OEFENTOETS PSYCHOLOGIE
Diversiteit, Inclusiviteit en Ethiek in de Geboortezorg
(HBO+ Niveau)
Aantal vragen: 30 | Niveau: HBO+ (Toegepaste Psychologie / Verloskunde) | Inclusief uitgebreide
antwoordsleutel
Deel A: Meerkeuzevragen (30 vragen)
Vraag 1: Een verloskundige merkt dat ze bij een cliënt met een bepaalde etnische
achtergrond onmiddellijk een gevoel van lichte irritatie of achterdocht ervaart, zonder dat
hier een feitelijke aanleiding voor is. Onder welk aspect van de driedeling binnen de
sociale psychologie valt deze emotionele reactie?
A) Cognitie (Stereotype)
B) Affectie (Vooroordeel)
C) Gedrag (Discriminatie)
D) Intuïtie (Systeem 2-denken)
Vraag 2: Volgens de verstrekte bron verwijst 'diversiteit' naar de verscheidenheid aan
kenmerken waarop mensen van elkaar verschillen in de maatschappij. Welke van de
onderstaande reeksen bevat uitsluitend kenmerken die expliciet in de bron worden
genoemd als dimensies van diversiteit?
A) Afkomst, religie, politieke voorkeur, genderidentiteit, leeftijd en gezinssamenstelling
B) Huidskleur, cultuur, seksuele voorkeur, fysieke gezondheid, sociaaleconomische status
(SES) en geletterdheid
C) Afkomst, huidskleur, cultuur, gender(identiteit), seksuele voorkeur, leeftijd, fysieke
gezondheid en sociaaleconomische status (SES)
D) Nationaliteit, geloofsovertuiging, neurodiversiteit, fysieke gesteldheid, genderidentiteit en
opleidingsniveau
Vraag 3: Een zwangere cliënte die de verloskundige praktijk bezoekt is een Zwarte,
laagopgeleide en lesbische vrouw. Welk theoretisch concept beschrijft het best dat deze
verschillende identiteitskenmerken onlosmakelijk met elkaar samenhangen, elkaar
beïnvloeden en gezamenlijk haar unieke positie in de samenleving bepalen?
A) Subtyping (Subtypering)
B) Intersectionaliteit (Kruispuntdenken)
C) Proportionate universalism (Proportioneel universalisme)
D) Ingroup-outgroup bias (In-groepsbevoordeling)
Pagina 1
, MD-K 5.15 Psychologie – Oefentoets HBO+ Niveau
Vraag 4: Binnen het concept van intersectionaliteit (kruispuntdenken) wordt gesproken
over maatschappelijke verhoudingen. Welke dynamiek wordt hierbij expliciet in de bron
genoemd in relatie tot iemands overlappende identiteitskenmerken?
A) De spanning tussen individuele autonomie en culturele assimilatiedruk.
B) Het ontstaan van communicatieve kloven tussen theoretisch en praktisch opgeleide
groepen.
C) De aanwezigheid van dominante en niet-dominante groepen, gepaard gaand met
privileges of juist meervoudige onderdrukking.
D) De scheiding tussen fysiologische risicogroepen en psychosociale risicogroepen in de
zorg.
Vraag 5: Waarom gebruiken mensen volgens de sociale psychologie onbewust
stereotypen?
A) Om doelgericht anderen uit de eigen groep ('ingroup') te weren.
B) Om de complexe sociale wereld om ons heen te vereenvoudigen via cognitieve
schema's.
C) Om bewuste controle uit te oefenen op interculturele interacties.
D) Om rationele en feitelijk getoetste oordelen over andere groepen te vormen.
Vraag 6: Een verloskundige is ervan overtuigd dat zwangeren met een bepaalde
migratieachtergrond minder therapietrouw zijn. Ze onthoudt specifiek de keren dat een
cliënte uit deze groep inderdaad haar afspraken miste, maar vergeet de vele keren dat
cliënten uit deze groep keurig op tijd waren. Welk psychologisch mechanisme houdt hier
het stereotype in stand?
A) Subtyping (Subtypering)
B) Confirmation bias (Bevestigingsvooroordeel)
C) Outgroup bias (Buiten-groepsbenadeling)
D) Systeem 2-denken (Vertraagd denken)
Vraag 7: Wanneer een verloskundige geconfronteerd wordt met een hoogopgeleide,
uiterst stipte cliënte uit een groep waarvan zij stereotypeert dat deze 'vaak te laat en
ongeorganiseerd' is, beschouwt zij deze specifieke cliënte als 'een uitzondering op de
regel'. Welk psychologisch mechanisme is hier actief?
A) Confirmation bias
B) Ingroup bias
C) Subtyping (Subtypering)
D) Stereotypedreiging
Vraag 8: Wat is het belangrijkste functionele verschil tussen expliciete en impliciete
stereotypen?
A) Expliciete stereotypen leiden tot actieve discriminatie; impliciete stereotypen hebben
geen invloed op ons feitelijke gedrag.
Pagina 2