen, het
verstek zuiveren volgens art. 142 Rv. Op het moment dat het verstekvonnis al is gewezen,
kan je hier nog een rechtsmiddel tegen instellen (verzet art. 143 Rv). Zowel zuivering als
verzet zijn reparatiemogelijkheden die ingegeven zijn door art. 6 EVRM. Het zou immers
een schending van hoor en wederhoor opleveren om een vonnis te wijzigen zonder de
gedaagde gehoord te hebben.
b) Kan de rechter aan het niet verschijnen van VDP de gevolgtrekking verbinden dat zij haar
verweren heeft prijsgegeven?
, VDP zuivert. VDP is wel op de roldatum verschenen en dient een CVA in, maar verschijnt niet
op MB. Als iemand verschijnt dan blijft dat ook zo. Hij is echter niet aanwezig op de
mondelinge behandeling. Volgens art. 88 lid 2 Rv is er een beoordelingsvrijheid van de
rechter en hij zou dus een consequentie mogen verbinden aan het niet verschijnen op de
mondelinge behandeling, maar dat is zijn keuze. Rechter mag dus zelf kiezen welke
gevolgtrekking aan het niet komen van MB. De HR stelt grenzen aan de beoordelingsvrijheid
in arrest Janssen/Hobbelen r.o. 3.3.2:
“Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Weliswaar
geeft art. 88 lid 4 Rv (nu: 88 lid 2) de rechter de bevoegdheid uit een niet-verschijnen ter
comparitie de gevolgtrekking te maken die hij geraden acht, maar ook voor deze beslissing
geldt dat zij ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in
de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als
voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter
daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Voorts moet als uitgangspunt gelden dat de rechter slechts ervan kan uitgaan dat een partij
een verweer heeft prijsgegeven, indien dat, uitdrukkelijk of stilzwijgend, op ondubbelzinnige
wijze is geschied. Een en ander brengt, in een geval, zoals het onderhavige, waarin de
rechter op grond van de proceshouding van een partij oordeelt dat die partij haar verweer
heeft prijsgegeven, mee, dat de rechter in de motivering van zijn beslissing tot uitdrukking
brengt op grond van welke feiten en omstandigheden moet worden aangenomen dat dit
prijsgeven ondubbelzinnig voortvloeit uit de proceshouding van die partij.”
De rechter kan dus aan het niet verschijnen van VDP pas gevolgtrekking verbinden als zij haat
verweren heeft prijsgegeven indien dat uitdrukkelijk of stilzwijgend op ondubbelzinnige wijze
geschied. Art. 88 lid 2 Rv: de gevolgtrekking die hij geraden acht en arrest Janssen/Hobbelen
stelt nadere eisen wanneer dit mag: rechter moet het goed motiveren en het moet
ondubbelzinnig zijn. Dit is in casu niet van toepassing.
c) Is een verzoek tot eisvermeerdering nog mogelijk nadat de mondelinge behandeling heeft
plaatsgevonden? Zo ja, kan VDP hiertegen nog iets ondernemen?
Volgens art. 130 lid 1 Rv is een verzoek tot eisvermeerdering of wijziging nog mogelijk na de
mondelinge behandeling, zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. Rechter
heeft nog geen eindvonnis gegeven in casu, dus ook na MB is het nog mogelijk. VDP kan hier
wel bezwaar tegen maken met een beroep op de eisen van een goede procesorde.
Bijvoorbeeld: onredelijke benadering in het voeren van verweer of de
procesefficiëntie (= onredelijke vertraging van de procedure).
In casu zou een beroep gedaan kunnen worden op de procesefficiëntie, want het proces is al
voorbij de MB en bij eiswijziging moet de gedaagde er nog op reageren. De procedure zal in
dit geval dus langer gaan duren. Dit is niet kansrijk voor eisvermeerdering. Er is geen
onredelijke benadeling en in 1e aanleg komt dat ook niet vaak voor.