OEFENTOETS: HOOGSTAAND CAPUT À TERME
30 Meerkeuzevragen op HBO+ Niveau voor Verloskunde
Deze oefentoets is ontworpen voor studenten Verloskunde op HBO+ niveau. De toets is volledig
gebaseerd op de klinische richtlijnen en theoretische kaders rondom het 'hoogstaand caput à terme'
(Moduledoel 6). Het omvat onderwerpen zoals prevalentie, fysiologisch beloop, maternale en foetale
pathofysiologie, risico's zoals navelstrengprolaps, prenatale en intrapartale diagnostiek, en acute
verloskundige handelingen. Onderaan het document bevindt zich een overzichtelijke antwoordsleutel
en een gedetailleerde, wetenschappelijk onderbouwde toelichting per vraag.
Pagina 1
, Oefentoets: MD-K 5.5 Hoogstaand caput à terme
DEEL I: MULTIPLE-CHOICE VRAGEN
Vraag 1: Wat wordt in de verloskundige fysiologie en pathologie verstaan onder een 'hoogstaand
caput à terme'?
A. De foetale schedel is volledig ingedaald in de bekkenholte maar nog beweeglijk.
B. Het grootste deel van het foetale caput bevindt zich boven de bekkeningang.
C. Het foetale hoofd is gefixeerd in de bekkeningang en kan niet meer handmatig worden
opgeduwd.
D. De foetale schedel bevindt zich ter hoogte van de spinae ischiadicae (vlak Hodge 3).
Vraag 2: Vanaf welke zwangerschapsduur daalt de foetale schedel normaal gesproken in het bekken
in bij Europese nulliparae?
A. Vanaf een zwangerschapsduur van 32 weken of eerder.
B. Vanaf een zwangerschapsduur van 34 weken.
C. Vanaf een zwangerschapsduur van 36 weken of zelfs al eerder.
D. Pas tijdens de actieve ontsluitingsfase van de baring.
Vraag 3: Waarom daalt het foetale caput bij niet-Europese nulliparae (bijvoorbeeld bij vrouwen met
een negroïde achtergrond) vaak pas tijdens de baring in?
A. Dit hangt onder andere samen met een fysiologisch sterkere lordose van de rug.
B. Dit wordt veroorzaakt door een structureel smallere bekkenuitgang.
C. Dit komt door een lagere uteriene tonus tijdens de zwangerschap.
D. Dit houdt verband met een verhoogde incidentie van foetale macrosomie.
Vraag 4: Wat is het fysiologische patroon met betrekking tot de indaling van het caput à terme bij
multiparae?
A. Het caput daalt vrijwel altijd in rond de 36e zwangerschapsweek.
B. Het caput daalt altijd in rond de 38e zwangerschapsweek.
C. Het caput blijft vrijwel altijd hoog of beweeglijk boven de bekkeningang staan tot de baring
begint.
D. Het caput daalt fysiologisch gezien weken eerder in dan bij nulliparae.
Vraag 5: Welke anatomische factor verklaart waarom het caput bij multiparae vaak hoog of
beweeglijk boven de bekkeningang blijft staan?
A. Een nauwere en plattere bekkeningang veroorzaakt door eerdere baringen.
B. Een stuggere uterus- en buikwand die het indalen mechanisch tegenwerkt.
C. Een slappere uteruswand en buikwand na eerdere zwangerschappen, wat de foetus meer
bewegingsruimte geeft.
Pagina 2