Werkzitting 1
Inleiding
hematologisch onderzoek= zeer zorgvuldig onderzoek van alle bestanddelen waaruit het
bloed is opgebouwd.
2 basisbegrippen:
1) kwantificatie/bepaling aantal van elk cellulair element (RBC, WBC, BPL)
2) microscopisch onderzoek/beoordeling morfologie van RBC, WBC, BPL
+ bijkomende chemische analyses:
● bepaling ijzergehalte serum
● bepaling foliumzuur- en vitamine B12 concentratie
● eiwitonderzoek (eiwitelektroforese/dosering specifieke eiwitten)
● …
resultaten analyses voor:
● diagnose bepaalde hematologische ziektes
● bijkomende informatie bij andere ziektebeelden
● effect behandeling opvolgen
samenstelling bloed
volwassenen → 4-6 L bloed
bloed:
● vloeistof met dichtheid 1055 g/L ~ dichtheid water
● viscositeit bloed: 5x water
● homogeniteit goed gehandhaafd → voortdurend beweging + bloedcellen stoten
elkaar af als gevolg van negatieve elektrische lading in bloedcellen
centrifugeren:
● bloed (afhankelijk voorbehandeling) gescheiden in plasma/serum (supernatans) en
gefigureerde elementen (sedimenterend gedeelte)
● dichtheid bloedcellen > dichtheid plasma/serum → bloedcellen zakken naar beneden
plasma-serum
Bloed in buis → stollingssysteem geactiveerd (calciumionen nodig) → trombine gevormd
Trombine: fibrinogeen → fibrine → netwerk draden (fibrinenetwerk) → houdt celelementen
vast → bloedklonter/bloedkoek, er verzamelt ook een serum
,wij hebben totaal bloed nodig → zorgen dat bloed niet stolt → toevoegen anticoagulans=
bloed blijft vloeibaar. Centrifugeren: beneden gefigureerde celelementen, boven plasma
-
𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 − 𝑎𝑛𝑡𝑖𝑐𝑜𝑎𝑔𝑢𝑙𝑎𝑛𝑠 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑡 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑𝑘𝑜𝑒𝑘 + 𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚
𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 + 𝑎𝑛𝑡𝑖𝑐𝑜𝑎𝑔𝑢𝑙𝑎𝑛𝑠 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑡 𝑛𝑖𝑒𝑡 → 𝑐𝑒𝑙𝑒𝑙𝑒𝑚𝑒𝑛𝑡𝑒𝑛 + 𝑝𝑙𝑎𝑠𝑚𝑎
𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚 = 𝑝𝑙𝑎𝑠𝑚𝑎 − 𝑓𝑖𝑏𝑟𝑖𝑛𝑜𝑔𝑒𝑒𝑛 (+ 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑙𝑖𝑛𝑔𝑠𝑓𝑎𝑐𝑡𝑜𝑟𝑒𝑛)
volbloed/totaal bloed → hematologisch routine-onderzoeken zoals tellen verschillende
bloedcellen en microscopisch onderzoek.
● plasma → stollingsonderzoeken
● serum → chemische analyses + bloedtransfusie testen
gefigureerde elementen
o.b.v. grootte, vorm, eigenschappen en functies kunnen bloedcellen onderscheiden worden:
● rode bloedcellen (RBC) of erytrocyten
● witte bloedcellen (WBC) of leukocyten
● bloedplaatjes (BPL) trombocyten
RODE BLOEDCELLEN
● talrijkst aanwezig in bloed
● referentiewaarden
○ man: 4,20-5,70.10^12/L of 4,20-5,70.10^6/µL
○ vrouw: 3,80-5,20.10^12/L of 3,80-5,20.10^6/µL
● niet gekernde cellen → bevatten hemoglobine
● hemoglobine:
, ○ ijzer-proteine complex
○ roos
● RBC: 7-8µ goot en 120 dagen
○ functie: zuurstofvoorziening weefsel
WITTE BLOEDCELLEN
● groter dan RBC
● minder in aantal
● hebben kern
● 2 dagen
● referentiewaarden:
○ 4,0-10.10^9/L of 4,0-10.10^3/µL
● heterogene groep:
○ granulocyten:
■ in cytoplasma: korrels
■ afhankelijk soort korrel:
● neutrofiele granulocyt (45-70%)
○ staafkernige en gesegmenteerde
neutrofiele granulocyten
○ staafkernige kern/gesegmenteerde kern
(2-5 lobben)
○ fijne korreling in cytoplasma
○ rozig cytoplasma
● eosinofiele granulocyt (0-3%)
○ 2 lobbige kern
○ dikke rosbruine/oranje korrels in cytoplasma
● basofiele granulocyt (0-1%)
○ 3 lobbige kern (niet zichtbaar)
○ dikke donkerblauwe korrels in cytoplasma en op kern
■ mononucleairen:
● lymfocyten (20-45%)
○ 7-16µ
