ACADEMISCHE STUDIEHANDLEIDING
MD-K 1.12: Thermoregulatie bij de Volwassene en
de Neonaat
Fysiologische concepten, metabole warmteproductie, mechanismen van warmte-uitwisseling, non-
shivering thermogenese via bruin vet en klinisch neonatologisch temperatuurbeleid.
Moduledoel 12: Je beschrijft de fysiologie van de thermoregulatie bij
de volwassene en de neonaat en je legt uit hoe je warmteverlies en
warmtestuwing bij de neonaat kan voorkomen.
Hoofdstuk 1: Algemene Thermoregulatie en Metabolisme (Adult)
1.1 Homeostase en Thermoregulatie
Homeostase is het fysiologische proces waarbij het interne milieu van het lichaam binnen nauwe,
dynamische limieten stabiel wordt gehouden, ondanks veranderingen in de externe omgeving. Een van
de belangrijkste homeostatische regelsystemen is de thermoregulatie, het vermogen van een organisme
om de interne lichaamstemperatuur (kerntemperatuur) binnen een nauw fysiologisch bereik te
handhaven (normaal tussen 36,5 °C en 37,5 °C).
1.2 De Hypothalamus als Centrale Thermostaat
De centrale coördinatie van de thermoregulatie vindt plaats in de hypothalamus, specifiek in het pre-
optische gebied (area preoptica). De hypothalamus functioneert als de biologische thermostaat van het
menselijk lichaam en maakt gebruik van een fysiologisch setpoint (de geprogrammeerde
referentietemperatuur, meestal rond de 37,0 °C).
Sensoren: De hypothalamus ontvangt voortdurend afferente temperatuurinformatie vanuit twee typen
sensoren:
Centrale thermoreceptoren: Gelegen in de hypothalamus zelf, de hersenstam en het ruggemerg. Zij
meten de temperatuur van het langsstromende arteriële bloed en registreren hiermee de kritieke
kerntemperatuur.
Perifere thermoreceptoren: Gelegen in de huid en slijmvliezen. Zij registreren met name snelle
veranderingen in de omgevingstemperatuur (schiltemperatuur) en zijn onderverdeeld in koude- en
warmtereceptoren. Zij sturen waarschuwingssignalen naar het CZS nog voordat de kerntemperatuur
verandert.
Pagina 1
, MD-K 1.12: Thermoregulatie — Stuva Academische Studiehandleiding
1.3 Metabolisme en Energiehuishouding
Warmteproductie is een directe bijwerking van het cellulaire metabolisme (de stofwisseling). Het
metabolisme omvat alle chemische omzettingsprocessen in het lichaam en is verdeeld in twee
processen:
Anabolisme (Opbouwstofwisseling): Het fysiologische proces waarbij grotere, complexe moleculen
(zoals eiwitten en vetten) worden opgebouwd uit kleinere bouwstenen. Dit proces is endotherg en
kost energie (ATP).
Katabolisme (Afbraakstofwisseling): Het fysiologische proces waarbij organische moleculen (zoals
glucose en vetzuren) worden afgebroken tot eenvoudigere verbindingen. Dit is een exotherm proces
waarbij energie vrijkomt in de vorm van ATP én een aanzienlijke hoeveelheid warmte
(thermogenese).
Basaalmetabolisme (Basal Metabolic Rate / BMR): De minimale hoeveelheid energie die een individu in
absolute rust (mentaal en fysiek), nuchter (12 uur na de laatste maaltijd) en in een thermoneutrale
omgeving verbruikt om de vitale levensfuncties (zoals celademhaling, hartslag, ademhaling en
nierfunctie) in stand te houden. Het basaalmetabolisme genereert de fysiologische basiswarmte van de
volwassene.
Ruststofwisseling (Resting Metabolic Rate / RMR): De energie die het lichaam verbruikt in rusttoestand
zonder strikte nuchterheidsvoorwaarden. De ruststofwisseling ligt fysiologisch ongeveer 10% tot 20%
hoger dan het basaalmetabolisme door de thermische effecten van recente voedselinname en milde
psychische activiteit.
1.4 Hormonale Regulatie via de Schildklier
De langetermijnregulatie van het basaalmetabolisme en de warmteproductie staat onder directe
hormonale controle van de schildklier. De hypothalamus scheidt TRH uit, wat de hypofyse aanzet tot de
secretie van TSH. TSH stimuleert de schildklier tot de productie en afgifte van de schildklierhormonen:
Thyroxine (T4): Het primaire prohormoon dat door de schildklier wordt uitgescheiden. Het
circuleert in grote hoeveelheden gebonden aan transporteiwitten en heeft een lange halfwaardetijd.
Het wordt in de perifere weefsels door dehalogenase-enzymen omgezet in het actieve T3.
Tri-joodthyronine (T3): Het biologisch actieve schildklierhormoon. T3 dringt de celkern binnen,
bindt aan specifieke schildklierhormoonreceptoren (TR) en moduleert de genexpressie.
Calorigeen effect: T3 stimuleert de synthese van de Na+/K+-ATPase-pompen in vrijwel alle
lichaamscellen. Omdat deze pompen voortdurend ATP verbruiken om de membraanpotentiaal in stand
te houden, verhoogt dit de cellulaire zuurstofconsumptie en het katabolisme. Dit leidt tot een
aanzienlijke stijging van de basale warmteproductie (calorigeen effect van T3/T4).
Pagina 2