Neoplasie – mechanismen van ziekte
1. Basisbegrippen en nomenclatuur
1.1 Inleiding
Kanker = 2e belangrijkste oorzaak van sterfte in België
Cardiovasculaire ziekten = 1e belangrijkste oorzaak van sterfte (hartaanvallen,
hersenbloedingen..), laatste statistieken ongeveer even groot (2022)
• Bij man kanker > CV
• Bij vrouw: CV > kanker
1.2 Definities en algemene begrippen
Neoplasie = ‘nieuwe groei’ = tumor
Kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn!
Moleculaire definitie van een tumor:
• Ontstaan door mutaties
• Clonaal (ontstaan uit één gemeenschappelijke voorloper cel, doorgeven moedercel →
dochtercel)
• Autonome groei (onafhankelijk van externe groeistimuli)
• Bijna alle tumoren hebben twee basiscomponenten
o Clonale cellen
o Reactief tumorstroma (Het lichaam gaat reageren op die tumorcellen, en op
die manier wordt reactief tumorstroma gevormd)
▪ Soms mineure component, soms belangrijke component
Linksboven: een groepje tumorcellen; zowel de cellen als de celkernen zijn onregelmatig
getekend
Linksonder: Op het groepje tumorcellen gaat het lichaam reageren → reactief tumorstroma.
Bestaat uit:
1
, • langwerpige cellen met kleine kern = fibrocyten of fibroblasten
• bindweefselcellen die extracellulaire matrixcomponenten aanmaken macromolecules
tussen de cellen
• Sliertjes in het roze = collageenvezels (macromoleculen tussen de cellen)
• Cirkel met bv erin = bloedvat
• Tumorcellen moeten ook zuurstof en voedingstoffen krijgen om te kunnen groeien
• Blauwe bolletjes = ontstekingscellen = inflammatoire cellen (rechts)
Het immuunsysteem gaat op de tumorcellen gaan reageren. Inflammatoire cellen zijn
afkomstig uit cellen in het bloed (witte bloeddcellen)
Inflammatoire cellen die in reactief tumorstroma voorkomen:
• B-lymfocyten en T-lymfocyten
• Een macrofaag
• De neutrofiele granulociet
Dia 15: reactief tumorstroma (kleuring met hematoxyline en eosine):
• Rechtsonder is de tumor: donkere tumor cellen, bleker stroma (minder collageen,
celrijker)
• De rest: normaal bindweefsel/ stroma met roze collageenvezels.
Dia 16: tumor met veel stroma dat vooral bestaat uit collageenvezels
• De tumorcellen: de blauwere/ paarsere groep(en). De blauwe bolletjes zijn de
celkernen.
1.2.1 Opmerking: het maken en kleuren van weefselcoupes (4 stappen)
Biopsie => paraffineblokje
• Weefsel fixeren in formaldehyde
• Water in het weefsel vervangen door paraffine (kaarsvetachtig)
• Weefsel wordt in plastieken cassette gestoken
• Resectiestukken moeten worden verkleind! (macroscopie: bekijken van
weefselstuk)
• Overnacht impregneren weefsel met paraffine (weefselprocessor)
Paraffineblokje => ongekleurde coupe
• Aansnijden van paraffineblokje mbv microtoom
Ongekleurde coupe => gekleurde coupe
• Gesneden coupes worden aangebracht op een draagglaasje
• Gekleurd met bv hematoxyline en eosine
Gekleurde coupe => microscopisch onderzoek
• Beeld vergroot met microscoop
Dia 26: longweefsel.
Al die holtes zijn longblaasjes. Die longblaasjes wordt afgeleid door een heel dun laagje
cellen: epitheel → pneumocyten → gemodificeerd klierepitheel
2
, 1.2.2 Basisindeling van tumoren:
Benigne tumor (goedaardige tumoren):
• Niet agressief (geen invasie of destructie van weefsel of organen)
• Blijft lokaal,geen uitzaaiing
• Therapie: chirurgie (genezen bij verwijdering)
Maligne tumor (= synoniem is kanker) (kwaadaardige tumoren):
• Agressief (invasie en destructie van nabijgelegen structuren)
• Metastasen (spreiding naar andere organen mogelijk, uitzaaiing)
Prognose van goedaardige tumoren is niet altijd goed en de prognose van kwaadaardige
tumoren is niet altijd slecht.
