Identiteitsvorming bij Langdurig Geplaatste Pleegkinderen
Senna van Boxtel
651467
Pedagogische Wetenschappen
Social and Behavioural Sciences
Erasmus Universiteit Rotterdam
ESSB-E3030: Bachelorscriptie
1ste beoordelaar: Dr. Nikita Schoemaker
2e beoordelaar: Drs. Wenda Sleijpen
1 maart 2026
, 2
Identiteitsvorming bij Langdurig Geplaatste Pleegkinderen
In 2024 verbleven 16.630 kinderen in een pleegzin (Pleegzorg Nederland, 2024). Voordat een
kind in een pleeggezin wordt geplaatst, vindt er een uithuisplaatsing plaats. Een
uithuisplaatsing houdt in dat een kind tijdelijk of langdurig uit het biologische gezin wordt
geplaatst om de veiligheid of ontwikkeling van het kind te waarborgen. Dit kan het gevolg
zijn van gedragsproblemen van het kind of mishandeling. Daarnaast kunnen de ouders lijden
aan psychische- of relatieproblemen. En hierdoor niet instaat zijn om het kind de
noodzakelijke begeleiding en zorg te bieden (Nederlands Jeugdinstituut, z.d). Het doel van de
pleegzorg is dat de oorspronkelijke opvoedsituatie wordt verbeterd en hersteld, waardoor een
plaatsing kortdurend kan zijn (Wittenberg & Bergenhenegouwen, 2024). Een uithuisplaatsing
kan op vrijwillige basis plaatsvinden, of door een rechter worden opgelegd (Wittenberg &
Abrahamse, 2025). In dat geval wordt gestreefd naar de best passende opvoedomgeving,
hierbij wordt gezocht naar een pleeggezin dat aansluit bij de behoeften van het kind. Het kan
zijn dat het kind korter dan één jaar verblijft in een pleeggezin, dit omvat 44% van alle
pleegkinderen. Wanneer terugkeer naar huis niet mogelijk is, kan het kind vaak langdurig in
een pleeggezin verblijven tot uiterlijk 21 jaar oud. Zo verblijft 56% van de pleegkinderen
langer dan twee jaar in een pleeggezin. In sommige gevallen kan het kind bij vrienden of
familie van het biologische gezin ondergebracht worden, dit is netwerkpleegzorg. In
tegenstelling tot netwerkpleegzorg, kennen het kind en het pleeggezin elkaar nog niet
voorafgaand aan de plaatsing bij bestandspleegzorg (Pleegzorg Nederland, 2025; Wittenberg
& Abrahamse, 2025).
Ongeacht de vorm van pleegzorg hangt stabiliteit van de plaatsing sterk samen met de
kwaliteit van de relatie tussen het pleegkind en pleegouders. Volgens de gehechtheidstheorie
van Bowlby (1969) hebben kinderen de aangeboren behoefte aan nabijheid en veiligheid met
de verzorger. Hierbij ontstaat een relatie tussen kind en verzorger die een hechtingsrelatie
wordt genoemd. Wanneer deze hechtingsrelatie wordt verbroken, kan dit leiden tot complexe
trauma’s en emotionele problemen. Bij langdurige stabiele plaatsing ontstaat er een sterkere
gehechtheidsrelatie tussen het pleegkind en de pleegouders dan met biologische ouders. Met
een sterkere gehechtheidsrelatie wordt een hoge mate van psychologische beschikbaarheid,
vertrouwen en affectie bedoelt (Maaskant et al., 2016). Wanneer verzorgers consistent,
sensitief en responsief handelen, kan er een veilige gehechtheidsrelatie ontstaan. Dit
ondersteunt de psychosociale ontwikkeling, doordat het kind leert mentale toestanden van
zichzelf en anderen te begrijpen, dit is cruciaal om veerkracht te ontwikkelen (Maaskant et al.,
, 3
2016). Veerkracht is het vermogen om adaptief te functioneren ondanks ingrijpende
tegenslagen (Ben-Shlomo et al., 2025).