○ blauw cytoplasma
○ geen korreling in cytoplasma
○ ronde kern
● monocyten (2-10%)
○ 16-20µ
○ grijsblauw cytoplasma
○ boonvormige kern
○ soms vacuole in cytoplasma
● functie: bescherming gastheer tegenover alle lichaamsvreemde
organismen
, BLOEDPLAATJES
● kleinste cellen in bloed
● cytoplasma, maar geen kern
● 4µ groot en 10 dagen
● referentiewaarden 150-400.10^9/L of 150-400.10^3/µL
● functie: helpen bloedstelping
functies bloed
● transport gassen
○ O2 en CO2 dankzij hemoglobine
● transport diverse stoffen
○ brandstoffen: glucose, vrije vetzuren, etc
○ bouwstoffen: AZ, vetten, vitaminen, etc
○ afvalstoffen: bilirubine, etc
○ regulatie stoffen: hormonen, etc
● verdedigingsfunctie
○ bloed transporteert lysines, antistoffen etc naar plaatsen infectie
● warmteregulatie
○ transporteert warme van weefsels naar huid en longen daarna omgeving
● waterhuishouding
○ regulatie vochtbalans in lichaam
bloedafname en staalbehandeling
BLOEDAFNAME
afhankelijk plaats, 3 soorten bloed:
● capillair
● veneus
● arterieel bloed
Capillair
● afkomstig kleine arteriolen of haarvaatjes
● aanprikken met steriel lancetje
● prikplaatsen: vingertop (niet duim en pink), oorlel (stollingstijd), hiel (pasgeboren)
● gebruikt: Point of Care testen (POCT) → enkele druppels nodig (vb glucosebepaling)
● capillair bloed voor bloeduitstrijkje, opletten artefacten:
○ trombocyten trosjes
○ onregelmatige liggen cellen
○ fibrinedraden
○ uitgerokken cellen
Inleiding
hematologisch onderzoek= zeer zorgvuldig onderzoek van alle bestanddelen waaruit het
bloed is opgebouwd.
2 basisbegrippen:
1) kwantificatie/bepaling aantal van elk cellulair element (RBC, WBC, BPL)
2) microscopisch onderzoek/beoordeling morfologie van RBC, WBC, BPL
+ bijkomende chemische analyses:
● bepaling ijzergehalte serum
● bepaling foliumzuur- en vitamine B12 concentratie
● eiwitonderzoek (eiwitelektroforese/dosering specifieke eiwitten)
● …
resultaten analyses voor:
● diagnose bepaalde hematologische ziektes
● bijkomende informatie bij andere ziektebeelden
● effect behandeling opvolgen
samenstelling bloed
volwassenen → 4-6 L bloed
bloed:
● vloeistof met dichtheid 1055 g/L ~ dichtheid water
● viscositeit bloed: 5x water
● homogeniteit goed gehandhaafd → voortdurend beweging + bloedcellen stoten
elkaar af als gevolg van negatieve elektrische lading in bloedcellen
centrifugeren:
● bloed (afhankelijk voorbehandeling) gescheiden in plasma/serum (supernatans) en
gefigureerde elementen (sedimenterend gedeelte)
● dichtheid bloedcellen > dichtheid plasma/serum → bloedcellen zakken naar beneden
plasma-serum
Bloed in buis → stollingssysteem geactiveerd (calciumionen nodig) → trombine gevormd
Trombine: fibrinogeen → fibrine → netwerk draden (fibrinenetwerk) → houdt celelementen
vast → bloedklonter/bloedkoek, er verzamelt ook een serum
,wij hebben totaal bloed nodig → zorgen dat bloed niet stolt → toevoegen anticoagulans=
bloed blijft vloeibaar. Centrifugeren: beneden gefigureerde celelementen, boven plasma
-
𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 − 𝑎𝑛𝑡𝑖𝑐𝑜𝑎𝑔𝑢𝑙𝑎𝑛𝑠 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑡 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑𝑘𝑜𝑒𝑘 + 𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚
𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 + 𝑎𝑛𝑡𝑖𝑐𝑜𝑎𝑔𝑢𝑙𝑎𝑛𝑠 → 𝑏𝑙𝑜𝑒𝑑 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑡 𝑛𝑖𝑒𝑡 → 𝑐𝑒𝑙𝑒𝑙𝑒𝑚𝑒𝑛𝑡𝑒𝑛 + 𝑝𝑙𝑎𝑠𝑚𝑎
𝑠𝑒𝑟𝑢𝑚 = 𝑝𝑙𝑎𝑠𝑚𝑎 − 𝑓𝑖𝑏𝑟𝑖𝑛𝑜𝑔𝑒𝑒𝑛 (+ 𝑠𝑡𝑜𝑙𝑙𝑖𝑛𝑔𝑠𝑓𝑎𝑐𝑡𝑜𝑟𝑒𝑛)
volbloed/totaal bloed → hematologisch routine-onderzoeken zoals tellen verschillende
bloedcellen en microscopisch onderzoek.
