LES 1 het muzisch domein media
De bouwstenen van media.
Decor
= er is altijd beeld/klank/beide. Beeld speelt zich af in bepaalde omgeving, dat is het decor.
Voor- en achterplan
Voorplan = wat zich op de voorgrond voordoet. (Stem personage)
Achterplan = wat zich op de achtergrond voordoet. (Achtergrondmuziek)
Sfeer
Decor, licht en geluid beïnvloeden de sfeer. Kan versterken maar ook de betekenis
veranderen.
Kader
= hoe je iets in beeld brengt.
Standpunt
De plaats waar de maker van het beeld staat om iets in beeld te brengen, de hoogte van de
camera.
- Vogelperspectief
Van bovenuit.
- Kikvorsperspectief
Van onderuit.
- Ooghoogteperspectief
Op ooghoogte.
Camerabeweging
Verschillende bewegingen van de camera.
- Vast/fix
Camera blijft op 1 plaats.
- Travel
De camera verplaatst zich langs een voorwerp.
- Pan/panorama
De camera staat stil en draait van links naar rechts.
- Tilt
Camera staat stil en gaat van boven naar beneden.
- Zoom/lensbeweging
De camera staat stil en je brengt het beeld zichter/verder.
Beeldgrootte
De grootte van je beeld. Je kan een detail laten zien of het geheel.
- Close-up
Net boven het hoofd tot boven de borst. Hier ga je zelf nog veel inbeelden/invullen.
- Medium-shot
Het object wordt middelgroot afgebeeld. Hier weet je al meer.
- Full-shot
Totaalbeeld. Je ziet alles.
, Muzische vorming
- Long shot
Het object wordt klein in beeld gebracht.
- Inzoomen
Onderwerp dichterbij brengen.
Beeldcompositie
Hoe elementen zich in het beeld verhouden tot elkaar en tot het beeldkader. Hoe iets in je
beeld komt.
Kadrering
Kiezen wat je in beeld brengt en wat niet. Waar de rand van het beeld komt. Goede positie
kiezen voor de foto.
Beeldbewerking
Na een opname het beeld bewerken: ouder laten uitzien, kleuren aanpassen, effecten
toevoegen…
Montage
= het ordenen van beelden in een film.
Volgorde
Beelden/geluidsfragmenten die elkaar opvolgen. Eerst het detail dan het geheel of
omgekeerd? Overgangen moeten onzichtbaar zijn.
Ritme
Het veelvuldig afwisselen van beelden hoog ritme.
Een film met onafgebroken beeld traag ritme.
Beelden snel/traag opbouwen, herhalen, afwisselen…
Vb: rustige sfeer foto’s traag tonen.
De werkvormen van media.
Videowerkvormen
Stop-motion
Beeld na beeld opnames doen. Plaats het voorwerp in beeld, neem een foto, verplaats het
voorwerp, neem opnieuw een foto, enzovoort.
Filmen met camera
Video-opnames maken. Neem korte shots op en verander van standpunt.
Beeld bewerken en monteren
Beeldbewerking = filmbeelden veranderen.
Montage = beelden in volgorde zetten.
Subjectieve camera
Filmen vanuit het oogpunt van een personage/voorwerp.
Personage/voorwerp niet in beeld. Door de ogen van het personage.
Media beschouwen
= kritisch kijken en luisteren naar media.
Vb: filmfragment kritisch bekijken en bespreken, foto’s bespreken, idee verwoorden…
Mediaspel
= Spelvormen met mediamateriaal.
Vb: detailbeelden – wat is deze foto? Wie is dit op de foto?