In tegenstelling tot een veilige hechting, ontstaat een onveilige hechting als verzorgers niet
adequaat op de behoeften van het kind reageren of het kind mishandelen. Wanneer er binnen
de relatie met een verzorger trauma, misbruik of verwaarlozing plaatsvindt kan er een
onveilige hechting ontstaan. Kinderen met een onveilige hechting hebben moeite met het
vertrouwen van volwassenen en het aangaan van gezonde relaties. (Bowlby, 1969). In de
pleegzorg kan dit ontstaan door een uithuisplaatsing of herhaalde plaatsingen bij verschillende
pleeggezinnen (Maaskant et al., 2016). Dit zijn relationele breuken, dit betekent het verbreken
van betekenisvolle hechtingsrelaties, waardoor het kind telkens wordt gescheiden van de
verzorgers en de sociale en fysieke omgeving (Ben-Shlomo et al., 2025). Een relationele
breuk kan ook voortkomen uit het vroegtijdig beëindigen van plaatsing, hierdoor is er veel
onvoorspelbaarheid in de opvoeding van het kind en heeft het kind weinig psychologische
ruimte om actief te exploreren wat essentieel is voor een gezonde identiteit (Ben-Shlomo et
al., 2021). Tussen de 20% en 50% van langdurig geplaatste pleegkinderen krijgen te maken
met relationele breuken. De impact van deze breuken is groot, dit kan zelfs lijden tot complex
trauma, dit is een opstapeling van verliezen en onopgeloste emotionele wonden (Ben-Shlomo
et al., 2025). Onderzoek van Berman et al. (2025) stelt dat 70% van de pleegkinderen voldoen
aan de klinische drempel voor de diagnose complex trauma. Een onveilige hechting en
complex trauma zijn aan elkaar verbonden, complex trauma kan namelijk een gevolg zijn van
onveilige gehechtheidsrelaties. Hierdoor hebben kinderen vaak moeite met het aangaan van
nieuwe gehechtheidsrelaties met pleegouders (Maaskant et al., 2016). Omdat onveilig
gehechte kinderen het idee hebben dat de wereld onveilig is en dat volwassenen hen niet
beschermen (Bowlby, 1969; Maaskant et al., 2016). Wanneer het kind ervaart dat de
omgeving voorspelbaar en veilig is, kan wantrouwen geleidelijk afnemen en ontstaat er ruimte
voor emotieregulatie, een positiever zelfbeeld en durven kinderen relaties met verzorgers aan
te gaan. Dit vormt een belangrijke basis voor identiteitsontwikkeling in de adolescentie en
kunnen worden ondersteund door pedagogische interventies die zijn gericht op het versterken
van veiligheid en stabiliteit (Ben-Shlomo et al., 2025).
Identiteitsvorming
Deze ervaringen werken door in latere ontwikkelingsopgaven, waaronder de
identiteitsvorming. Dit is een centrale ontwikkelingstaak tijdens de adolescentie en wordt
gekenmerkt door ingrijpende veranderingen. Het doel van de identiteitsontwikkeling is het
, 4
ontwikkelen van een stabiele identiteit, waarin overtuigingen, waarden, rollen en
toekomstperspectieven worden geïntegreerd en besproken met verzorgers (Ben-Shlomo et al.,
2025). Als dit succesvol is ontstaat er een samenhangend zelfbeeld (Crocetti et al., 2024).
Binnen de ontwikkelingspsychologie wordt identiteitsvorming vaak begrepen vanuit het
psychosociale ontwikkelingsmodel van Erikson (1968), die de adolescentie beschrijft als de
crisis van ‘identiteit versus rolverwarring’. Jongeren staan hierbij voor de opgave om eerdere
identiteiten en sociale verwachtingen te integreren tot een samenhangend geheel. Wanneer dit
proces wordt belemmerd kan rolverwarring ontstaan, gekenmerkt door onzekerheid over de
eigen plek in de maatschappij (Ben-Shlomo et al., 2025; Branje te al., 2021). Marcia (1966)
werkte de theorie van Erikson (1968) verder uit door vier identiteitsstatussen te
onderscheiden: identity diffusion, identity foreclosure, moratorium en identity achievement.
Deze statussen zijn geen vaststaande karaktertrekken, maar veranderlijke ontwikkelingsfasen.
Ze worden onderscheiden op basis van exploratie en commitment. Exploratie verwijst naar de
mate waarin adolescenten de ruimte ervaren om verschillende rollen, identiteiten en
overtuigingen te ontdekken en tegen elkaar af te wegen. Commitment verwijst naar de mate
waarin normen, waarden, identiteitsrollen en overtuigingen zijn vastgelegd en of de
adolescent zich hiermee identificeert. De combinatie van deze twee processen leidt tot vier
identiteitsstatussen. Identity diffusion wordt gekenmerkt door een laag niveau van exploratie
en commitment. Hierbij zijn adolescenten niet actief bezig met het onderzoeken van hun
identiteit en hebben nog geen keuzes hierin gemaakt. Dit wordt geassocieerd met onzekerheid
en emotionele problemen. Identity foreclosure wordt gekenmerkt door een laag niveau van
exploratie en een hoog niveau van commitment. Hierbij identificeren jongeren zich met de
waarden van een ander, zonder deze waarde eerst te onderzoeken en af te wegen. Moratorium
wordt gekenmerkt door een hoog niveau van exploratie en een laag niveau van commitment.
Jongeren zijn actief hun identiteit aan het onderzoeken en waarden aan het afwegen. Dit is een
belangrijke tussenstap in de vorming van een stabiele identiteit. Identity achievement wordt
gekenmerkt door veel exploratie en commitment, na een periode van exploratie wordt een
weloverwogen keuze gemaakt waaraan ze zich verbonden. Dit wordt geassocieerd met een
hoger niveau van psychosociaal functioneren en een stabiel zelfbeeld. Bij een stabiel zelfbeeld
heeft een individu een gevoel van innerlijke gelijkheid en continuïteit door de tijd heen
ongeacht de situatie (Branje et al., 2021).