1.3 Naamgeving van tumoren
Hier gelden 2 basisprincipes:
• Eerste criterium: op basis van het te verwachten klinische gedrag: benigne –
maligne
• Tweede criterium (= histogenetisch criterium):op basis van het weefsel waaruit de
tumor is ontstaan of op basis van het weefsel dat door de tumor wordt nagebootst
Epitheel = dun laagje cellen ter hoogte van de lichaamsopp vb: de huid (epiderm), holle
organen, eronder basale membraan
• Meerlagig squameus epitheel (meerlagig plaveiselcelepitheel)
o huid, mond, keel, strottenhoofd, slokdarm, anus, baarmoederhals
• Eenlagig / klierepitheel
o Maag, dunne darm, rectum, borst (vrouw), prostaat, long
o Stulpt in en vormt klierstructuren
3
, Opmerkingen over naamgeving van tumoren:
• Carcinomen = veel frequenter dan sarcomen
o Contact met carcinogenen bv UV licht, voedsel in darm
o Epitheelcellen hebben een hogere turn-over, meer celdeling → meer kans
op mutaties
• Sommige goedaardige tumoren van steunweefsels zijn wel zeer frequent bv
lipoom (vetbolletje), angioma (huid is rood)
• Soms is niet geweten uit welk celtype een tumor is ontstaan
• Bepaalde tumoren worden aangegeven door een eponiem (eigennaam) Vb.
Burkitt-lymfoma of Ewing-sarcoma (bottumor bij kinderen en jongvolwassenen)
1.4 Vereenvoudigde indeling van maligne tumoren in het algemeen
• Carcinoma
• Sarcoma
• Melanoma = steeds maligne!
• Mesothelioma = steeds maligne!
• Hematologische maligniteiten
o Leukemie = steeds maligne
o Lymfoma = steeds maligne
o Plasmocytoma = steeds maligne
1.4.1 Frequente adenocarcinomen
• Prostaatadenocarcinoma
• Colonadenocarcinoma
• Longadenocarcinoma
• Borstadenocarcinoma
1.4.2 Plaveiselcelcarcinoma
= squameus carcinoma
• Huid, mond, farynx, larynx, slokdarm, long, anus, cervix
Longcarcinomen
• Adenocarcinoma (40-45%): ontstaan uit longblaasjes
• Plaveiselcelcarcinoma (35-40%): ontstaan uit squameus epitheel
• Small cell carcinoma (15%): agressief carcinoom, bestaande uit kleine celletjes
1.4.3 Vereenvoudigde indeling van leukemieën
• Vloeibare kankers uit (voorlopers) witte bloedcellen, aantasten beenmerg en bloed
• Acuut (uit snel delende voorlopercellen, ongedifferentieerde precursorcellen)
o Acute lymfoblastenleukemie (ALL) (lymfoblasten)
o Acute myeloïde leukemie (AML) (myeloïde precursorcellen)
• Chronisch (traag evoluerende, vooral uit mature cellen)
o Chronische lymfocytenleukemie (CLL) (mature lymfocyten)
o Chronische myeloïde leukemie (CML) (neutrofiele granulocyten)
4
1. Basisbegrippen en nomenclatuur
1.1 Inleiding
Kanker = 2e belangrijkste oorzaak van sterfte in België
Cardiovasculaire ziekten = 1e belangrijkste oorzaak van sterfte (hartaanvallen,
hersenbloedingen..), laatste statistieken ongeveer even groot (2022)
• Bij man kanker > CV
• Bij vrouw: CV > kanker
1.2 Definities en algemene begrippen
Neoplasie = ‘nieuwe groei’ = tumor
Kunnen goedaardig of kwaadaardig zijn!
Moleculaire definitie van een tumor:
• Ontstaan door mutaties
• Clonaal (ontstaan uit één gemeenschappelijke voorloper cel, doorgeven moedercel →
dochtercel)
• Autonome groei (onafhankelijk van externe groeistimuli)
• Bijna alle tumoren hebben twee basiscomponenten
o Clonale cellen
o Reactief tumorstroma (Het lichaam gaat reageren op die tumorcellen, en op
die manier wordt reactief tumorstroma gevormd)
▪ Soms mineure component, soms belangrijke component
Linksboven: een groepje tumorcellen; zowel de cellen als de celkernen zijn onregelmatig
getekend
Linksonder: Op het groepje tumorcellen gaat het lichaam reageren → reactief tumorstroma.
Bestaat uit:
1
, • langwerpige cellen met kleine kern = fibrocyten of fibroblasten
• bindweefselcellen die extracellulaire matrixcomponenten aanmaken macromolecules
tussen de cellen
• Sliertjes in het roze = collageenvezels (macromoleculen tussen de cellen)
• Cirkel met bv erin = bloedvat
• Tumorcellen moeten ook zuurstof en voedingstoffen krijgen om te kunnen groeien
• Blauwe bolletjes = ontstekingscellen = inflammatoire cellen (rechts)
Het immuunsysteem gaat op de tumorcellen gaan reageren. Inflammatoire cellen zijn
afkomstig uit cellen in het bloed (witte bloeddcellen)
Inflammatoire cellen die in reactief tumorstroma voorkomen:
• B-lymfocyten en T-lymfocyten
• Een macrofaag
• De neutrofiele granulociet
Dia 15: reactief tumorstroma (kleuring met hematoxyline en eosine):
• Rechtsonder is de tumor: donkere tumor cellen, bleker stroma (minder collageen,
celrijker)
• De rest: normaal bindweefsel/ stroma met roze collageenvezels.
