Hoofdstuk 1- Moral Philosophy and Moral Reasoning. 8
Moraalfilosofie en moreel redeneren 8
De drie gebieden van moraalfilosofie 9
Moreel redeneren 10
Formeel en informeel redeneren 10
Valid en sound 11
Impliciete premissen 11
Logical traps en equivocation 12
Verschillende vormen van redeneren 12
Deductie 12
Inductie 13
Inference to the Best Explanation 13
Analogie 13
Gedachte-experimenten en morele intuïtie 14
Het trolleyprobleem 14
Peter Singer en de verdrinkende kinderen 15
Belangrijke vormen van morele argumentatie 15
Universalization 15
Utilitarisme 16
De IS–OUGHT distinction 16
Belangrijke vormen van morele argumentatie 16
Universalization 16
Utilitarisme 17
De IS–OUGHT distinction 17
Doctrine of Double Effect 17
Logical traps & biases 18
Slippery slope 18
Framing 18
Confirmation bias 19
Logical traps versus biases 19
Hoofdstuk 2 The Good life and the meaningful life. 21
Theorieën over het goede leven 21
Een betekenisvol leven 23
Religie, oceanic feeling en roeping 23
Susan Wolf en het betekenisvolle leven 24
Sartre en existentialisme 24
Viktor Frankl en betekenis in moeilijke omstandigheden 25
Het betekenisvolle leven en moraliteit 25
Hoofdstuk 3 - Cultural Relativism 26
1
, Objectivisme en cultureel relativisme 27
IS–OUGHT distinction 27
Meta-ethiek en moreel realisme 28
Plato en de Form of the Good 28
Relativisme en pseudo-relativisme 29
Culturele verschillen en de bescherming van individuen 29
Genital cutting 30
Cultureel relativisme is niet hetzelfde als individueel subjectivisme 30
Problemen voor cultureel relativisme 31
Modest relativism 31
David Wong en het two-level moral relativism 31
Niveau 1 – Moral core (morele kern) 32
Niveau 2 – Concrete moral rules (concrete morele regels) 32
Hoofdstuk 4 – Nihilism and Subjectivism 33
Moreel nihilisme en subjectivisme 34
Nietzsche en het idee van nihilisme 35
Thrasymachus: rechtvaardigheid is het belang van de sterkste 35
Raskolnikov en de kritiek op gewone moraliteit 36
Moraliteit en het bevorderen van het leven 37
Individual Subjectivism 37
Ideal Knowledge Subjectivism 38
Expressivism 39
Cognitivism en Noncognitivism 40
Een belangrijk probleem voor subjectivism en expressivism 41
Objectieve morele concepten 41
Ethics, language, metaphysics and epistemology 42
Error theory van J. L. Mackie 42
Mackie's argument from queerness 42
Waarom subjectivism aantrekkelijk is 43
Evolutionary debunking arguments 43
Responding to subjectivism 44
Hoofdstuk 5 – Free Will and Moral Responsibility 46
Moral responsibility, morele verantwoordelijkheid 47
Determinisme 47
Agent causation 47
Intuïtief geloof in vrije wil 48
Sommige filosofen stellen dat vrije wil een illusie kan zijn. 48
Determinisme en morele verantwoordelijkheid. 50
Hoofdstuk 6 – Religion and Natural Law 51
Natural law theory (natuurrechtstheorie) 53
Hoofdstuk 7- Egoism 56
2
, Responding to Psychological Egoism 57
Self- interest and evolution 58
Kin altruism = familie 58
Group selection/ Group altruism = groep 58
Reciprocal altruism = voor wat hoort wat 58
Conclusie over psychological egoism 59
Ethical egoism 59
Hoofstuk 8 - The Social contract 60
Morality as a Compromise Agreement 60
Het Prisoner´s dilemma. 62
Developing the Social contract argument 63
Beyond rules and regulations. 64
Hoofdstuk 9 - Utilitarianism: Bentham and Mill 66
Clarifying Utilitarianism 68
Ordinal en cardinal measurement 68
John Stuart Mill and Equality for Women 69
Using Utilitarianism: The Case of Capital Punishment 69
Justifying Utilitarianism Mill’s Proof 70
Hoofdstuk 10 - Challenges for Utilitarianism 71
The Narrowness Objection 71
Agency objection. 72
The evil pleasure objection. 73
The Quality Objection 74
Irrelevance objection. 76
Kritiek op Theory of the Right. 76
Modifying Utilitarianism 77
