BEHANDELING SAMENVATTING
LITERATUUR + BEGRIPPEN +
KENNISCLIPS
PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN UU
Literatuur
Werkcollege Hoorcollege Literatuur
Intervisie 1. Orthopedagogiek & Begeer H1-3
behandelingsperspectieven (Mönch) De Bruyn H9-
10
BPSW (2017)
Functieanalyse 2. Leertheoretisch kader (Mönch) Luijer (2023)
Prins H1-3
Betekenisanalyse 3. Cognitieve gedragstherapie (Mönch) Luijer (2023)
Prins H4-6
Registraties en Holistische 4. Interventie-onderzoek (Bodden) BPSW (2017)
Theorie Prins H12
Van Yperen
(2017)
Geen 5. Leerlingenzorg (Van der Beek) Ruijssenaars
(2021)
Tijms (2021)
Toll (2022)
Behandelplan 6. Protocollair vs modulair (Bodden) Bodden
(2020)
Chorpita &
Daleiden
(2009)
Prins H12
Behandelvoorstel en 7. Gehandicaptenzorg (Mulder) BPSW (2022)
behandelcontract Knot-
Dickscheit &
Knorth
(2019)
Poku (2026)
Prins H7
Evaluatie en afsluiting 8. Gezinsbehandeling (Smit-van Liu (2024)
Beveren) Prins H10-12
Stolper
(2025)
,HC1. Orthopedagogiek & behadelingsperspectieven
Begeer, S. M., Tak, J., Albrecht, G., & Van Dongen-Boomsma, M. (Eds.).
(2024). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en
adolescenten (9e druk). Boom. H1, 2 & 3
Hoofdstuk 1. De plaats van diagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Diagnostiek vormt de kern van het hulpverleningsproces en begint met het aanhoren van de
hulpvraag. Drie processen starten gelijktijdig: het diagnostisch onderzoek, de hulpverlening zelf en de
opbouw van een professionele relatie. Diagnostiek kan bewust als startpunt van hulp worden
ingezet, wat therapeutische diagnostiek wordt genoemd. De psychodiagnostiek richt zich op het
psychosociaal functioneren en heeft als doel betrouwbare en valide beschrijvingen en verklaringen te
vinden voor de problemen, die vervolgens worden getoetst. Dit proces volgt de empirische cyclus
(observatie, inductie, deductie, toetsing, evaluatie) en staat bekend als het hypothese-toetsend
model.
Daarnaast is de regulatieve cyclus van groot belang: een probleemoplossend proces in de
hulpverlening: probleemherkenning, probleemdefinitie, bedenken van handelingsmogelijkheden,
planning, interventie en evaluatie. In elke fase kunnen empirische cycli worden doorgelopen. De
professionele relatie tussen hulpvrager en hulpverlener vereist een balans tussen nabijheid
(betrokkenheid, respect) en distantie (objectiviteit, uitstellen van oordeel). Interculturele
competentie is essentieel, evenals het expliciteren van handelen en het naleven van ethische
richtlijnen zoals toestemming, beroepsgeheim en meldcodes.
Hoofdstuk 2. Theoretische aspecten van diagnostiek
Diagnostiek is casusgericht en onderscheidt zich van wetenschappelijk onderzoek doordat het zich
richt op het individuele geval. Theoretische kennis en statistiek zijn onmisbaar. Het diagnostisch
proces maakt gebruik van inductie (van waarneming naar hypothese) en deductie (van hypothese
naar verwachting). Operationalisatie vertaalt hypothesen naar concrete onderzoeksmiddelen.
