MD-K 1.14: De Kraamvrouw
Anatomie, Fysiologie en Klinische Begeleiding van het Fysiologische Kraambed
Deze academische studiegids behandelt de volledige fysiologie van de kraamvrouw in de postnatale
periode.
Moduledoel 15:
Je legt het fysiologische verloop van de postnatale periode m.b.t. de cliënt uit. Je
beschrijft de frequentie, timing en inhoud van de reguliere kraambedcontroles met
betrekking tot de cliënt. Je benoemt de anatomie van de vrouwelijke borst en beschrijft
de fysiologie van het op gang komen van de borstvoeding.
1. Fysiologische Transities en Involutie van de Moeder
De postnatale periode (het kraambed, fysiologisch gedefinieerd als de eerste 6 weken of 42 dagen na de
geboorte) wordt gekenmerkt door ingrijpende involutieprocessen en fysiologische aanpassingen. De
moeder keert hierbij anatomisch en functioneel terug naar de niet-zwangere status.
1.1 Involutie van de Uterus
De involutie is het fysiologische proces waarbij de uterus na de bevalling krimpt en terugkeert naar haar
oorspronkelijke omvang en positie in het kleine bekken. Direct na de uitdrijving en de geboorte van de
placenta weegt de uterus ongeveer 1000 gram en bevindt de fundus uteri zich fysiologisch halverwege
tussen de symfyse en de navel (FN/S) of ter hoogte van de navel (N).
Dit krimpingsproces verloopt in een voorspelbaar, dagelijks tempo door autolyse (afbraak van overtollig
spiereiwit door proteolytische enzymen) en aanhoudende spiercontracties. Gemiddeld daalt de
fundushoogte met 1 tot 2 centimeter (ongeveer één vingerbreedte) per 24 uur. Rond dag 10 tot 14 post
partum is de uterus weer volledig achter de symfyse pubis gezakt en is zij niet meer abdominaal
palpeerbaar. Aan het einde van het kraambed (6 weken) weegt de uterus nog slechts 50 tot 100 gram.
1.2 Pathofysiologie van Naweeën
Naweeën zijn fysiologische uteruscontracties die optreden na de geboorte. Zij vervullen twee cruciale
functies: het mechanisch comprimeren van de opengewikkelde spiraalarteriën op de voormalige
placentahechtingsplaats om massaal postpartumbloedverlies te voorkomen (de fysiologische ligaturen
of 'living ligatures'), en het bevorderen van de uteriene involutie.
Er bestaat een belangrijk fysiologisch verschil tussen nulliparae en multiparae:
Pagina 1
, MD-K 1.14: De Kraamvrouw | Academische Studiegids
Nulliparae (Eerstbarenden): De baarmoeder bezit een uitstekende basale spiertonus. Na de
bevalling blijft het myometrium grotendeels in een staat van milde, constante tonische contractie.
Hierdoor ervaren nulliparae doorgaans weinig of geen pijnlijke naweeën.
Multiparae (Meerbarenden): Door eerdere zwangerschappen is de basale spiertonus van het
myometrium verminderd. De uterus kan niet in een constante contractietoestand blijven, maar
moet zich herhaaldelijk krachtig s Samentrekken en weer ontspannen om de involutie te
bewerkstelligen. Dit leidt tot intermitterende, zeer pijnlijke naweeën. Deze pijn neemt vaak toe bij
elke opeenvolgende pariteit.
Daarnaast worden naweeën fysiologisch versterkt tijdens het geven van borstvoeding. Het zuigen van de
neonaat aan de tepel stimuleert de neurohypofyse via een neuro-endocriene reflex tot een acute afgifte
van oxytocine. Dit oxytocine stimuleert niet alleen de melkklieren (toeschietreflex), maar bindt tevens
aan de myometriumreceptoren, wat direct krachtige en pijnlijke naweeën uitlokt.
1.3 Het Verloop van Lochia (Kraamzuivering)
Lochia (kraamzuivering) is de vaginale afscheiding na de bevalling, afkomstig van de herstellende
binnenzijde van de uterus (met name de wondplaats van de placenta). Het verloop van de lochia is een
betrouwbare klinische indicator voor het fysiologische herstel van het endometrium:
Lochia rubra (Dag 1 - 3): Helderrood van kleur, hoofdzakelijk bestaand uit vers bloed,
stollingselementen, vliezenresten, deciduaal weefsel en meconium. De geur is zoetig (zoals normale
menstruatie).
Lochia serosa (Dag 4 - 10): Bruin-roze tot sereus van kleur. Bevat minder erytrocyten, maar is rijk aan
wondvocht (serum), leukocyten, lymfe en cervicaal slijm.
Lochia alba (Dag 10 - 21+): Geel-wit tot melkachtig van kleur. Bestaat vrijwel uitsluitend uit
leukocyten, epitheelcellen, vet, slijm en cholesterolkristallen. Kan fysiologisch tot 4 tot 6 weken
aanhouden.
Klinische alarmsignalen: Lochia mag op geen enkel moment een ranzige of rotte geur aannemen; dit is
een sterke aanwijzing voor een bacteriële infectie van de uterus (endometritis). Ook het plotseling weer
rood worden van lochia na een serose fase of het vaginaal verliezen van grote bloedstolsels (groter dan
een vuist) vereist directe verloskundige evaluatie om een placenta-rest of subinvolutie uit te sluiten.
1.4 Wondherstel en Bekkenbodemfysiologie
Het herstel van eventueel opgelopen perineumletsel (zoals een ruptuur of een chirurgische episiotomie)
volgt de klassieke fasen van wondherstel: de inflammatoire fase (dag 1-3; oedeem, roodheid, pijn), de
proliferatieve fase (dag 3-14; vorming van granulatieweefsel en re-epithelialisatie) en de
herstructureringsfase (maanden tot een jaar; collageenvorming en littekenrijping).
De bekkenbodem (bestaande uit de m. levator ani en de perineale spieren) is door de baring extreem
opgerekt, gekneusd en hypotoon. Dit leidt tot een verminderde ondersteuning van de bekkenorganen
(blaas, uterus, rectum). Fysiologische revalidatie begint direct post partum met zachte spieractivering
(bekkenbodemoefeningen) om de doorbloeding te stimuleren en oedeem versneld af te voeren. Zware
Pagina 2