functieleer (2) – motivatie en emotie
HS 1: wetenschappelijke cyclus
psychologie: studie van gedrag en geest (- bestaande uit cognitie, motivatie, emotie)
1.1 THEORIEËN LEVEREN VERKLARINGEN
verklaring = activiteit waarbij een explanandum (= het te verklaren fenomeen) gelinkt wordt aan een
explanans (= verklarend feit)
• vb: fenomeen van water (explanandum) linken aan H2O (explanans)
• verklaren van fenomeen vraagt 2 stappen:
o (1) afbakening of definitie van het explanandum
o (2) zoektocht naar een explanans
• de stappen in deze verklaring maken deel uit van cyclus met 4 stappen…
STAP 1 voorlopige afbakening of werkdefinitie van explanandum (lijst van oppervlakkige kenmerken)
vb: water is vloeibaar, helder, geurloos, loopt in rivieren, valt uit de lucht, …
STAP 2 ontwikkelen van verklaring waarin explanandum gelinkt wordt aan explanans
vb: moleculaire structuur van water is gelijk aan H2O
STAP 3 verklaring testen in empirisch onderzoek
vb: staaltjes nemen en nagaan of moleculaire structuur daadwerkelijk gelijk is aan H2O
STAP 4 indien voldoende bevestig: explanans wordt deel van definitie en vervangt de voorlopige
kenmerken, dit is een empirisch onderbouwde wetenschappelijke definitie
cyclus kan herhaald worden steeds vanaf stap 2 om definitie en verklaringen steeds meer aan te
scherpen… van zodra consensus over wetenschappelijke definitie, kan deze gebruikt worden om
nieuwe predicties te maken (vb: bij hoeveel graden verdampt, kookt, bevriest water?)
1.2 TYPES VAN DEFINITIES EN VERKLARINGEN, LEVELS VAN ANALYSE
1.2.1 types van definities
WERKDEFINITIE VS WETENSCHAPPELIJKE DEFINITIE
werkdefinitie • descriptief
• beschrijving van manier waarop leken in dagelijks leven term gebruiken
wetenschappelijke • prescriptief
definitie • beschrijving door wetenschappers hoe term gebruikt zou moeten worden
INTENSIONELE VS EXTENSIONELE DEFINITIE
(mutueel afhankelijk)
1
,functieleer (2) – motivatie en emotie
intensionele noodzakelijke en voldoende voorwaarden waaraan exemplaar moet voldoen
definitie om tot de set te behoren
extensionele opsomming van alle exemplaren die in de set zitten
definitie
DIVISIO-DEFINITIE
divisio-definitie somt geen exemplaren op maar wel subsets binnen de set
—> set intern structureren
• meerdere manieren om set op te splitsen in subsets
o vb: auto’s opdelen obv kleur, merk, paardenkracht, …
• keuze van subset is afh. van context
o vb: kleur bij huwelijk, grootte bij groot gezin
verband: wetenschappelijke definities en werkdefinities kunnen beide in intensioneel, extensioneel en
divisioformaat voorkomen
1.2.2 types van verklaringen
TYPES VAN VERKLARINGEN
structureel stelt wat de componenten van een fenomeen zijn en de relaties hiertussen
vb: een kater bestaat uit hoofdpijn, droge mond, misselijkheid
causaal stelt wat oorzaak van fenomeen is
vb: om kater te onderscheiden van griep
(en die oorzaak ligt op hetzelfde level van analyse als fenomeen zelf)
vb: oorzaak van kater is teveel alcohol drinken
mechanistisch stelt wat de onderliggende processen zijn in transitie van oorzaak naar e`ect
• decompositie van processen in subprocessen
• legt uit hoe bouwstenen interageren om explanandum te produceren
• causale relaties
• explanans van mechanistische verklaringen kan op verschillende
levels van analyse gebeuren: low-level en high-level
1.2.3 levels van analyse
LEVELS VAN ANALYSE
observeerbaar level systeem produceert observeerbare output in reactie op observeerbare input
• proces = transitie tussen input en output
• processen beschreven itv input, output, relatie tussen input-output
• alles tussen input en output is een black box
mentaal level proces ontleed in subprocessen waarbij ieder subproces eigen input en output
heeft
• deze tussenliggende inputs en outputs zijn niet obserbeerbaar:
mentale representaties
2
,functieleer (2) – motivatie en emotie
• elk subproces kan weer opgedeeld worden in andere subprocessen,
met als doel om in latere fases van decompositie overeen te komen
met hersenprocessen gesitueerd op hersenlevel
hersenlevel black boxen worden gematerialiseerd in hersenprocessen
besluit:
theorie-ontwikkeling start met descriptieve set (vb. lucht = transparant, geurloos gas dat atmosfeer en
longen vult – cf. Aristoteles: 1 van de 4 elementen) -> verklaring ontwikkelen met als doel
gemeenschappelijke noemer vinden om set af te bakenen
