O.b.v. W.H. Van Boom: Goederen- en zekerhedenrecht (tweede druk)
Hoofdstuk 2 – Een eerste overzicht
Vermogen: goederen en schulden
Rechten in personam: relatief recht, aanspraak tegenover een bepaald persoon.
Rechten in rem: absoluut recht, het absolute recht van een persoon op een goed is tegenover
iedereen uit te oefenen.
Het goederenrecht is -in tegenstellling tot het overeenkomstenrecht- een gesloten systeem, de wet
bepaalt wat als goederenrechtelijk figuur erkend wordt en wat niet.
Het goederenrechtelijk systeem is gebouwd op de fundamenten van het eigendomsbegrip. De wet
staat toe dat uit het moederrecht (ook wel: hoofdrecht) van de hoofdgerechtigde de in de wet
genoemde beperkte rechten kunnen worden afgeleid (art. 3:81 lid 1 BW). Wat niet in deze lijst staat,
wordt niet erkend als beperkt recht.
Genotsrechten Zekerheidsrechten
Vruchtgebruik, art. 3:201 BW Pand en hypotheek, art. 3:227 lid 1 BW
Erfdienstbaarheid, art. 5:70 lid 1 BW
Erfpacht, art. 5:85 lid 1 BW
Opstalrecht, art. 5:101 lid 1 BW
De goederen van een persoon vormen zijn verhaalsvermogen dat uitwinbaar is voor zijn schulden,
art. 3:276 BW. Bij het verdelen van de opbrengst zijn alle schuldeisers in beginsel gelijk, ongeacht
het moment waarop de vorderingen zijn ontstaan, dit volgt uit art. 3:277 BW. Men spreekt in dit
verband ook wel van de pari passu-regel of van de paritas creditorum. Deze crediteuren hebben
'concurrente vorderingen'. De wet geeft aan bepaalde schuldeisers voorrang, o.g.v. art. 3:278 BW
hebben ze 'preferente vorderingen'.
Droit en suite: Een goederenrechtelijk recht dat op een goed rust, blijft daar in beginsel ook op
rusten als het goed in handen komt van een ander, ook wel zaaksgevolg of volgrecht genoemd.
Nemo-plus beginsel: Niemand kan meer recht aan een ander geven dan hij zelf heeft.
Anterioriteitsbeginsel: Een oudere goederenrechtelijke aanspraak gaat boven een jongere
goederenrechtelijke aanspraak -> prior tempore, potior iure (eerdere tijd, groter recht)
Hoofdstuk 3 – Goederen en hun rechthebbenden
Behalve onroerende zaken kunnen schepen en vliegtuigen ook registergoederen zijn, Boek 8 BW.
3.2 Zaken en bestanddelen
Het eenheidsbeginsel vraagt dat we een zaak als een eenheid zien en dat de bestanddelen ervan niet
als goederenrechtelijk zelfstandige eenheden worden erkend. Wordt een zaak bestanddeel van een
andere zaak, de hoofdzaak, dan eindigt de goederenrechtelijke status van het bestanddeel, dat volgt
uit art. 5:14 BW en is van dwingend recht. (zie art. 5:3 BW)
Wat is een bestanddeel van een zaak?
Art. 3:4 BW geeft twee zelfstandige criteria, voldoen aan één leidt tot de conclusie dat er spake is
van bestanddeelvorming (accessio). De rechtszekerheid is gediend bij duidelijke regels omtrent de
vraag wat tot de zaak behoort en wat niet; handig voor derdenverkrijgers en uitwinnende
crediteuren. De beste manier om art. 3:4 toe te passen is om te beginnen met lid 2.
,Beschadigingscriterium, art. 3:4 lid 2 BW
In Zalco II (2020) heeft de HR invulling gegeven aan dat criterium. De HR oordeelde dat uit het feit
dat hak- en breekwerk noodzakelijk is, niet per se het bestaan van verbondenheid in de zin van art.
3:4 lid 2 BW volgt. Onderzocht moet worden (1) of bij de afscheiding de fysieke gevolgen van de
afscheiding van betekenis zijn en (2) als afscheiding technisch zonder beschadiging mogelijk is, of
dit alleen met onevenredig veel inspanning of kosten kan gebeuren.
Verkeersopvatting, art. 3:4 lid 1 BW
Dit lid is de codificatie van eerdere rechtspraak van de HR. In HR Sleepboot / Egbertha (1936) –
"Niet de wil van betrokken personen maar de verkeersopvattingen bepalen of een voorwerp door
verbinding bestanddeel van een andere roerende zaak is geworden."
In HR Depex / Curatoren Bergel (1991) wordt een concretere uitwerking van de verkeersopvatting
gegeven. Het gaat in die zaak om de vraag of een installatie in een fabrieksgebouw bestanddeel van
dat gebouw is. "Het gaat in gevallen als het onderhavige om beantwoording van de vraag of
apparatuur en gebouw naar verkeersopvatting tezamen als een zaak moeten worden gezien.
