Hoorcollege 1
Wat is economie?
Economics is the social science that studies the productin, distribution and
consumption of good and services -> eng welvaartsbegrip
Economie als huishoudkunde gaat over het verstandig kiezen en goed
samenwerken, zodat zo goed mogelijk in de behoeften van mensen wordt
voorzien -> brede welvaart
Markten werken niet altijd goed, door de kortzichtigheid die de mensen hebben.
Eerste 5 colleges zijn macro-economie: meer aandacht voor de rol van de
overheid en de centrale bank ipv de individuele beslisser.
Het BBP is de totale waarde van alle eindproducten en einddiensten die in een
bepaalde periode in een economie zijn geproduceerd.
Goederen zijn fysieke producten die je koopt
Diensten zijn immaterieel
Eindproduct is een product dat wordt verkocht aan de eindgebruiker. Als een
autofabrikant staal koopt om een auto te produceren, wordt dit niet als een
eindproduct gezien, maar dit is een onderlinge levering van de staakproducent
aan de autofabrikant.
Bij de berekening van het bbp nemen we deze onderlinge leveringen niet mee,
anders krijg je dubbeltellingen.
Meten van de omvang van de economie (BBP)
Totale waarde eindproducten en einddiensten = ∑ toegevoegde waarde
In het voorbeeld van de bakker kunnen we 2 dingen doen:
(1) We tellen alleen de waarde van het eindproduct brood: € 6,-
(2) Berekenen toegevoegde waarde = omzet – onderlinge leveringen.
• Toegevoegde waarde van de boer is € 2,- minus € 0,- = € 2,-
• Toegevoegde waarde van bakker is € 6,- minus € 2,- = € 4,-
Door de toegevoegde waarde op te tellen, hoeven we niet te definiëren welke
,producten eindproducten zijn en welke niet, en vermijden we toch
dubbeltellingen.
3 manieren om het BBP te meten:
- Productie: ∑ toegevoegde waarden van bedrijven
- Inkomen: primaire inkomens: ∑ loon, winst, rente, huur & pacht (huur
maar natuurlijker)
- Bestedingen: Y= C +I + O +E -M
Inflatie/ deflatie
Nominaal versus reëel bbp
Het reële bbp is in het nominale bbp gedeeld door het prijsniveau
Bbp berekenen in constante prijzen -> formule: (nieuw-oud)/ oud
Als je de groei van reële bbp wil berekenen (bijvoorbeeld van 2021 en 2022) dan
pak je altijd de prijs van 2021
Hetzelfde geldt voor het CPI (consumentenprijsindex) -> maar nu hoeveelheden
constant houden, met die van het vorige jaar -> dan krijg je de inflatie -> de
verandering
Tot 2021 was de inflatie in Nederland erg laag -> daarna stijging (corona, oorlog
in Oekraïne) en nu weer daling door rentestijging ECB.
Probleem van hoge inflatie: vermogensoverdracht van rijke mensen naar armen
mensen. Armere mensen gaan erop vooruit en de mensen met vermogen die
gaan erop achteruit – corrigeren met een hogere rente -> de prijs is moeilijker in
te schatten voor producten op de markt, onzekerheid belangrijkste probleem
Structuur/ conjunctuur
Het feitelijke niveau van de economie is
soms hoger (expansie) en soms lager
(recessie) dan het trendmatige niveau
Verschil tussen Y en Y* = conjunctuur
delta Y*/ Y*: structurele groei/ trendmatige
groei/ lange termijn groei/ potentiële groei
,Wat kan je maken met de normale productiefactoren? Dat is de vraag die wordt
gesteld
Als Y > Y* dan is dat een expansie, positieve output gap, overbesteding,
hoogconjunctuur
Als Y < Y* dan is dat een recessie, negatieve output gap, onderbesteding,
laagconjunctuur
Adam Smith: Klassieken: geloof in marktwerking, 'de onzichtbare hand', als
deze goed werkt, schept elk aanbod zijn eigen vraag. Hierdoor geldt: Y=Y*.
- Marktwerking is – als aan bepaalde voorwaarden (marktmacht, doen wat
goed is voor de mensen zelf) is voldaan – een heel succesvol economisch
mechanisme.
- Verklaart het succes van de EU (interne markt, vrijhandel tussen EU-
landen bevordert marktwerking).
John Maynard Keynes: Keynesianen: markten werken niet altijd goed, waardoor Y
≠ Y*
- Negatieve vertrouwensschok (bijvoorbeeld: Corona-crisis) → gezinnen
gaan meer sparen en bedrijven gaan minder investeren → minder
bestedingen → lagere productie → lagere werkgelegenheid → nog minder
vertrouwen → consumptie en investeringen verder omlaag etc.
- Cruciale rol van vertrouwen (‘animal spirits’)
Vertrouwen en minder vertrouwen zorgt voor de golf van conjunctuur
Dit zijn
geldstromen geen goederenstromen!
In dit model heeft de overheid een tekort. Er is een overschot op de lopende
rekening, omdat de bedrijven meer ontvangen van de export dan dat ze
uitgeven aan de import.
Er is vaak een positieve relatie tussen bbp en bredere welvaart. Als de prijs
constant is dan is het reële bbp.
, Bij vergrijzing is de structurele groei lager. Kleine verschillen in de groeivoet
maken veel uit voor de hoeveelheid goederen en diensten in de economie.
Er is een positieve relatie tussen het BBP en maatstaven van welzijn (brede
welvaart). De bbp-maximalisatie is niet automatisch gelijk aan
welvaartmaximalisatie.
Het CBS publiceert sinds 2028 de monitor brede welvaart: Monitor Brede
Welvaart 2023. Nadeel: Heel veel indicatoren en daardoor geen eenduidig beeld
Aantekeningen werkcollege 1
Toegevoegde waarde = omzet – kosten van de onderlinge leveringen.
Wanneer een bedrijf een goed koopt dat waarde geeft voor toekomstige jaren
wordt het beschouwd als een investering. Wanneer het goed in plaats van
daarvan onmiddellijk wordt gebruikt en geen toekomstige waarde biedt, wordt
het als een intermediair input beschouwd.
1d. BBP= 750 + 650 = 1400 -> andere manier som van de primaire inkomens=
300 + 100 + 200 + 300 + 250 +250 = 1400 euro
1f. 200 + 1000 (omzet van de appel cider) & 400
3d. Het buitenland moet meer aan Nederland betalen voor de export dan dat
Nederland aan het buitenland moet betalen van de import. Het buitenland komt
dus geldtekort, en leent dat van de Nederlandse financiële sector. Daardoor
stroomt er geld van de Nederlandse financiële sector naar het buitenland.
3e. Netto uitvoer = export – import = Y – C – G – I
Omschrijven van de formule van opgave 2b (Y= C + I + G + export – import)
3f. Veel spaargeld is weinig import. Een handelstekort is hetzelfde als zeggen dat
een land relatief weinig bespaart t.o.v. van zijn investeringen.
3g. Niet perse logisch, het terugdringen van het handelstekort betekent dat de
consumptie of investeringen omlaag moet. Door importtarieven worden de
producten duurder, wat het verbruik zal verlagen.
Hoorcollege 2
Y = N * Y/N