MD-K 1.3: Zenuwstelsel en
Ontwikkeling
Klinische & Theoretische Oefentoets — 30 Meerkeuzevragen met uitgebreide uitleg
Deel 1: Vragenlijst (MD-K 1.3)
Vraag 1 (Kennis): Wat is de fysiologische betekenis van de axonheuvel (axon hillock)
in een neuron?
A) Het dient als de primaire opslagplaats voor neurotransmitters in afwachting van
exocytose.
B) Het heeft de laagste drempelpotentiaal door een hoge dichtheid aan voltage-
gestuurde Na+-kanalen, waardoor hier het actiepotentiaal ontstaat.
C) Het myaliseert het axon in het centrale zenuwstelsel via uitlopers van
oligodendrocyten.
D) Het fungeert als passieve geleider van gegradeerde potentialen direct naar de
dendrieten.
Vraag 2 (Kennis): Welk structureel verschil kenmerkt de myelinisatie in het centrale
zenuwstelsel (CZS) ten opzichte van het perifere zenuwstelsel (PZS)?
A) Schwann-cellen myalineren meerdere axonen tegelijk, terwijl oligodendrocyten
slechts één segment van één enkel axon omwikkelen.
B) Oligodendrocyten myalineren tot wel 40 verschillende axonen tegelijk via
onafhankelijke uitlopers, terwijl Schwann-cellen slechts één segment van één enkel axon
myalineren.
C) Oligodendrocyten verzorgen de saltatorische geleiding in het PZS, terwijl Schwann-
cellen actief zijn in het CZS.
D) In het CZS bevinden zich geen knopen van Ranvier tussen de gemyelineerde
segmenten, in het PZS wel.
Vraag 3 (Kennis): Tijdens welk deel van het actiepotentiaal is de membraanpotentiaal
tijdelijk positief (+30 mV) en wat veroorzaakt dit fysiologisch?
A) De rustpotentiaalfase, veroorzaakt door het openen van lek-kaliumkanalen.
B) De repolarisatiefase, veroorzaakt door de snelle uitstroom van K+-ionen.
C) De depolarisatiefase (upstroke), veroorzaakt door de massale passieve instroom van
Na+-ionen langs hun elektrochemische gradiënt.
D) De hyperpolarisatiefase, veroorzaakt door de actieve werking van de Na+/K+-pomp.
Pagina 1
, MD-K 1.3: Zenuwstelsel en ontwikkeling — Oefentoets
Vraag 4 (Kennis): Welke moleculaire stappen leiden tot de fusie van
neurotransmitterblaasjes met het presynaptische membraan bij de aankomst van een
actiepotentiaal?
A) Kaliuminstroom activeert synaptotagmin, wat ledt tot actieve splitsing van
acetylcholine door acetylcholinesterase.
B) Natriumuitstroom activeert myo-epitheliale cellen om de blaasjes mechanisch door de
synaptische spleet te persen.
C) Depolarisatie opent voltage-gestuurde Ca2+-kanalen; de Ca2+-instroom triggert de
interactie tussen synaptotagmin en het SNARE-eiwitcomplex voor membraanfusie.
D) Noradrenaline activeert de bèta-3-adrenerge receptor, wat de vesicles activeert via
secundaire signaalcascades.
Vraag 5 (Casus): Een pasgeborene wordt direct na de geboorte gediagnosticeerd met
een Erbse parese (beschadiging van de plexus brachialis C5-C6) na een moeizame
bevalling met schouderdystocie. Welke bewegingsbeperking is pathognomonisch
voor dit type letsel en welke spiergroepen zijn aangedaan?
A) Het kind kan de vingers en hand niet meer sluiten (Klumpke parese; uitval van mm.
lumbricales).
B) De arm hangt slap in adductie en interne rotatie met een geproneerde onderarm (het
'waiter's tip' aspect; uitval van m. deltoideus en m. biceps brachii).
C) Er is sprake van volledige spasticiteit van de contralaterale zijde door een cerebraal
defect.
D) De n. pudendus is dubbelzijdig beschadigd, waardoor er geen bekkenbodemtonus
meer aanwezig is.
Vraag 6 (Kennis): Welke anatomische zenuw (S2-S4) verzorgt de sensorische
innervatie van het perineum en de uitwendige genitalia, en is klinisch de doelstructuur
voor een lokaal anesthetisch blok voorafgaand aan een episiotomie of
forcepsverlossing?
A) Nervus ischiadicus
B) Nervus vagus
C) Nervus pudendus
D) Nervus facialis
Vraag 7 (Kennis): Waar in de grijze stof van het ruggemerg (medulla spinalis)
bevinden zich de cellichamen van de motorische neuronen (motoneuronen) die de
skeletspieren aansturen?
A) In de achterhoorn (cornu posterius)
B) In de zijhoorn (cornu intermediolaterale)
C) In de voorhoorn (cornu anterius)
D) In de substantia alba
Pagina 2