Wanneer gebouw en apparatuur in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, ligt
hierin een aanwijzing voor een bevestigende beantwoording van die vraag. Hetzelfde geldt wanneer
het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw, bij het ontbreken van de
apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd. Bij het aanleggen van deze laatste maatstaf
komt het niet aan op de functie welke de apparatuur vervult in het productieproces.
3.3 Roerend of onroerend
De grond omvat naast de bovengrond ook ondergrondse aardlagen in de verticale kolom, art. 5:21
BW bepaalt de gebruiksrechten van die kolom. De nog niet gewonnen delfstoffen zijn onroerend,
door winning worden zij roerend. Maar de eigendom behoort, voor zover delfstoffen op een diepte
van meer dan 100 meter beneden de oppervlakte van de aardbodem aanwezig zijn, aan de Staat, art.
3 lid 1 jo. 2 lid 2 Mijnbouwwet 2002.
Beplantingen in de volle grond, behoren in de regel toe aan de eigenaar van de bodem (natrekking
via de grond), tenzij een opstalrecht deze natrekking doorbreekt en bepaalt dat de eigendom van de
beplantingen toebehoort aan de opstaller.
'Gebouwen en werken' zijn constructies die door mensenhanden vervaardigd zijn. Ook
toevoegingen aan bestaande werken vallen hier onder.
HR Portacabin (1997) – uitwerking criterium duurzame vereniging.
a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW doordat het naar
aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatste te blijven. Niet van belang is dan meer dat
technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te verplaatsen.
b. Bij beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om duurzaam ter plaatse
te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor zover deze naar buiten kenbaar is.
Onder de bouwer moet mede worden verstaan degene in wiens opdracht wordt gebouwd.
c. De bestemming van een gebouw of werk moet naar buiten kenbaar zijn. Dit vereiste vloeit voort
uit het belang dat de zakenrechtelijke verhoudingen voor derden kenbaar dienen te zijn.
d. De verkeersopvattingen zijn geen zelfstandige maatstaf bij beantwoording van de vraag of een
zaak onroerend is, maar kunnen wel in aanmerking genomen worden als er onzekerheid is of een
zaak met de grond is verenigd en bij bepaling van wat 'duurzaam', 'verenigd', 'bestemming' en 'naar
buiten kenbaar' is.
Kritiek op het Portacabin-arrest is dat het meer onvoorspelbaar maakt of een zaak onroerend is. Het
arrest is tevens van belang voor de vraag of een gebouw natrekt naar de bodem en ingevolge art.
5:20 lid 1 aanhef en onder e BW toebehoort aan de eigenaar van de grond.
,HR Woonark 2010 – "Een woonark is een roerend goed"
"Het Hof heeft terecht vooropgesteld dat het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken ook
voor de toepassing van de Wet WOZ en de heffing van onroerende zaakbelastingen wordt beheerst
door het bepaalde in art. 3:3 BW"
"Duurzame vereniging met de grond kan niet worden aangenomen enkel o.g.v. een verbinding
d.m.v. kabels en de aansluiting op nutsleidingen en riolering."
3.3 – Onroerende zaken en eigendom ervan
Het Nederlandse grondgebied is kadestraal ingedeeld in percelen. De bodem van de territoriale zee
en de waddenzee is eigendom van de Staat. Art. 5:25 BW laat geen andere eigenaar dan de Staat
toe. In de toelichting op dit artikel geeft de wetgever aan dat het artikel zich niet verzet tegen het
vestigen van beperkte rechten. (ondanks dat in art. 3:81 lid 1 BW staat dat het eigendom waar het
beperkte recht op is gevestigd, overdraagbaar is)
3.3.2 Netwerken
De Nederlandse bodem ligt vol met kabels en leidingen om bijvoorbeeld water, energie en data te
transporteren. Ter voorkoming van problemen door natrekking heeft de wetgever in 2007 art. 5:20
lid 2 BW geïntroduceerd. Voor toepassing van dit laatste artikel is nodig dat het netwerk
ingeschreven is in kadaster en openbare registers, art. 3:17 lid 1 aanhef en onder k BW.
3.3.3 Eenheid door natrekking bij onroerende zaken
Natrekking is geen wettelijke term, maar ze wordt vaak gebruikt ter verwijzing naar de regel van
verticale natrekking uit art. 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW.
Superfices solo cedit: 'de opstal wijkt voor de grond'
De grond is hier altijd de hoofdzaak. De maatstaf van art. 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW is
dezelfde als die welke in art. 3:3 lid 1 BW wordt gebruikt voor bepaling van de vraag of een zaak
onroerend is.
Verticale natrekking van gebouwen en werken kan doorbroken worden door (1) horizontale
natrekking over perceelgrenzen heen en (2) horizontale scheiding.
Horizontale natrekking doet zich voor als het gebouw of werk als bestanddeel van 'eens anders
onroerende zaak' moet worden gezien. Horizontale natrekking gaat boven verticale natrekking. In
sommige gevallen zal men eerst de verkeersopvatting moeten laten spreken om te bepalen of er
überhaupt sprake is van een bestanddeel van eens anders onroerende zaak, art. 3:4 lid 1 BW. Denk
aan twee percelen waar op elk perceel een woonhuis staat, die twee huizen vormen in bouwkundig
opzicht een twee-onder-een-kapconstructie. Naar verkeersopvatting geldt hier toch dat elk huis
natrekt naar het eigen perceel, ook als de ene groter is dan de andere.
