Veterinair Klinisch Redeneren jaar 3
Samenvatting
Diergeneeskunde UU | Jaar 3, sem. 2 | Elise van Gool
1 Veterinair klinisch redeneren............................................................................................2
2 Circulatie ........................................................................................................................6
3 Respiratie ...................................................................................................................... 15
4 Bloed & bloedvormende organen ................................................................................... 25
5 Nieren & urinewegen...................................................................................................... 32
6 Digestie ......................................................................................................................... 38
7 Stofwisseling & endocrinologie ...................................................................................... 48
8 Neurologie, zintuigen & anesthesiologie ......................................................................... 55
9 Huid & huidderivaten ..................................................................................................... 60
10 Voortplanting................................................................................................................. 71
11 Locomotie ..................................................................................................................... 75
12 Pluimvee specifiek......................................................................................................... 80
13 Aanvullende diagnostiek ................................................................................................ 81
14 Pathologie ..................................................................................................................... 95
15 Oefententamen remindo.............................................................................................. 100
Pagina 1 van 117
,Elise van Gool [2026]
1 VETERINAIR KLINISCH REDENEREN
1.1 VKR STAPPENPLAN
1. Zorg(hulp)vraag
2. Patientpresentatie
o Ziektegeschiedenis (signalement, anamnese)
o Algemene indruk
o Algemeen onderzoek
o Orgaansysteem onderzoek (kan ook na het maken van je probleemlijst) > je onderzoekt alleen de
orgaansystemen waarvoor je aanleiding hebt vanuit je anamnese, AI en AO. Je mag ervanuit gaan
dat alles is gedaan als er bv. in de vraag staat: klinisch onderzoek geen afwijkingen.
3. Probleemlijst
o Omvat alle problemen van het dier / koppel
o Verhoogde waardes komen pas op de probleemlijst als ze boven referentie zijn bij een dier in rust
▪ Koorts bij een paard > 38.5 °C (mits niet in beweging, omgevingstemperatuur normaal)
o Wees zo specifiek mogelijk in de probleemlijst > cluster verschijnselen op basis van achterliggende
pathofysiologie, laat de omstandigheden inwegen, prioriteer de probleemlijst
▪ Steile pols + bleke slvl = anemie
▪ Paard ligt veel + vies van stro + rollen = koliek
4. Hoofdprobleem
o Datgene dat als eerste aandacht behoeft / de meest levensbedreigende aandoening OF het
pathofysiologische probleem dat mogelijk de andere klinische symptomen verklaart
▪ Meestal niet: tachypneu, tachycardie, koorts, verminderd uithoudingsvermogen, etc.
▪ Meestal wel: specifiek verschijnsel uit 1 orgaansysteem – dyspneu, neusuitvloeiing,
inequale pols, etc.
5. Probleemdefinitie
o Signalement dier + hoofdprobleem (evt. ernst, duur toevoegen)
o Andere bijzonderheden voeg je alleen toe als ze de DDx veranderen (bv. behandeling, veulen aan de
voet, etc.)
6. Differentiaal diagnose
o In grote lijnen
▪ Infectieus / niet-infectieus
▪ Anatomie
▪ Pathofysiologie
▪ Acuut / chronisch
▪ Vitamin CDE:
• Vasculair; Infectieus; Traumatisch; Auto-immuun; Metabool; Iatrogeen;
Neoplastisch; Congenitaal; Degeneratief; Endocrien
o Verkorte DDx bevat:
▪ De meest voor de hand liggende diagnose
▪ 2-4 veel voorkomende diagnoses
▪ Red Flags
7. Waarschijnlijkheidsdiagnose
o Nr. 1 op je DDx = waarschijnlijkheidsdiagnose
8. Validatie
o Verificatie
▪ Alle problemen op de probleemlijst verklaard?
o Falsificatie
▪ Zien we alle problemen die bij het ziektebeeld horen?
o Bekrachtiging
▪ Is het nodig om de diagnose verder te bevestigen (bv. met aanvullende diagnostiek)?
