‘De maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wordt na de invoering van de
Wet forensische zorg gemist, omdat de mogelijkheid voor de strafrechter om een civiele
machtiging af te geven geen meerwaarde is voor het sanctierecht’
In mijn deel van het referaat pleit ik voor de stelling en mijn collega zal na mij pleiten
tegen de stelling.
Allereerst zal ik uitleg geven over wat de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch
ziekenhuis – het oude art. 37 Sr – inhield. Vervolgens zal ik kort toelichten waarom
art. 2.3. Wfz van belang is in deze, waarna ik mijn argumenten aan u zal voorleggen
die pleiten voor de stelling.
De maatregel van art. 37 Sr kon alleen worden opgelegd indien de dader zijn handelen
niet kon worden toegerekend vanwege een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke
stoornis van zijn geestvermogens ten tijde van het begane feit en een gevaar was voor
zichzelf, anderen of voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Dit artikel
zag dus op volledig ontoerekeningsvatbaarheid en had als doel beveiliging van de
maatschappij o.b.v. forensische zorg. De plaatsing was in beginsel voor 1 jaar, maar
kon telkens worden verlengd volgens de regels van de BOPZ. 1 De plaatsing in een
psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 37 Sr en de BOPZ zijn per 1 januari 2020
vervallen.
Daarvoor in de plaats kan de strafrechter in de gevallen genoemd in art. 2.3 lid 1 Wfz
een civiele zorgmachtiging dan wel een rechterlijke machtiging afgeven voor 6
maanden met toepassing van de Wvggz en Wzd. Het volledige ontoerekeningsvatbaar
vereiste gold niet meer. Art. 2.3 Wfz is dus een schakelbepaling en oorspronkelijk
bedoeld voor patiënten die geschikt zijn voor reguliere zorg en waarbij het risico op
gevaarlijk gedrag dus laag wordt ingeschat. 2 Beide machtigingen zijn geen onderdeel
van de strafoplegging. Uitgangspunt van art. 2.3 Wfz is ambulante behandeling. Als
ambulante behandeling niet mogelijk is, wordt ingezet op klinische behandeling, bij
voorkeur op een reguliere ggz afdeling.
Voor alle duidelijkheid: het gaat in art. 2.3 niet om forensische zorg maar om reguliere
ggz!
1
F.J.H. Hovens 2022, p. 1.
2
HC. Ten Hag,’Continuïteit van de forensische naar de reguliere zorg’p. 11.
, Mijn eerste argument gaat over specifieke groeperingen die tussen wal en schip
vallen door de komst van art 2.3 Wfz en de afschaffing van art. 37 Sr.
Met het vervallen van artikel 37 Sr en de invoering van art. 2.3 Wfz ontstaat er een
leemte binnen het sanctiestelsel. Hierdoor vallen specifieke groeperingen tussen wal
en schip, namelijk:
Daders die volledig ontoerekeningsvatbaar zijn, een ernstig gewelds- of
zedendelict hebben gepleegd, kampen met ernstige psychische problematiek,
maar niet passen binnen de criteria van de Wfz (want beveiligingsrisico’s en
een stoornis die langer dan 6 maanden behandeling vereist) en TBS niet van
toepassing is gezien de volledig ontoerekeningsvatbaarheid. Deze groep beland
dus toch in de GGZ, ondanks dat dit niet passend is en de GGZ dit ook
onwenselijk vindt.
Plegers van lichte met ernstige psychiatrische stoornis die
ontoerekeningsvatbaar zijn en kampen met zware psychische problematiek.
TBS is niet aan de orde gezien de vierjaren-eis en de Wfz duurt maar 6
maanden waarbij de behandeling niet gericht is op de relatie tussen stoornis en
strafbaar gedrag. Het effect hier is dat deze groep soms helemaal geen zorg
krijgt.
Maar ook als het gaat om niet volledige ontoerekeningsvatbaarheid en TBS in
theorie wel een mogelijkheid zou kunnen zijn, dan nog kan het in sommige
gevallen niet passend zijn om dit op te leggen (denk aan first offenders met een
laag recidiverisico). Het effect hier is dat er toch wordt gevreesd dat TBS toch
wordt opgelegd, omdat Wfz te licht of niet passend is.
Er mist in mijn beleving een strafrechtelijke tussenmaatregel die lijkt op art. 37 Sr.
Artikel 37 Sr bood juist voor deze tussengroep een effectieve maatregel, waarin zowel
het belang van de samenleving als dat van de verdachte werd gediend. De civiele
machtiging vormt hiervoor geen alternatief, omdat deze onvoldoende is toegerust om
recidive te beperken en resocialisatie te realiseren.
Mijn tweede argument ziet op GGZ- praktijk
Uit onderzoek blijkt dat er is sprake van terughoudendheid bij reguliere GGZ-
instellingen om patiënten met een forensisch profiel op te nemen, omdat zij van
mening zijn dat zij niet over de juiste middelen beschikken. Het beveiligingsniveau in
de reguliere GGZ wordt als onvoldoende beschouwd en de zorg is niet specifiek
gericht op recidivepreventie. 3
Degenen die bij wijze van wel onder art. 37 Sr maar niet onder art. 2.3 Wfz vallen, zijn
vaak ernstig zieke mensen, al dan niet first offenders, die op grond van hun stoornis
een risico vormen voor recidive.
3
C.H. de Kogel, J.J. Van der Ree, A.M. Burger. Cahier 2021-29. Artikel 2.3 Wet forensische
zorg in de praktijk. Toepassing en ervaringen van ketenpartners in de eerste anderhalf
jaar na inwerkingtreding. WODC; 2021, p. 131.