Belangrijke theoretische kaders zijn:
Psychiatrische classificatie (DSM): nuttig voor communicatie maar kan stigmatiserend zijn
Ontwikkelingspsychologie: normatieve ontwikkeling vs klinische focus
Orthopedagogiek: kind in relatie tot context, handelingsgericht
Psychodynamisch model: conflicten tussen Id, Ego en Superego
Gehechtheidstheorie: veilig, vermijdend, ambivalent, gedesorganiseerd
Leertheoretisch model: antecedenten en consequenties van gedrag
Visies op normaliteit:
Afwezigheid van stoornissen
Statistisch gegeven
Ideale toestand
Succesvolle adaptie (meest gebruikte visie in diagnostiek)
Typen instrumenten
Communication-referenced (individuele beschrijving)
Criterion-referenced (vergelijk met data)
Norm-referenced (vergelijk met normgroep)
Integrerende modellen combineren ontwikkelingsperspectief en systeemperspectief, et aandacht
voor biopsychosociale factoren, beschermende factoren en empowerment. Belangrijke concepten
,zijn multifinaliteit (zelfde situatie kan leiden tot verschillende uitkomsten), equifinaliteit (zelfde
uitkomst kan bereikt worden door verschillende situaties), circulaire causaliteit (factoren binnen een
systeem beïnvloeden elkaar continu) en klinisch pluralisme (betrekken van meerdere systemen).
Hoofdstuk 3. Methodische aspecten van diagnostiek
Diagnostiek volgt een getrapte benadering binnen de empirische en regulatieve cyclus:
Fase 1: Probleemverkenning
Verhelderen hulpvraag
Hypothesen vormen (biopsychosociaal zoekschema)
Ernsttaxatie (kwantitatief en kwalitatief)
Screeningsonderzoek met aandacht voor sensitiviteit en specificiteit
Beslissing over voortzetting hulpverlening
Fase 2: Probleemdefiniëring
Verklaringen voor ontstaan en in stand houden probleem
Globale doelen bepalen op drie niveaus: gedragsverandering, beheersbaarheid,
schadebeperking
Indicaties voor gericht onderzoek
Fase 3: Handelingsmogelijkheden
Brainstormen en kosten-batenanalyse
Opstellen theorie van het individuele geval (probleem + oplossingsdefinitie)
Bevorderen keuzemogelijkheden, binding en competentiegevoel
Fase 4: Planning
Concrete activiteiten en taakverdeling
Afstemmen op startniveau hulpvrager
Monitoringcriteria vaststellen
Fase 5: Interventie
Uitvoering, monitoring, bijstelling
Afsluiten bij bereiken doelen of tijdslimiet
Fase 6: Evaluatie
Effectmeting met gestandaardiseerde instrumenten
Ecologische validiteit: aansluiting bij levenssituatie
Leren als team/professional
De Bruyn, E. E. J., Ruijssenaars, A. J. J. M., Pameijer, N. K., & Van Aarle, E. J. M. (2005). De
diagnostische cyclus: Een praktijkleer. Acco. H9 & H10
Hoofdstuk 9. Indicatieanalyse
Het doel van de indicatienanalyse is het komen met een aanbeveling voor de best passende
aanpak van het probleem.
De uitkomst van de indicatieanalyse is een indicerende diagnose, dit is een lijst met
aanbevelingen
Indicatienanalyse is het komen tot een beslissing over het best passende type interventie
voor een probleem
Dit is gebaseerd op empirische en theoretische kennis over het verwachte nut van de aanpak
Het globale doel van de interventie is het verminderen van een probleem en het tot stand
brengen van een positieve verandering
De indicatieanalyse verloopt volgens vijf stappen:
1. Nagaan of een interventie ingezet kan worden (Nodig? Mogelijk? Wenselijk?)
2. Formuleren en prioriteren van doelen (globale en specifieke doelen)
3. Selecteren van de in aanmerking komende typen interventies
4. Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde aanpak
, 5. Controle op uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 10. Advisering
Bij de advisering geeft de diagnosticus een beargumenteerd antwoord op de vraag van de
cliënt
De aanbevelingen vanuit de indicatieanalyse vormen het uitgangspunt voor deze adviesfase
Het diagnostisch proces wordt afgerond met twee verslagen: een cliënt verslag en een
professioneel verslag
In het cliëntverslag wordt verantwoording afgelegd aan de cliënt en andere direct
betrokkenen
In het professioneel verslag wordt verantwoording gegeven aan collega's
Er wordt naar gestreefd om de cliënt in de adviesfase zelf het uiteindelijke advies te laten
kiezen
Adviesgesprekken hebben vier doelen:
o Verschaffen van informatie over de onderkennende en verklarende diagnose, over
de argumenten uit de indicatieanalyse en de uiteindelijke aanbeveling
o Controleren van het werk van de diagnosticus aan de hand van de reacties van de
cliënt
o Via overleg probeert de diagnosticus tot overeenstemming te komen voor wat
betreft zijn aanbevelingen en de voorkeur van de cliënt
o Het verzamelen van informatie et oog op de concrete invulling van gekozen advies
De adviesfase bestaat uit zes stappen:
o De voorbereiding van het adviesgesprek door een diagnosticus
o De voorlichting van de cliënt
o De controle door de diagnosticus
o Het overleg tussen diagnosticus en cliënt
o Het concretiseren van het advies door de diagnosticus
o De afronding van het adviesgesprek
BPSW, NIP, & NVO (2017). Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2e druk).