● plasma → stollingsonderzoeken
● serum → chemische analyses + bloedtransfusie testen
gefigureerde elementen
o.b.v. grootte, vorm, eigenschappen en functies kunnen bloedcellen onderscheiden worden:
● rode bloedcellen (RBC) of erytrocyten
● witte bloedcellen (WBC) of leukocyten
● bloedplaatjes (BPL) trombocyten
RODE BLOEDCELLEN
● talrijkst aanwezig in bloed
● referentiewaarden
○ man: 4,20-5,70.10^12/L of 4,20-5,70.10^6/µL
○ vrouw: 3,80-5,20.10^12/L of 3,80-5,20.10^6/µL
● niet gekernde cellen → bevatten hemoglobine
● hemoglobine:
, ○ ijzer-proteine complex
○ roos
● RBC: 7-8µ goot en 120 dagen
○ functie: zuurstofvoorziening weefsel
WITTE BLOEDCELLEN
● groter dan RBC
● minder in aantal
● hebben kern
● 2 dagen
● referentiewaarden:
○ 4,0-10.10^9/L of 4,0-10.10^3/µL
● heterogene groep:
○ granulocyten:
■ in cytoplasma: korrels
■ afhankelijk soort korrel:
● neutrofiele granulocyt (45-70%)
○ staafkernige en gesegmenteerde
neutrofiele granulocyten
○ staafkernige kern/gesegmenteerde kern
(2-5 lobben)
○ fijne korreling in cytoplasma
○ rozig cytoplasma
● eosinofiele granulocyt (0-3%)
○ 2 lobbige kern
○ dikke rosbruine/oranje korrels in cytoplasma
● basofiele granulocyt (0-1%)
○ 3 lobbige kern (niet zichtbaar)
○ dikke donkerblauwe korrels in cytoplasma en op kern
■ mononucleairen:
● lymfocyten (20-45%)
○ 7-16µ
○ blauw cytoplasma
○ geen korreling in cytoplasma
○ ronde kern
● monocyten (2-10%)
○ 16-20µ
○ grijsblauw cytoplasma
○ boonvormige kern
○ soms vacuole in cytoplasma
● functie: bescherming gastheer tegenover alle lichaamsvreemde
organismen
, BLOEDPLAATJES
● kleinste cellen in bloed
● cytoplasma, maar geen kern
● 4µ groot en 10 dagen
● referentiewaarden 150-400.10^9/L of 150-400.10^3/µL
● functie: helpen bloedstelping
functies bloed
● transport gassen
○ O2 en CO2 dankzij hemoglobine
● transport diverse stoffen
○ brandstoffen: glucose, vrije vetzuren, etc
○ bouwstoffen: AZ, vetten, vitaminen, etc
○ afvalstoffen: bilirubine, etc
○ regulatie stoffen: hormonen, etc
● verdedigingsfunctie
○ bloed transporteert lysines, antistoffen etc naar plaatsen infectie
● warmteregulatie
○ transporteert warme van weefsels naar huid en longen daarna omgeving
● waterhuishouding
○ regulatie vochtbalans in lichaam
bloedafname en staalbehandeling
BLOEDAFNAME
afhankelijk plaats, 3 soorten bloed:
● capillair
● veneus
● arterieel bloed
Capillair
● afkomstig kleine arteriolen of haarvaatjes
● aanprikken met steriel lancetje
● prikplaatsen: vingertop (niet duim en pink), oorlel (stollingstijd), hiel (pasgeboren)
● gebruikt: Point of Care testen (POCT) → enkele druppels nodig (vb glucosebepaling)
● capillair bloed voor bloeduitstrijkje, opletten artefacten:
○ trombocyten trosjes
○ onregelmatige liggen cellen
○ fibrinedraden
○ uitgerokken cellen