Two-Level Utilitarianism 78
Sidgwick 78
Problem of Contingency: Gender 80
Mill and Racial Equality 80
Mill en kolonialisme 81
Kritiek op Mill 81
Hoofdstuk 11 Deontology: Kant 82
Deontologie en het verschil met utilitarisme 82
Kants kritiek op het utilitarisme 82
De goede wil (The Good Will) 83
Handelen uit plicht en overeenkomstig de plicht 83
Neigingen en sympathie 84
Mensen als rationeel, vrij en autonoom 84
Het hypothetisch en categorisch imperatief 85
De maxime 85
3
, Universaliseerbaarheid 86
Logische contradictie en contradictie in de wil 86
A-priori moraliteit 87
De vier voorbeelden van Kant 88
1. Suïcide – een perfecte plicht aan jezelf 88
Hoofdstuk - 12 Challenges for Kantian Ethics 91
Waarom Kants vier voorbeelden problemen oproepen 91
Verschillende formuleringen van het categorisch imperatief 91
De formule van de universele wet 92
De formule van de menselijkheid 92
Het koninkrijk der doelen 93
Mensen als middel en als doel op zichzelf 93
Autonomie en heteronomie 94
Kantiaanse ethiek in het echte leven 95
Problemen bij het bepalen van een maxime 95
Kritiek op Kants plicht tegenover suïcide 96
Kritiek op Kants voorbeeld van anderen helpen 96
Kritiek van John Stuart Mill 96
Kant over liegen 96
De moordenaar aan de deur 97
Vrijheid, rede en moraliteit 98
Kant en religie 98
Kritiek van Schopenhauer en Nietzsche 98
Ras en gender 98
Feministische kritiek en ethics of care 99
Hoofdstuk 13 - Virtue Ethics: Aristotle 100
Het goede leven. 101
Deugd en het goede leven 102
Het verwerven van deugd 102
Deugd, ondeugd en de gulden middenweg 103
Externe goederen en het goede leven 104
Hoofdstuk 14- Challenges for Virtue Ethics 106
Er zijn verschillende bezwaren tegen Aristoteles’ deugdethiek. 106
Deugdethiek toegepast op abortus 108
Hoofdstuk 15 - The Ethics of Gender 109
De ethiek van zorg (Ethics of care) 109
Carol Gilligan en verschillende vormen van moreel redeneren 110
Gender, essentialisme en socialisatie 111
Power, Privilege and Diversity 112
Direct and Indirect Discrimination 113
Bestaande ethische theorieën en genderonderdrukking. 114
4
, The master´s Tools and the Master´s House. 114
Onderdrukking als systeem: de birdcage 114
Feministische kritiek op wetenschap 115
Moraliteit als sociale praktijk 115
Beyond the Binary Divide 116
Intersekse en classificatie 116
Gender fluidity en transgender 117
Het Michigan Womyn's Music Festival 117
Intersectionaliteit en diversiteit 118
Taking Action: van kritiek naar verandering 118
Hoofdstuk 16 - Ethics of Race 121
Defining Race. 121
Ras en biologie 122
Racial Eliminativism en Social Construction 122
Defining racism – Racisme definiëren 123
Scientific racism en cultural racism 124
1. Scientific racism 124
2. Cultural racism 124
Racial designations 124
Institutional racism – Institutioneel racisme 125
Microaggression – Microagressie 126
Algoritmen en discriminatie 126
Racial experience – Raciale ervaring 127
De historische achtergrond van raciale ervaring 127
Double consciousness – Dubbel bewustzijn 128
Racial Diversity and Mixed Race 128
Mixed Race 128
Race and Gender 129
Developing an Ethics of Race: Black Lives Matter 130
Universal morality is niet altijd voldoende 130
A Project of Repair 131
Charles Mills: geschiedenis en white supremacy 131
White privilege en de social contract theory 132
Antiracist Policies 133
Kritiek op affirmative action 133
Kantiaanse kritiek 134
Argumenten vóór affirmative action 134
Integration argument 135
Reparations 135
Hoofdstuk 17- Philosophy in Practice: Hunger and Health 138
Morele theorieën toepassen 138
5
, Morele theorieën toepassen: wereldhonger 139
Peter Singer en de morele plicht om te helpen 139
Singers argument 140
Het principe van Singer 140
Het bezwaar van over-demandingness 140
Singer en utilitarisme 141