Trimbos-instituut. www.richtlijnenjeugdhulp.nl/adhd/ H4 & H5
Richtlijnen jeugdhulp ADHD
Hoofdstuk 4. Interventies
Inleiding
Onderscheid tussen kernsymptomen (aandachtsproblemen, hyperactiviteit, impulsiviteit) e
emotionele en gedragsproblemen (negatieve sociale interacties, onder de maat presteren,
buitengesloten worden)
Psychosociale behandelmethoden richten zich op de sociaal-emotionele problemen (waarop
de meeste effecten worden gezien)
Behandeling ADHD bestaat uit drie componenten
o Psycho-educatie
o Psychosociale interventies
o Medicatie (vanaf 6 jaar - bij wie ADHD-symptomen ernstige beperkingen geven of
psychosociale interventies niet helpen)
Individuele cognitieve gedragstherapie gericht op zelfregulatie en impulscontrole, of
aanleren van plannings- e organisatievaardigheden
Psycho-educatie
Informatie over ADHD en behandelmogelijkheden
o Wat is ADHD? Hoe werkt de DSM?
o ADHD is geen verklarende, maar een beschrijvende diagnose
LITERATUUR + BEGRIPPEN +
KENNISCLIPS
PEDAGOGISCHE WETENSCHAPPEN UU
Literatuur
Werkcollege Hoorcollege Literatuur
Intervisie 1. Orthopedagogiek & Begeer H1-3
behandelingsperspectieven (Mönch) De Bruyn H9-
10
BPSW (2017)
Functieanalyse 2. Leertheoretisch kader (Mönch) Luijer (2023)
Prins H1-3
Betekenisanalyse 3. Cognitieve gedragstherapie (Mönch) Luijer (2023)
Prins H4-6
Registraties en Holistische 4. Interventie-onderzoek (Bodden) BPSW (2017)
Theorie Prins H12
Van Yperen
(2017)
Geen 5. Leerlingenzorg (Van der Beek) Ruijssenaars
(2021)
Tijms (2021)
Toll (2022)
Behandelplan 6. Protocollair vs modulair (Bodden) Bodden
(2020)
Chorpita &
Daleiden
(2009)
Prins H12
Behandelvoorstel en 7. Gehandicaptenzorg (Mulder) BPSW (2022)
behandelcontract Knot-
Dickscheit &
Knorth
(2019)
Poku (2026)
Prins H7
Evaluatie en afsluiting 8. Gezinsbehandeling (Smit-van Liu (2024)
Beveren) Prins H10-12
Stolper
(2025)
,HC1. Orthopedagogiek & behadelingsperspectieven
Begeer, S. M., Tak, J., Albrecht, G., & Van Dongen-Boomsma, M. (Eds.).
(2024). Handboek psychodiagnostiek voor de hulpverlening aan kinderen en
adolescenten (9e druk). Boom. H1, 2 & 3
Hoofdstuk 1. De plaats van diagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Diagnostiek vormt de kern van het hulpverleningsproces en begint met het aanhoren van de
hulpvraag. Drie processen starten gelijktijdig: het diagnostisch onderzoek, de hulpverlening zelf en de
opbouw van een professionele relatie. Diagnostiek kan bewust als startpunt van hulp worden
ingezet, wat therapeutische diagnostiek wordt genoemd. De psychodiagnostiek richt zich op het
psychosociaal functioneren en heeft als doel betrouwbare en valide beschrijvingen en verklaringen te
vinden voor de problemen, die vervolgens worden getoetst. Dit proces volgt de empirische cyclus
(observatie, inductie, deductie, toetsing, evaluatie) en staat bekend als het hypothese-toetsend
model.