Dia 16: tumor met veel stroma dat vooral bestaat uit collageenvezels
• De tumorcellen: de blauwere/ paarsere groep(en). De blauwe bolletjes zijn de
celkernen.
1.2.1 Opmerking: het maken en kleuren van weefselcoupes (4 stappen)
Biopsie => paraffineblokje
• Weefsel fixeren in formaldehyde
• Water in het weefsel vervangen door paraffine (kaarsvetachtig)
• Weefsel wordt in plastieken cassette gestoken
• Resectiestukken moeten worden verkleind! (macroscopie: bekijken van
weefselstuk)
• Overnacht impregneren weefsel met paraffine (weefselprocessor)
Paraffineblokje => ongekleurde coupe
• Aansnijden van paraffineblokje mbv microtoom
Ongekleurde coupe => gekleurde coupe
• Gesneden coupes worden aangebracht op een draagglaasje
• Gekleurd met bv hematoxyline en eosine
Gekleurde coupe => microscopisch onderzoek
• Beeld vergroot met microscoop
Dia 26: longweefsel.
Al die holtes zijn longblaasjes. Die longblaasjes wordt afgeleid door een heel dun laagje
cellen: epitheel → pneumocyten → gemodificeerd klierepitheel
2
, 1.2.2 Basisindeling van tumoren:
Benigne tumor (goedaardige tumoren):
• Niet agressief (geen invasie of destructie van weefsel of organen)
• Blijft lokaal,geen uitzaaiing
• Therapie: chirurgie (genezen bij verwijdering)
Maligne tumor (= synoniem is kanker) (kwaadaardige tumoren):
• Agressief (invasie en destructie van nabijgelegen structuren)
• Metastasen (spreiding naar andere organen mogelijk, uitzaaiing)
Prognose van goedaardige tumoren is niet altijd goed en de prognose van kwaadaardige
tumoren is niet altijd slecht.
1.3 Naamgeving van tumoren
Hier gelden 2 basisprincipes:
• Eerste criterium: op basis van het te verwachten klinische gedrag: benigne –
maligne
• Tweede criterium (= histogenetisch criterium):op basis van het weefsel waaruit de
tumor is ontstaan of op basis van het weefsel dat door de tumor wordt nagebootst
Epitheel = dun laagje cellen ter hoogte van de lichaamsopp vb: de huid (epiderm), holle
organen, eronder basale membraan
• Meerlagig squameus epitheel (meerlagig plaveiselcelepitheel)
o huid, mond, keel, strottenhoofd, slokdarm, anus, baarmoederhals
• Eenlagig / klierepitheel
o Maag, dunne darm, rectum, borst (vrouw), prostaat, long
o Stulpt in en vormt klierstructuren
3
, Opmerkingen over naamgeving van tumoren:
• Carcinomen = veel frequenter dan sarcomen
o Contact met carcinogenen bv UV licht, voedsel in darm
o Epitheelcellen hebben een hogere turn-over, meer celdeling → meer kans
op mutaties
• Sommige goedaardige tumoren van steunweefsels zijn wel zeer frequent bv
lipoom (vetbolletje), angioma (huid is rood)
• Soms is niet geweten uit welk celtype een tumor is ontstaan
• Bepaalde tumoren worden aangegeven door een eponiem (eigennaam) Vb.
Burkitt-lymfoma of Ewing-sarcoma (bottumor bij kinderen en jongvolwassenen)
1.4 Vereenvoudigde indeling van maligne tumoren in het algemeen
• Carcinoma
• Sarcoma
• Melanoma = steeds maligne!
• Mesothelioma = steeds maligne!
• Hematologische maligniteiten
o Leukemie = steeds maligne
o Lymfoma = steeds maligne
o Plasmocytoma = steeds maligne
1.4.1 Frequente adenocarcinomen
• Prostaatadenocarcinoma
• Colonadenocarcinoma
• Longadenocarcinoma
• Borstadenocarcinoma
1.4.2 Plaveiselcelcarcinoma
= squameus carcinoma
• Huid, mond, farynx, larynx, slokdarm, long, anus, cervix
Longcarcinomen
• Adenocarcinoma (40-45%): ontstaan uit longblaasjes
• Plaveiselcelcarcinoma (35-40%): ontstaan uit squameus epitheel
• Small cell carcinoma (15%): agressief carcinoom, bestaande uit kleine celletjes
1.4.3 Vereenvoudigde indeling van leukemieën
• Vloeibare kankers uit (voorlopers) witte bloedcellen, aantasten beenmerg en bloed
• Acuut (uit snel delende voorlopercellen, ongedifferentieerde precursorcellen)
o Acute lymfoblastenleukemie (ALL) (lymfoblasten)
o Acute myeloïde leukemie (AML) (myeloïde precursorcellen)
• Chronisch (traag evoluerende, vooral uit mature cellen)
o Chronische lymfocytenleukemie (CLL) (mature lymfocyten)
o Chronische myeloïde leukemie (CML) (neutrofiele granulocyten)
4