9. Behandelplan
o Stabiliseren
▪ 1e hulp
Pagina 2 van 117
,Elise van Gool [2026]
▪ Symptomatisch
o Cureren
▪ Genezen met behandeling
o Preventie
▪ Wegnemen van risicofactoren
10. Rapportage
11. Evaluatie
12. Follow-up
1.2 TYPE 1 EN TYPE 2 REDENEREN
Wees je bewust van het verschil tussen:
- Type 1 redeneren: snel, intuïtief, gebaseerd op herkenning en ervaring. Type 1 redeneren
is gevoeliger voor cognitieve fouten (bias).
- Type 2 redeneren: langzaam, analytisch, systematisch en bewust.
1.3 FOUTEN BIJ VKR
1. Foutieve kennis
- Onvoldoende kennis of verkeerd geleerde kennis.
- Onvoldoende gebruik van Evidence-Based Veterinary Medicine (EBVM).
2. Foutieve dataverzameling
- Onvolledige anamnese.
- Onvoldoende / verkeerd klinisch onderzoek.
- Stappen van de diagnostiek niet correct doorlopen.
3. Foutieve verwerking
- Verkeerd wegen van de verzamelde informatie.
4. Foutieve validatie
- Onvoldoende verificatie, falsificatie of bevestiging van hypotheses.
- Alternatieve diagnoses worden niet overwogen.
De laatste twee categorieën hangen vaak samen met cognitieve bias.
1.3.1 Cognitieve bias
Vormen van cognitieve bias zijn:
- Tunnelvisie
o Focus op één detail of diagnose.
o Andere mogelijkheden worden genegeerd.
- Availability error
o Diagnoses die snel in je opkomen krijgen onterecht meer gewicht.
- Base rate neglect
o De werkelijke prevalentie van een aandoening wordt genegeerd.
- Premature closure
o Te snel stoppen met het diagnostisch proces zonder voldoende verificatie.
- Cognitive dissonance
o Ongemak vermijden wanneer nieuwe informatie niet past bij de huidige
hypothese.
Pagina 3 van 117
, Elise van Gool [2026]
1.3.2 Preventie van fouten
- Zorg voor voldoende kennis
o Werk volgens de principes van EBVM.
o Herken eigen kennishiaten.
- Werk systematisch
o Volg het VKR-stappenplan.
o Sla geen stappen over.
- Diagnostische time-out
o Neem tijdens het diagnostisch proces bewust een pauze en vraag jezelf af:
▪ Waar ben ik mee bezig?
▪ In welke stap van het proces zit ik?
▪ Welke fouten kan ik maken?
▪ Zijn er alternatieve hypothesen?
▪ Heb ik voldoende gevalideerd?
▪ Ben ik mezelf niet aan het overschatten?
- Feedback en zelfkalibratie
o Volg de patiënt op.
o Evalueer of je diagnose en behandeling correct waren.
o Leer van gemaakte fouten.
1.4 TIPS VOOR TENTAMEN
Tips voor reductie van cognitieve dissonantie tijdens het tentamen:
- Wat is de patiënt en wat is de klacht?
- Welke informatie hoort bij elkaar?
- Wat is precies de vraag?
- Welke informatie is relevant?
- Wat is de volgende redeneerstap?
- Wat zou zonder naar de antwoordopties te kijken het meest logische antwoord zijn?
1.5 FOUTEN RONDOM DIAGNOSTIEK
Ongeveer 50% van de diagnostische fouten in de humane geneeskunde zijn gerelateerd aan
testen: ± 4% tijdens het uitvoeren van de test. Het merendeel vóór of na de test.
Oorzaken van testfouten:
- Verkeerde test gekozen.
- Te veel testen aangevraagd.
- Te weinig testen aangevraagd.
- Beperkingen van de testmethode.
- Verkeerde interpretatie van de uitslag.
Bedenk altijd voor jezelf:
- In welke fase van de ziekte of infectie bevindt het dier zich?
- Welk monster en welke test zijn dan het meest geschikt?
Pagina 4 van 117