Singer en Kant 141
Wereldhonger, deugdethiek en zorgethiek 141
Deugdethiek 142
Michael Slote en empathie 142
De grenzen van empathie 142
Zorgethiek en relaties tussen mensen 143
Wat we van de verschillende theorieën kunnen leren 143
Ongemakkelijke morele vragen: ethiek en gezondheid 143
Gezondheid, sociale ongelijkheid en de verdeling van zorg 144
Gezondheid wordt niet alleen bepaald door medische zorg 144
De sociale determinanten van gezondheid 145
Gezondheid als sociaal probleem 145
Individueel gedrag en persoonlijke verantwoordelijkheid 145
De rol van de overheid in gezondheid 146
Gezondheid en macht 146
Kantiaanse en libertaire benaderingen 147
Rawls en rechtvaardigheid 147
Gezondheidszorg als recht 147
De verschillen tussen zorgstelsels 148
Schaarste in de gezondheidszorg 148
Prioriteiten stellen 148
QALY's 149
Leeftijd en prioriteit 149
Triage en de verdeling van zorg 150
Persoonlijk gedrag en toegang tot zorg 150
Gezondheid, politiek en beleid 150
Gezondheid als collectieve verantwoordelijkheid 150
Eindgedachte 151
Hoofdstuk 18 - Contemporary Moral Questions 152
De doodstraf 152
Kant en de doodstraf 153
Straf, karakter en deugden 154
Care ethics en herstel 154
Wie krijgt de doodstraf? 155
Euthanasie 155
6
, James Rachels: doden en laten sterven 156
Een consequentialistische benadering van euthanasie 156
Een Kantiaanse benadering van euthanasie 157
Onora O'Neill en autonomie 157
Philippa Foot: rechtvaardigheid en liefdadigheid 158
Zorgen over positieve euthanasie 158
Abortus 159
Judith Jarvis Thomson en het recht op het eigen lichaam 159
Mary Anne Warren en het verschil tussen mens-zijn en persoon-zijn 160
Deugdethiek en de context van een zwangerschap 160
Dierenrechten 161
Peter Singer en gelijke belangen 161
Kant en dieren 161
Christine Korsgaard en dieren als wezens met een eigen goed 161
Aristotelische benaderingen 162
Klimaatverandering 162
Een moreel probleem van tijd en verantwoordelijkheid 162
Aldo Leopold en de landethiek 163
Klimaatverandering en toekomstige generaties 163
Wie bepaalt de morele agenda? 163
De urgentie van handelen 164
Economic Justice – economische rechtvaardigheid 164
Structurele onrechtvaardigheid 164
De rol van burgers 165
The Ethics of Artificial Intelligence – de ethiek van kunstmatige intelligentie 165
Artificial Special Intelligence 166
Artificial General Intelligence 166
AI leert van patronen 166
Bias en discriminatie 167
AI bij het selecteren van mensen 167
Het alignment problem 167
Existential risk 168
AI en onderwijs 168
Gelijke kansen 169
Een snel veranderende toekomst 169
Prima facie duties 169
Deepening Your Moral Outlook 170
Morele pluraliteit 170
Reflectief evenwicht 171
Glossary 174
7
,Hoofdstuk 1- Moral Philosophy and Moral
Reasoning.
Moraalfilosofie en moreel redeneren
Moraalfilosofie is het systematisch en kritisch nadenken over moraliteit. Het gaat niet alleen om
de vraag wat goed of fout is, maar ook om waarom iets goed of fout is en hoe we morele
opvattingen kunnen onderbouwen. Moraalfilosofie helpt ons om onze morele overtuigingen
kritisch te onderzoeken, morele argumenten te beoordelen, na te denken over wat we zouden
moeten doen en een onderbouwde morele visie te ontwikkelen.
Moraalfilosofie kent een lange geschiedenis. Al vanaf de oudheid denken filosofen systematisch
na over de vraag hoe mensen goed moeten leven en wat juist handelen is.
Oudheid
Denker Periode Wat verbindt deze Korte uitleg
denker?
Plato Oudheid Het goede Vroeg nadenken over wat het goede is en hoe mensen
zouden moeten leven.
Aristoteles Oudheid Goed leven / Een goed leven ontstaat door het ontwikkelen van
deugdethiek deugden en een goed mens te worden.
Epicurus Oudheid Geluk / goed leven Een goed leven draait om geluk, rust en het vermijden
van onnodig lijden en angst.