Daarnaast is de regulatieve cyclus van groot belang: een probleemoplossend proces in de
hulpverlening: probleemherkenning, probleemdefinitie, bedenken van handelingsmogelijkheden,
planning, interventie en evaluatie. In elke fase kunnen empirische cycli worden doorgelopen. De
professionele relatie tussen hulpvrager en hulpverlener vereist een balans tussen nabijheid
(betrokkenheid, respect) en distantie (objectiviteit, uitstellen van oordeel). Interculturele
competentie is essentieel, evenals het expliciteren van handelen en het naleven van ethische
richtlijnen zoals toestemming, beroepsgeheim en meldcodes.
Hoofdstuk 2. Theoretische aspecten van diagnostiek
Diagnostiek is casusgericht en onderscheidt zich van wetenschappelijk onderzoek doordat het zich
richt op het individuele geval. Theoretische kennis en statistiek zijn onmisbaar. Het diagnostisch
proces maakt gebruik van inductie (van waarneming naar hypothese) en deductie (van hypothese
naar verwachting). Operationalisatie vertaalt hypothesen naar concrete onderzoeksmiddelen.
Belangrijke theoretische kaders zijn:
Psychiatrische classificatie (DSM): nuttig voor communicatie maar kan stigmatiserend zijn
Ontwikkelingspsychologie: normatieve ontwikkeling vs klinische focus
Orthopedagogiek: kind in relatie tot context, handelingsgericht
Psychodynamisch model: conflicten tussen Id, Ego en Superego
Gehechtheidstheorie: veilig, vermijdend, ambivalent, gedesorganiseerd
Leertheoretisch model: antecedenten en consequenties van gedrag
Visies op normaliteit:
Afwezigheid van stoornissen
Statistisch gegeven
Ideale toestand
Succesvolle adaptie (meest gebruikte visie in diagnostiek)
Typen instrumenten
Communication-referenced (individuele beschrijving)
Criterion-referenced (vergelijk met data)
Norm-referenced (vergelijk met normgroep)
Integrerende modellen combineren ontwikkelingsperspectief en systeemperspectief, et aandacht
voor biopsychosociale factoren, beschermende factoren en empowerment. Belangrijke concepten
,zijn multifinaliteit (zelfde situatie kan leiden tot verschillende uitkomsten), equifinaliteit (zelfde
uitkomst kan bereikt worden door verschillende situaties), circulaire causaliteit (factoren binnen een
systeem beïnvloeden elkaar continu) en klinisch pluralisme (betrekken van meerdere systemen).
Hoofdstuk 3. Methodische aspecten van diagnostiek
Diagnostiek volgt een getrapte benadering binnen de empirische en regulatieve cyclus:
Fase 1: Probleemverkenning
Verhelderen hulpvraag
Hypothesen vormen (biopsychosociaal zoekschema)
Ernsttaxatie (kwantitatief en kwalitatief)
Screeningsonderzoek met aandacht voor sensitiviteit en specificiteit
Beslissing over voortzetting hulpverlening
Fase 2: Probleemdefiniëring
Verklaringen voor ontstaan en in stand houden probleem
Globale doelen bepalen op drie niveaus: gedragsverandering, beheersbaarheid,
schadebeperking
Indicaties voor gericht onderzoek
Fase 3: Handelingsmogelijkheden
Brainstormen en kosten-batenanalyse
Opstellen theorie van het individuele geval (probleem + oplossingsdefinitie)
Bevorderen keuzemogelijkheden, binding en competentiegevoel
Fase 4: Planning
Concrete activiteiten en taakverdeling
Afstemmen op startniveau hulpvrager
Monitoringcriteria vaststellen
Fase 5: Interventie
Uitvoering, monitoring, bijstelling
Afsluiten bij bereiken doelen of tijdslimiet
Fase 6: Evaluatie
Effectmeting met gestandaardiseerde instrumenten
Ecologische validiteit: aansluiting bij levenssituatie
Leren als team/professional
De Bruyn, E. E. J., Ruijssenaars, A. J. J. M., Pameijer, N. K., & Van Aarle, E. J. M. (2005). De
diagnostische cyclus: Een praktijkleer. Acco. H9 & H10
Hoofdstuk 9. Indicatieanalyse
Het doel van de indicatienanalyse is het komen met een aanbeveling voor de best passende
aanpak van het probleem.
