Thema 1 - Recht en rechtswetenschap
Algemene beginselen van het Recht - Introductie tot het Recht
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
|| Algemene informatie
| Opleidingsonderdelen
● K001066 – Algemene beginselen van het recht
● A703002 – Inleiding tot het recht
→ lesschema op Ufora – thema’s sluiten aan bij handboek
| Doelen
● juridische basisbegrippen en rechtsterminologie beheersen
● parate kennis verwerven over de grote lijnen van de politieke, juridische en gerechtelijke instellingen én
beginselen van enkele takken uit het privaat- en publiekrecht
● aangeleerde principes toepassen op (eenvoudige) praktische situaties
● vaardigheid verwerven in het herkennen van juridische problemen
→ focus op België en Vlaanderen (met aandacht voor Europese en internationale context)
| Inhoud
● algemene beginselen van het Recht
○ Kennismaking met basisbegrippen (Thema 1 & 2)
○ Kennismaking met structuur van recht en rechtsorden (Thema 3 & 4)
○ Basisprincipes van diverse rechtstakken (Thema 5 - 14)
bv. Procesrecht, Mensenrecht, Verbintenissenrecht, Personen- en familierecht, Strafrecht, Staatsrecht
| Materiaal
● handboek Kennismaking met recht en rechtspraktijk (leidraad en achtergrond)
○ Kennismaking met recht en rechtspraktijk (gratis, maar downloaden niet mogelijk)
→ slides volgen (zo goed als) dezelfde structuur (achtergrond informatie)
→ studeer ermee naast de slides en notities
● bronnenboek
○ PDF versie op Ufora
○ LEER ENKEL WAT BESPROKEN WERD TIJDENS DE LES (niet de thema's erbuiten)
○ hulpinstrument bij instuderen van leerstof (regels zijn opgenomen in wetteksten)
→ biedt houvast (bv. voorwaarden van regel)
→ kennisclip op Ufora kennisclip
● slides en notities (!) → kern van de leerstof
| Examen
● schriftelijk examen met kennis-, inzichts- en toepassingsvragen
○ open vragen (8/20 punten)
→ toepassingsgerichte vragen (toegepast op eenvoudige casus, vaak actualiteit)
→ gelijkenissen en verschillen tussen begrippen, (basis)definities geven, maar vooral toepassing!
→ toepassing belangrijker dan theoretische kennis!
○ meerkeuzevragen (12/20 punten) met hogere cesuur (gokken toegelaten; vul alle vragen in!)
→ voorbeeldvragen tijdens les en op Ufora
→ voorbeeldexamen online (week voor paasvakantie): klassikaal opgelost tijdens laatste les
○ jargon kunnen gebruiken en wetboeken begrijpen die besproken werden
● toegestaan:
○ gebruik bronnenboek toegelaten (zie reglement op Ufora)
, || Gebruik van het bronnenboek
| Hoe te gebruiken?
● als kapstok om kennis aan vast te hangen
● weten wat waar te vinden
● werk volgens het stappenplan
1. Kan de vraag beantwoord worden zonder bronnenboek? → theorievraag, pure definities
staan niet in het bronnenboek
2. Over welk onderdeel van de leerstof handelt de vraag? → bronnenboek thematisch
→ Vind de correcte kwalificatie! georganiseerd volgens handboek
(bv. familierecht)
3. Binnen het juiste onderdeel op zoek gaan naar juiste
wetgeving
4. Binnen de juiste wetgeving op zoek gaan naar het juiste
artikel (belang van voorafgaandelijke aanduiding)
| Tips
● gebruik tijdens het studeren!
○ vaak op slides (en handboek): aanduiding van artikelen
○ artikelen aanduiden in bronnenboek (die aan bod kwamen tijdens de les)
○ structuur van het bronnenboek kennen voor het examen
⚠ kans klein dat iets op examen wordt gevraagd als het in bronnenboek staat, maar niet aan bod
komt in de les
● gebruik (slimme) kleuraanduiding
○ gebruik dezelfde kleuren voor dezelfde onderwerpen (die bv. ver van elkaar staan)
bv. dwingend en aanvullend recht
○ vermijd “kleurboeken”
voordeel nadeel
- kan zekerheid verschaffen - kan tijdrovend zijn tijdens examen
- beperkt blokwerk bij goed gebruik - geeft vals gevoel van veiligheid
● mag niet: geen cijfers, letters, aantekeningen,…
● mag wel: blanco post-its, aanbrengen van kleurcodes (voor verbanden tussen artikelen), kernwoorden
aanduiden, fluoresceren, onderstrepen of omcirkelen (minstens het volledige woord)
| Voorbeeld
Welke stelling(en) is/zijn correct?
