procesrecht
Vraag 1
De eiser is Gaastra BV, de gedaagde is Blommestein BV en grondslag vordering is nakoming
art. 3:296 BW.
a) Welke gebreken/fouten staan er in deze dagvaarding?
Er staan in totaal 7 fouten in de dagvaarding.
I. De zin ‘ten kantore van gerechtsdeurwaarder R.A.Chr. van Vliet die tevens tot
gemachtigde wordt gesteld’, is fout. Het kan hier namelijk niet om een gemachtigde
gaan, want er is sprake van een verplichte procesvertegenwoordiging en de eider
moet dus een advocaat meenemen. ‘te gemachtigde wordt gesteld’
Dit volgt uit de toetsing van de sectorcompetentie (art. 79 Rv). Volgens art. 78 jo. 261
Rv met als grondslag art. 3:296 BW, gaat het om een dagvaardingsprocedure, waarbij
een bedrag hoger dan de kantongrens van 25.000 euro wordt gevorderd. In persoon
procederen als je bij kantonrechter terecht mag. Dan is de kamer civiel bevoegd en
uit art. 79 lid 2 Rv volgt dat er dan niet in persoon mag worden geprocedeerd, maar
slechts bij advocaat. Volgens art. 111 lid 2 sub c Rv moet het exploot van de
dagvaarding dan ook de naam en het kantooradres van de advocaat die door de eiser
wordt gesteld vermelden (en dus niet van de deurwaarder als gemachtigde).
Stap 1: art. 78 jo. 261 jo. 3:296
Stap 2: art. 79 jo. 80
Stap 3: art. 111 lid 2 sub c
II. De dagvaardingstermijn is incorrect. Art. 114 Rv bepaalt dat de gewone termijn van
een dagvaarding ten minste 1 week is, maar volgens art. 119 lid 1 Rv vangt de termijn
van de dagvaarding aan op de dag, volgende op die waarop het exploot is
uitgebracht. Volgens lid 2 wordt de roldatum niet meegerekend bij het bepalen van
de termijn van dagvaarding. Feestdagen tellen niet mee. Dit probleem kan opgelost
worden doordat het de woensdag van de week erna moet zijn. Zie p. 2029 -> art. 1.3
landelijk procesreglement.
In casu is de dagvaarding op wo 23 okt betekent, terwijl de roldatum wordt gesteld
op wo 29 okt. De termijn van dagvaarding vangt dus aan op do 24 okt. Hierdoor zitten
er maar 5 dagen tussen de dag van betekening en de roldatum, terwijl dit 7 vrije
dagen moeten zijn.
Art. 111 lid 2 sub m Rv. Art. 21 Rv: waarheidsplicht, art. 149 Rv: bewijsvoering. Als je
als gedaagde over een feit niet zegt dat het anders is gegaan, dan staat het feit vast
voor de hele procedure. Dit is een nieuwe bepaling!
III. De dagvaarding bevat geen informatie over de gevolgen van niet verschijning in het
geding en het niet betalen van griffierechten volgens art. 111 lid 2 sub i Rv.
Art. 111 lid 2 sub i Rv jo. Art. 139 Rv.
IV. De substantiëringsplicht en bewijs aandraag plicht zijn niet genoemd volgens art. 111
lid 3 Rv. Dit zijn de gronden en verweren van de gedaagde. Zie ook art. 85 lid 1 Rv.
, V. Er is gedagvaard tegen een niet bestaande rechtsdag. 29 oktober 2024 was namelijk
niet op een woensdag, maar op een dinsdag. Volgens art. 1.3 Landelijk
procesreglement voor civiele dagvaardingszaken moet er op een woensdag worden
gedagvaard.
Art. 114 jo. 119 Rv jo. 1.3 Lpr. Het zou dan dus 6 november moeten zijn.
VI. De zin ‘’s morgens om 10.00 uur in persoon te verschijnen ter…’, is ook fout. De
gedaagde kan niet in persoon verschijnen ter terechtzitting, maar moet worden
vertegenwoordigd door een advocaat. Volgens art. 79 lid 1 jo. 93 sub a Rv is er geen
sprake van kantoncompetentie. O.g.v. art. 111 lid 2 sub h Rv moet de wijze waarop
gedaagde in het geding moet verschijnen, te weten vertegenwoordigd door een
advocaat, ook in de dagvaarding worden vermeld.
b) Welke sanctie staat in beginsel op deze gebreken/fouten?
I. Fout in de zin van art. 111 lid 2 sub c Rv sanctie nietigheid in de zin van art. 120 lid
1 Rv.
II. Nietig art. 120 lid 1 Rv.
III. Fout in exploot art. 45 Rv sanctie nietigheid art. 120 lid 1 Rv.
IV. Fout art. 111 lid 2 sub i-k Rv sanctie nietigheid art. 120 lid 1 Rv.
V. Geen nietigheid art. 120 lid 4 Rv
VI. Staat niet in art. 120 lid 1 of art. 122 Rv, dus geen nietigheid. Zie HR Priore
Medical/Van der Laan: valt onder art. 125 Rv, dus verval van aanhangingheid in het
geding.
Zie r.o. 3.4.3 t/m 3.4.5 uit het arrest:
“Volgens vaste rechtspraak dient het geval dat wordt gedagvaard tegen een dag of
uur waarop de rechter geen zitting houdt (hierna: foutieve verschijndag), niet te
worden beschouwd als een in de art. 120-121 Rv bedoeld geval – in welk geval sprake
is van een gebrek in de dagvaarding dat nietigheid meebrengt, waarvan herstel
slechts mogelijk is met inachtneming van die bepalingen – maar als een verzuim dat
op dezelfde wijze dient te worden beoordeeld als het in art. 125 lid 5 Rv bedoelde
geval dat is verzuimd om het exploot van dagvaarding tijdig ter griffie in te
dienen (vgl. HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6248, NJ 2007/501, rov. 3.4.3, HR 11
november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7203, NJ 2011/528, rov. 2.3, en HR 11 november
2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7201, rov. 2.3). In door art. 125 lid 5 Rv bestreken gevallen
kan herstel van het verzuim plaatsvinden op de in die bepaling voorgeschreven wijze,
dat wil zeggen: door binnen twee weken na de in het oorspronkelijke exploot
vermelde roldatum een geldig herstelexploot uit te brengen.
Art. 125 lid 5 Rv belet echter niet dat herstel van het verzuim om te dagvaarden
tegen een foutieve verschijndag, plaatsvindt door een geldig herstelexploot uit te
brengen vóór de in het oorspronkelijke exploot vermelde foutieve verschijndag (vgl.
HR 11 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7203, NJ 2011/528, rov. 2.3, en HR 11
november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7201, rov. 2.3).
Als geldig herstelexploot in de zin van art. 125 lid 5 Rv moet worden aangemerkt een
herstelexploot waarbij de gedaagde – of in hoger beroep dan wel in cassatie: de
geïntimeerde respectievelijk de verweerder – onder handhaving van het
oorspronkelijke exploot en met inachtneming van de termijn van dagvaarding,
wordt opgeroepen tegen een nieuwe verschijndag (vgl. HR 17 september 1993,