De uitkomst van de indicatieanalyse is een indicerende diagnose, dit is een lijst met
aanbevelingen
Indicatienanalyse is het komen tot een beslissing over het best passende type interventie
voor een probleem
Dit is gebaseerd op empirische en theoretische kennis over het verwachte nut van de aanpak
Het globale doel van de interventie is het verminderen van een probleem en het tot stand
brengen van een positieve verandering
De indicatieanalyse verloopt volgens vijf stappen:
1. Nagaan of een interventie ingezet kan worden (Nodig? Mogelijk? Wenselijk?)
2. Formuleren en prioriteren van doelen (globale en specifieke doelen)
3. Selecteren van de in aanmerking komende typen interventies
4. Bepalen van het nut en de kans van slagen per geselecteerde aanpak
, 5. Controle op uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 10. Advisering
Bij de advisering geeft de diagnosticus een beargumenteerd antwoord op de vraag van de
cliënt
De aanbevelingen vanuit de indicatieanalyse vormen het uitgangspunt voor deze adviesfase
Het diagnostisch proces wordt afgerond met twee verslagen: een cliënt verslag en een
professioneel verslag
In het cliëntverslag wordt verantwoording afgelegd aan de cliënt en andere direct
betrokkenen
In het professioneel verslag wordt verantwoording gegeven aan collega's
Er wordt naar gestreefd om de cliënt in de adviesfase zelf het uiteindelijke advies te laten
kiezen
Adviesgesprekken hebben vier doelen:
o Verschaffen van informatie over de onderkennende en verklarende diagnose, over
de argumenten uit de indicatieanalyse en de uiteindelijke aanbeveling
o Controleren van het werk van de diagnosticus aan de hand van de reacties van de
cliënt
o Via overleg probeert de diagnosticus tot overeenstemming te komen voor wat
betreft zijn aanbevelingen en de voorkeur van de cliënt
o Het verzamelen van informatie et oog op de concrete invulling van gekozen advies
De adviesfase bestaat uit zes stappen:
o De voorbereiding van het adviesgesprek door een diagnosticus
o De voorlichting van de cliënt
o De controle door de diagnosticus
o Het overleg tussen diagnosticus en cliënt
o Het concretiseren van het advies door de diagnosticus
o De afronding van het adviesgesprek
BPSW, NIP, & NVO (2017). Richtlijn ADHD voor jeugdhulp en jeugdbescherming (2e druk).
Trimbos-instituut. www.richtlijnenjeugdhulp.nl/adhd/ H4 & H5
Richtlijnen jeugdhulp ADHD
Hoofdstuk 4. Interventies
Inleiding
Onderscheid tussen kernsymptomen (aandachtsproblemen, hyperactiviteit, impulsiviteit) e
emotionele en gedragsproblemen (negatieve sociale interacties, onder de maat presteren,
buitengesloten worden)
Psychosociale behandelmethoden richten zich op de sociaal-emotionele problemen (waarop
de meeste effecten worden gezien)
Behandeling ADHD bestaat uit drie componenten
o Psycho-educatie
o Psychosociale interventies
o Medicatie (vanaf 6 jaar - bij wie ADHD-symptomen ernstige beperkingen geven of
psychosociale interventies niet helpen)
Individuele cognitieve gedragstherapie gericht op zelfregulatie en impulscontrole, of
aanleren van plannings- e organisatievaardigheden
Psycho-educatie
Informatie over ADHD en behandelmogelijkheden
o Wat is ADHD? Hoe werkt de DSM?
o ADHD is geen verklarende, maar een beschrijvende diagnose