Horizontale scheiding doet zich voor als een recht van opstal is gevestigd en de opstaller een
onroerende zaak in eigendom heeft op de grond van iemand anders, art. 5:101 BW. Dit wordt ook
wel doorbreking van de natrekking genoemd, een andere grond voor doorbreking is de eigendom
van een netwerk.
3.4 Registergoederen
Beperkte rechten op registergoederen zijn op hun beurt ook weer registergoederen. Voor de
vestiging van beperkte rechten geldt dus ook het vereiste van een notariële akte en inschrijving, art.
3:98 jo. 3:81 lid 1 BW. 'Register' in registergoed verwijst naar openbare registers zoals bedoeld in
art. 3:10 BW.
3.5 Vruchten
De hoofdregel is dat de rechthebbende van het goed waar de vrucht uit voortkomt, ook
, rechthebbende wordt van de vrucht. Zie voor zaken art. 5:1 lid 3 BW. De afgescheiden vrucht wordt
gezien als een nieuw goed en de verkrijging van dat goed is originair.
Het moment van verkrijging is het moment waarop de vrucht zelfstandig goed wordt. Art. 3:9 lid 4
BW wijst het moment aan. D.w.z.
Bij zaken: het moment van afscheiding.
Bij rechten: het moment van opeisbaar worden.
Art. 3:9 lid 4 BW is niet alleen van belang met het oog op de vraag op welk moment de vrucht een
zelfstandig goed wordt, maar ook met het oog op de vraag wie er de rechthebbende van wordt. Zo
bepaalt art. 3:216 BW dat de vruchtgebruiker alle vruchten toekomen die tijdens het vruchtgebruik
afgescheiden of opeisbaar worden.
Art. 5:45 BW geeft een bijzondere regel: als uit een boom vruchten vallen op een naburig erf, dan
behoren de vruchten toe aan hem wie de vruchten van dat naburig erf toekomen; dat zal veelal de
eigenaar of vruchtgebruiker van dat erf zijn. Art. 5:45 BW wijkt dus af van 5:1 lid 3 BW.
3.6 Vermogensrechten
Definitie, art. 3:6 BW, maar het artikel definieert niet, het omschrijft drie categorieën rechten.
1. Rechten die, hetzij afzonderlijk, hetzij tezamen, overdraagbaar zijn.
Overdraagbaarheid is een big thing in het vermogensrecht. Zie art. 3:83, 3:81 lid 1 en 3:228. Als een
recht niet overdraagbaar is blijft de waarde 'opgesloten'.
De overdraagbaarheid van het recht moet, zo volgt uit art. 3:83 lid 3 BW, een bewuste keuze van de
wetgever zijn; als rechtvaardiging hiervoor kan gelden dat dergelijke rechten doelgebonden zijn,
terwijl zuiver privaatrechtelijke goederen dat niet zijn. In deze klassieke opvatting heeft eigendom
geen ander doel dan de eigenaar te plezieren terwijl de introductie van rechten uit marktregulering
zoals (verhandelbare) vervuilingseenheden en emissierechten altijd een beleidsdoel hebben. Tegen
die achtergrond is begrijpelijk dat het artikel een wettelijke grondslag vraagt. Overigens moet dat
lid 3 ruim worden begrepen; weliswaar lezen we dat andere vermogensrechten alleen overdraagbaar
zijn als de wet dit bepaalt, maar beter ware het te lezen: als dit uit de wet voortvloeit. Die ruimere
lezing opent de mogelijkheid van overdraagbaarheid van die vermogensrechten waar de wet dit niet
letterlijk van bepaalt, maar waarvan de overdraagbaarheid goed in het stelsel van de wet past en
aansluit bij de wél in de wet geregelde gevallen.
2. Rechten die ertoe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen.
Het kan bijvoorbeeld gaan om wilsrechten zoals optierechten.
3. Rechten die verkregen zijn in ruil voor stoffelijk voordeel.
Bijvoorbeeld een non-gratis ticket voor een concert.
De laatste twee categorieën hebben alleen toegevoegde waarde voor zover het vermogensrecht niet
overdraagbaar is. De definities formuleren geen harde antwoorden. Gelukkig is de omschrijving niet
limitatief bedoeld. Bovendien kan met het arrest Quint / Te Poel (1959) in de hand meestal een
oplossing worden aanvaard. "Een verbintenis hoeft niet rechtstreeks op een wetsartikel te berusten
want als een geval niet door de wet wordt geregeld moet de oplossing worden aanvaard die past in
het stelsel van de wet en die aansluit bij de wél in de wet geregelde gevallen." Deze klassieke regel
van rechtsvinding geldt niet alleen in het verbintenissenrecht maar ook in het goederenrecht. Zij het
dat wel rekening gehouden moet worden met het verschil tussen beide rechtsgebieden, bv. open vs
gesloten stelsel.