OEFENTOETS
MD-K 5.9 Aandoeningen tractus uropoëticus in de zwangerschap en kraamperiode
Toetsing op HBO+ Niveau — 30 Meerkeuzevragen met uitgebreide toelichting
Deel 1
1. Urineweginfecties (UWI): Asymptomatische bacteriurie, Cystitis en Pyelonefritis
Vraag 1: UWI prevalentie in zwangerschap en kraamperiode
Wat zijn de geschatte prevalenties van urineweginfecties (UWI) respectievelijk tijdens de
zwangerschap en tijdens de kraamperiode volgens de klinische literatuur?
A) Zwangerschap: 1-2%, kraamperiode: 1-2%
B) Zwangerschap: 2-10%, kraamperiode: 2-4%
C) Zwangerschap: 5-15%, kraamperiode: 1-2%
D) Zwangerschap: 10-20%, kraamperiode: 5-10%
Vraag 2: Fysiologische veranderingen en urineleiderdilatatie
Welke fysiologische factoren zijn tijdens de zwangerschap primair verantwoordelijk voor de dilatatie
van de ureters en het nierbekken?
A) Mechanische compressie door de groeiende uterus in combinatie met de spierverslappende
werking van progesteron en prostaglandinen.
B) Hypertrofie van de blaashals onder invloed van oestrogenen en verhoogde intra-abdominale
druk.
C) Chronische dehydratatie leidend tot verminderde mictiefrequentie en verhoogde urinepH.
D) Actieve contracties van de urineleiders gestimuleerd door stijgende oxytocinespiegels.
Vraag 3: Meest voorkomende pathogeen
Welke verwekker is verantwoordelijk voor de grote meerderheid (circa 85%) van de urineweginfecties
tijdens de zwangerschap en kraamperiode?
A) Streptococcus agalactiae (Groep B-streptokokken / GBS)
B) Staphylococcus saprophyticus
C) Escherichia coli
D) Klebsiella pneumoniae
Pagina 1
, MD-K 5.9 — Oefentoets Tractus Uropoëticus in de Zwangerschap en Kraamperiode
Vraag 4: Fysiologische voedingsbodem voor bacteriën
Waarom vormt de achtergebleven urine in de blaas tijdens de zwangerschap een extra ideale
voedingsbodem voor bacteriële groei vergeleken met niet-zwangere vrouwen?
A) Door een daling van de blaascapaciteit waardoor urine sneller geconcentreerd raakt.
B) Omdat de nieren tijdens de zwangerschap meer glucose en aminozuren uitscheiden.
C) Door een sterke daling in de uitscheiding van calciumoxalaatkristallen.
D) Omdat de blaasmucosa minder doorbloed en atrofe is.
Vraag 5: Postpartum risicofactoren voor UWI
Welke fysiologische en iatrogene factoren verhogen het risico op urineweginfecties in de
kraamperiode (postpartum)?
A) Blaashypotonie, blaastrauma tijdens de baring en eventuele katheterisaties.
B) Acute stijging van de progesteronspiegels en daling van de blaascapaciteit.
C) Het gebruik van epidurale anesthesie die de urethrale tonus reflexmatig verhoogt.
D) Hyperactiviteit van de detrusorspier door de abrupte daling van intra-abdominale druk.
Vraag 6: Diagnostiek bij verdenking UWI
Wat is de juiste diagnostische procedure bij een zwangere vrouw of kraamvrouw bij wie klinisch een
urineweginfectie wordt vermoed?
A) Bij een positieve nitriettest is de diagnose rond en is een urinekweek overbodig.
B) Een urinekweek met resistentiebepaling wordt altijd ingezet, ongeacht de nitriet-uitslag.
C) Er wordt direct verwezen naar de tweede lijn voor bloedonderzoek (infectieparameters)
alvorens urineonderzoek te doen.
D) Er wordt uitsluitend een sediment bepaald; een kweek is pas geïndiceerd bij falen van
empirische therapie.
Vraag 7: Symptoom differentiatie: Cystitis versus Pyelonefritis
Welke klinische presentatie wijst specifiek op een pyelonefritis (nierbekkenontsteking) in plaats van
een ongecompliceerde cystitis?
A) Pijnlijke aandrang (strangurie), frequent plassen (pollakisurie) en hematurie.
B) Asymptomatisch verloop met uitsluitend een positieve nitriettest.
C) Hoge, piekende koorts, koude rillingen, misselijkheid, braken en (slag)pijn in de flanken
(nierloges).
D) Plotse onhoudbare drang om te plassen zonder koorts of flankpijn.
Pagina 2