Moderne moraalfilosofie
Denker Periode Wat verbindt deze Korte uitleg
denker?
David Hume 18e eeuw Is–ought distinction Uit een feitelijke uitspraak over wat is, volgt niet
automatisch wat zou moeten zijn. Er is een normatieve
stap nodig.
Jeremy 18e–19e Utilitarisme Een handeling is juist wanneer deze leidt tot het
Bentham eeuw grootst mogelijk algemene geluk oplevert.
8
,John Stuart 19e eeuw Utilitarisme Bouwt het utilitarisme verder uit en benadrukt dat niet
Mill alleen de hoeveelheid, maar ook de kwaliteit van geluk
belangrijk is.
Immanuel 18e eeuw Universalization Een morele regel moet universeel toepasbaar zijn. Je
Kant moet kunnen willen dat iedereen volgens die regel
handelt.. Vraag bijvoorbeeld: "Kan ik willen dat de
regel achter mijn handeling een algemene regel voor
iedereen wordt? "
William 18e–19e Utilitarisme + thought Gebruikt een hypothetisch dilemma om te laten zien
Godwin eeuw experiment dat we zouden moeten handelen op een manier die
het meeste algemene welzijn voortbrengt.
Hedendaagse moraalfilosofie
Denker Periode Wat verbindt deze Korte uitleg
denker?
Philippa 20e eeuw Trolleyprobleem Introduceerde het trolleyprobleem: mag je één persoon
Foot opofferen om vijf anderen te redden? Het laat zien dat
onze morele intuïties niet altijd eenvoudig of consistent
zijn.
Peter Singer 20e–21e Morele plicht om te Als je iemand met weinig kosten voor jezelf een belangrijk
eeuw helpen voordeel kunt geven, heb je volgens Singer een morele
reden/plicht om dat te doen. Dit past hij toe op
bijvoorbeeld liefdadigheid.
De drie gebieden van moraalfilosofie
Gebied Centrale vraag Waar gaat het over?
Meta-ethiek Wat is moraal? De aard, betekenis en grondslag van morele
uitspraken.
Normatieve ethiek Wat zouden we moeten doen? Algemene principes en normen voor juist
handelen.
Toegepaste ethiek Wat moeten we in deze concrete Toepassing van morele principes op concrete
situatie doen? vraagstukken.
9
, Moreel redeneren
Morele filosofie gaat niet alleen over de vraag wat iemand vindt, maar vooral over de vraag of
een moreel standpunt goed onderbouwd en logisch verdedigbaar is. Alleen zeggen dat je
iets goed of verkeerd vindt, is daarom niet voldoende. Binnen de morele filosofie is het
belangrijk dat je kunt uitleggen waarom je tot een bepaald moreel oordeel komt.
Moreel redeneren betekent dat je redenen geeft voor een moreel oordeel en vervolgens
onderzoekt of deze redenen de conclusie daadwerkelijk ondersteunen. Het doel van filosofisch
redeneren is dus niet alleen om een mening te geven, maar om duidelijk te maken waarom een
bepaalde conclusie redelijk of verdedigbaar is.
Een morele redenering kan bijvoorbeeld als volgt worden opgebouwd:
1. Premisse: Mensen mogen anderen niet onnodig schade toebrengen.
2. Premisse: Deze handeling brengt iemand onnodig schade toe.
3. Conclusie: Dus: deze handeling is moreel verkeerd.
De eerste twee uitspraken vormen de redenen voor de conclusie. Deze redenen worden
premissen genoemd. De laatste uitspraak is de conclusie.
Een argument bestaat dus uit één of meer premissen die samen worden gebruikt om een
conclusie te ondersteunen. Je kunt de structuur als volgt weergeven:
Premissen → ondersteunen → conclusie
Om een moreel argument goed te kunnen beoordelen, moet daarom niet alleen worden
gekeken naar de conclusie. Ook moet worden onderzocht of de premissen goed onderbouwd
zijn en of de conclusie daadwerkelijk uit deze premissen volgt.
Formeel en informeel redeneren
Bij het beoordelen van argumenten kan onderscheid worden gemaakt tussen formeel en
informeel redeneren.
Bij formeel redeneren wordt vooral gekeken naar de logische structuur of vorm van een
argument. De inhoud van de uitspraken is daarbij minder belangrijk. De centrale vraag is of de
conclusie logisch uit de premissen volgt.
10