MD-K 1.7 Oefentoets: Tractus (uro)genitalis
HBO+ Niveau - Uitgebreide Oefentoets
―――――――――――――――――――――――――――――――――――――
Deel A: Vragen
Vraag 1: Anatomie van de urogenitale tractus
Welke anatomische volgorde beschrijft correct de weg die urine aflegt van de productie tot de
uitscheiding uit het lichaam?
A) Nierparenchym -> Pyelum -> Ureter -> Blaas -> Urethra
B) Nierparenchym -> Pyelum -> Urethra -> Blaas -> Ureter
C) Nierparenchym -> Ureter -> Blaas -> Pyelum -> Urethra
D) Pyelum -> Nierparenchym -> Ureter -> Blaas -> Urethra
Vraag 2: Mannelijke anatomie: Zaadaanmaak en opslag
In welke specifieke mannelijke structuren vindt respectievelijk de spermatogenese
(zaadaanmaak) en de functionele rijping/opslag van spermatozoa plaats?
A) In de prostaat (aanmaak) en de testes (opslag).
B) In de testes (tubuli seminiferi contorti) en de epididymis (bijbal).
C) In de epididymis (aanmaak) en de vesiculae seminales (opslag).
D) In de zaadleider (aanmaak) en de Cowperse klieren (opslag).
Vraag 3: Vrouwelijke anatomie: Eileider
Hoe heten respectievelijk de trechtervormige uiteinden van de tubae uterinae en de
beweeglijke, franje-achtige uitlopers die de ovulair vrijgekomen eicel opvangen?
A) De adnexa en de Bartholin-klieren.
B) De cervix en het ectropion.
C) Het infundibulum en de fimbriae.
D) Het endometrium en de Skene-klieren.
Vraag 4: Embryologische homologieën: Cowper en Bartholin
Welke vrouwelijke urogenitale structuur is embryologisch homoloog aan de mannelijke
Cowperse klieren (glandulae bulbourethrales)?
Pagina 1
, Klinische Oefendatabase | MD-K 1.7 Oefentoets: Tractus (uro)genitalis
A) De clitoris
B) De klieren van Bartholin (glandulae vestibulares majores)
C) De klieren van Skene
D) De labia minora
Vraag 5: Embryologische homologieën: Penis en Clitoris
Welke mannelijke embryonale oerstructuur is homoloog aan de vrouwelijke clitoris?
A) Het scrotum
B) Het preputium
C) De glans penis en de corpora cavernosa (zwellichamen)
D) De prostaat
Vraag 6: Vascularisatie van de nieren
Uit welk groot bloedvat ontspringen de arteriae renales (nierslagaders) fysiologisch
rechtstreeks?
A) De arteria iliaca interna
B) De aorta abdominalis
C) De arteria mesenterica inferior
D) De arteria uterina
Vraag 7: Vascularisatie van de uterus
Welke hoofdas voorziet de uterus van bloed en uit welk groter arteriële vat ontspringt deze
slagader?
A) De arteria renalis, afkomstig uit de aorta abdominalis.
B) De arteria uterina, afkomstig uit de anterior stam van de arteria iliaca interna.
C) De arteria ovarica, afkomstig uit de arteria femoralis.
D) De arteria vesicalis superior, afkomstig uit de arteria umbilicalis.
Vraag 8: Anatomische kruising: Ureter en A. Uterina
Welke klinisch uiterst belangrijke anatomische kruising bevindt zich ter hoogte van de basis van
het ligamentum latum (parametrium)?
A) De arteria uterina loopt onder de ureter door.
B) De arteria uterina kruist over de ureter heen ('water under the bridge').
C) De vena ovarica kruist de urethra.
Pagina 2