A. Een vordering met een waarde van 4.000 EUR behoort tot de bevoegdheid van de vrederechter
B. Het vredegerecht is georganiseerd per gerechtelijk arrondissement
C. Een huurgeschil waarbij de waarde 10.000 EUR bedraagt zal worden beslecht door de vrederechter
D. De waarde van het geschil, hetgeen de bevoegdheid bepaalt, wordt door de vrederechter tijdens de
pleitzitting vastgelegd
→ alle vragen gaan over kennis van de burgerlijke procedure en de bevoegdheden van de vrederechter
→ thema 6 rechtshandhaving
→ antwoorden te zoeken in het gerechtelijk wetboek (wetteksten onder thema 6)
A. Een vordering met een waarde van 4.000 → bevoegdheidsgrens?
EUR behoort tot de bevoegdheid van de
vrederechter
, → correct (4000 < 5000)
B.Het vredegerecht is georganiseerd per → organisatie vredegerecht? (territoriale bevoegdheidsgrens)
gerechtelijk arrondissement
→ fout (gerechtelijk kanton ≠ gerechtelijk arrondissement)
C.Een huurgeschil waarbij de waarde → exclusieve bevoegdheid vrederechter? (ja)
10.000 EUR bedraagt zal worden beslecht
door de vrederechter
→ correct: ongeacht het bedrag van de vordering is de
vrederechter bevoegd voor huurzaken
D.De waarde van het geschil, hetgeen de → bevoegdheidsbepaling?
bevoegdheid bepaalt, wordt door de
vrederechter tijdens de pleitzitting vastgelegd
→ fout: bevoegdheid (waarde van het geschil) wordt niet
vastgesteld tijdens de pleitzitting, maar op bepaald door de
waarde van de vordering in de inleidende akte
| Verwijzen naar het bronnenboek
● typisch onderdeel van examenvraag: verwijs naar de toepasselijke juridische grondslag / het
toepasselijke wetsartikel
, ● verwijs correct en volledig naar de toepasselijke juridische grondslag:
→ artikel + (eventueel) § + (eventueel) lid + (eventueel) officiële benaming wet
bv. Art. 3 oud BW, Art. 1, eerste lid, 3° Wet betreffende de voorlopige hechtenis,
Art. 1, § 2 Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen, Art. 135/2, § 2, tweede lid oud BW
● PAS OP ⚠
zodra een paragraaf in een artikel is opgenomen, gebruik je de terminologie paragraaf (en niet lid of
alinea), behalve bij een onderdeel van een paragraaf (dan weer lid, bv. Art. 4, § 2, tweede lid oud BW)
● niet doen!
○een boek binnen het wetboek, titel of thema vermelden
○een datum van de (publicatie van de) wet toevoegen
○een onvolledige verwijzing geven (bv. enkel “Art. 3” wanneer er ook sprake is van een lid of §)
○een niet-terminologische benaming geven (bv. “tweede alinea”)
| Enkele vaak gebruikte afkortingen
● (oud) BW: (oud) Burgerlijk Wetboek
● Ger.W.: Gerechtelijk Wetboek
● Gw.: Grondwet
● Sw.: Strafwetboek
● Sv.: Wetboek van Strafvordering
● EVRM: Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
● VEU: Verdrag betreffende de EU
● VWEU: Verdrag betreffende de werking van de EU
|| Waarom recht?
| Van toepassing in het dagelijks leven (zoals deze les)
● recht op onderwijs (inschrijvingsgeld, contract met universiteit)
● studiebeurzen (voorwaarden)
● decreten over het hoger onderwijs
● sociale rechten onderwijzend personeel (organisatie, pauze, examenregels, betaling)
● onderwijs-en examenreglement (OER)
→ (hier) regelgever: Vlaamse gemeenschap (Codex hoger onderwijs)
| Recht als ordeningsmechanisme
● bijna elke handeling doorheen het leven is onderworpen aan regelgeving (het recht)
● recht = essentieel puzzelstuk van de samenleving
→ zorgt voor orde, voorspelbaarheid en rechtszekerheid in samenleving (ordeningsmechanisme)
→ niet willekeurig, maar bindend
○ voorbeelden van andere sociale ordeningsmechanismen:
bv. religie (historisch belangrijker), opvoeding (normen en waarden)
→ religieus recht (enkel bindend binnen religieuze gemeenschap, niet afdwingbaar erbuiten)
● wat sociaal (on)wenselijk gedrag is, evolueert doorheen de tijd en verschilt geografisch
● de overheid heeft het recht op sancties (bv. strafrecht) → indirect (via rechter) of rechtstreeks
| Recht als dynamisch en menselijk product
● recht: evolueert doorheen tijd en verschilt geografisch
● recht = product van verzameling aan menselijke reacties op normen en waarden of gebeurtenissen
→ bevat wat volgens mensen een noodzakelijk respons is op een ontwikkeling
bv. klimaatverandering → klimaatdoelstellingen en regels in klimaatwetgeving
bv. opkomst AI → nieuwe regelgeving
● recht: probeert zekerheid te creëren in veranderende maatschappelijke omstandigheden
● beïnvloed door:
○ culturele normen en waarden (reacties zijn anders naargelang cultuur/land)
○ politiek (bv. btw-hervormingen 6-12% op afhaalmaaltijden en cultuur, bv. festival)
→ politieke besluitvorming botst soms tegen het recht op hoger niveau
○ sociologische evoluties en ethische keuzes (klimaat, AI, geopolitiek)
→ recht is niet neutraal, maar weerspiegelt normen en waarden van zij die het maken