Klinische Oefentoets op HBO+ Niveau
MD-K 1.4: Hart en Lymfesysteem
30 Complexe Meerkeuzevragen (Kennis & Casuïstiek) inclusief Uitgebreide
Pathofysiologische Toelichting
Deel A: Vragenlijst (30 Meerkeuzevragen)
Deel B: Antwoordsleutel & Pathofysiologische
Toelichtingen
Vraag 1 (Kennis)
Welke laag van de hartwand bestaat uit een dunne, gladde binnenlaag van endotheelcellen en
bindweefsel die de hartkamers bekleedt en direct overgaat in de binnenste laag van de grote
bloedvaten?
A) Myocard
B) Endocard
C) Epicard
D) Visceraal pericard
Vraag 2 (Kennis)
Wat is de exacte functie en lokalisatie van de chordae tendineae in het menselijk hart?
A) Zij trekken de semilunairkleppen open tijdens de ventriculaire ejectiefase.
B) Zij verankeren de slippen van de atrioventriculaire kleppen aan de papillaire spieren om
omklappen (prolaps) in de atria tijdens de systole te voorkomen.
C) Zij geleiden het actiepotentiaal van de bundel van His naar de Purkinjevezels.
D) Zij vormen de functionele scheiding tussen de linker- en rechterhelft van het myocard.
Vraag 3 (Casus)
Een patiënt heeft een stenose (vernauwing) van de linker kransslagader (a. coronaria sinistra /
LCA). Tijdens welke fase van de hartcyclus is de perfusie van het myocard via de
coronairarteriën het hoogst, en waarom?
A) Tijdens de systole, omdat de pompkracht van het hart dan maximaal is.
B) Tijdens de isovolumetrische contractiefase, omdat alle kleppen dan gesloten zijn.
C) Tijdens de diastole, omdat het myocard dan ontspant en de compressie op de intramurale
bloedvaten wegvalt, terwijl de aortadruk het bloed in de coronairingangen perst.
D) Tijdens de ejectiefase, omdat de stroomsnelheid in de aorta dan het hoogst is.
Pagina 1
, Oefentoets op HBO+ Niveau: MD-K 1.4: Hart en Lymfesysteem
Vraag 4 (Kennis)
In welk weefsel van het elektrisch geleidingssysteem treedt de fysiologische vertraging van de
elektrische impuls op, en wat is hiervan het functionele nut?
A) In de sinusknoop (SA-knoop); om de hartfrequentie onder de 100 bpm te houden.
B) In de atrioventriculaire knoop (AV-knoop); om de atria voldoende tijd te geven om te
contraheren en de ventrikels optimaal te vullen voordat deze samentrekken.
C) In de bundel van His; om te zorgen dat de rechter- en linkerkamer tegelijkertijd
samentrekken.
D) In de Purkinjevezels; om te voorkomen dat het actiepotentiaal terugkeert naar de atria.
Vraag 5 (Casus)
Bij de fysiologische beoordeling van een elektrocardiogram (ECG) observeert de klinisch
verloskundige een verbreed en grillig QRS-complex. Welk fysiologisch proces is direct
gecorreleerd aan het normale QRS-complex?
A) Depolarisatie van de atria.
B) Repolarisatie van de ventrikels.
C) Depolarisatie van de ventrikels.
D) Repolarisatie van de atria.
Vraag 6 (Kennis)
Tijdens welke specifieke fase van de mechanische hartcyclus stijgt de druk in de
linkerhartkamer explosief terwijl het volume constant blijft op het Eind-diastolisch Volume
(EDV)?
A) De ejectiefase
B) De isovolumetrische contractiefase
C) De isovolumetrische relaxatiefase
D) De passieve vullingsfase
Vraag 7 (Casus)
Een patiënt heeft een Eind-diastolisch Volume (EDV) van 130 ml en een Eind-systolisch
Volume (ESV) van 50 ml. De hartfrequentie is 80 slagen per minuut. Wat is de berekende
cardiac output (hartminuutvolume, HMV) van deze patiënt?
A) 4,0 liter per minuut
B) 6,4 liter per minuut
C) 10,4 liter per minuut
D) 5,6 liter per minuut
Vraag 8 (Kennis)
Welk effect heeft stimulatie door het orthosympathische zenuwstelsel op de cardiac output via
adrenerge receptoren op de pacemaker- en myocardcellen?
A) Positief chronotroop (stijging HF) en positief inotroop (stijging contractiliteit) via bèta-1-
receptoren.
Pagina 2