• niet gevonden? set is niet wetenschappelijk, op zoek gaan naar andere sets die dat wel zijn
• vb: voor lucht kon geen elegante structurele verklaring gevonden worden -> bestaat uit
verschillende stoffen met eigen eigenschappen, geen gemeenschappelijke noemer -> geen
adequate wetenschappelijke set -> componenten in lucht beschouwen als nieuwe explananda
3
,functieleer (2) – motivatie en emotie
HS 2: motivatie -
wetenschappelijke cyclus toegepast
2.1 SITUERING
2.1.1 motivatietheorieën, gedragstheorieën
gedragstheorieën theorieën die gedrag willen verklaren: gedrag als explanandum
motivatietheorieën subset v gedragstheorieën die motivatie gebruiken als explanans voor gedrag1
motivatie = verzamelnaam van diverse motivationele constructen (doelen, behoeften, noden,
drijfveren, verlangens, intenties, …) —> we gebruiken doel als term in brede betekenis, overlappend
met al deze constructen: dit zijn mentale representaties2 van een gewenste toestand in de toekomst
2.1.2 doelen als mentale representaties
mentale representaties (waaronder dus in dit geval doelen), onderscheid tussen inhoud en formaat:
• inhoud (vb: slagen voor examen, naar huis fietsen, ei bakken, de zon schijnt… kan alles zijn)
• formaat
o dynamische representaties: doelen
§ leiden tot gedrag (vb: eten)
§ activatie ↑ over tijd, zelfs bij obstakels (tenzij belangrijker doel geactiveerd)3
§ na poging doel te bereiken: evaluatie en tijdelijke inhibitie (vb: geen honger meer)
§ activatie kan enkel gestopt worden door competitie met ander sterker doel4
o niet-dynamische - cognitieve - representaties
§ leiden niet tot gedrag (tenzij indien gekoppeld worden aan een doel5)
§ activatie ↓ over tijd
§ afgebroken als er iets anders tussenkomt
§ soorten:
• overtuigingen (inhoud als waar beschouwd)
• verwachtingen (inhoud wordt verwacht op te treden in de toekomst)
• zuivere representaties, gedachten (enkel intern erover nadenken)
1
onderscheid tussen kwaliteit (aard) van gedrag en kwantiteit (hoeveelheid, intensiteit) van gedrag
—> sommige theorieën verklaren beter kwaliteit, andere beter kwantiteit
2
ipv mysterieuze rondzwevende entiteiten
3
vb: als Alma toe is, dan ga je op zoek naar een broodjeszaak of supermarkt
4
vb: er breekt brand uit in de Alma -> doel om te overleven sterker dan doel om te eten
5
vb: loutere gedachte aan eten leidt niet per se tot eetgedrag, tenzij gekoppeld aan het doel honger stillen
4
,functieleer (2) – motivatie en emotie
2.2 INHOUD EN ORGANISATIE VAN DOELEN
vertrekpunt: ontelbaar aantal doelen georganiseerd in doelhiërarchie
( = boomdiagram waarbij hogere-orde doelen bovenaan, lagere doelen onderaan)
• H-orde doelen belangrijker en meer fundamenteel dan L-orde doelen
o implicatie: vervullen van hogere-orde doelen heeft voorrang
§ cf. Shank & Abelson: biologische noden > prestatienoden > amusementsnoden
o implicatie: lagere-orde doelen meer vervangbaar dan hogere-orde doelen
(meest fundamentele doelen zoals voedsel kunnen wellicht niet vervangen worden)
• L-orde doelen van zelfde vertakking hebben middel-doel relatie tot H-orde doelen
o staan ten dienste van hogere-orde doelen als middel om deze te bereiken
§ vb: studeren ten dienste van diploma, ten dienste van werk, ten dienste van geld
o bijna alle doelen ifv hoger doel
o hoe erachter komen: stel steeds de waarom-vraag, en van zodra geen antwoord meer,
heb je fundamenteel doel gevonden
§ vb: waarom naar les – om cursus te begrijpen, waarom cursus begrijpen –
diploma halen, waarom diploma halen – …
o door middel-doel relatie van lagere tov hogere doelen gaan hogere doelen de lagere
activeren -> om hogere doel te realiseren moet je plannen maken -> concrete (lagere)
gedragsdoelen
§ MAAR: soms gaan lagere-orde doelen eigen leven leiden, komen los te staan van
hogere-orde doelen
- vb: blitse auto bezitten kan doel op zich worden, zonder band met
hogere-orde om doel indruk te maken
- vb: plastische chirurgie wordt na een tijd doel op zich om lichaam te
veranderen, los van initieel hogere-orde doel om uiterlijk te verbeteren
• L-orde doelen zijn concreter ↔ H-orde doelen zijn abstracter
o toepassing wiskunde: variabele is abstract want kan ingevuld worden door verschillende
constanten maar constante is concreet want bevat slechts 1 waarde
o abstractie is continuüm:
§ hoe meer concreet/abstract doel is…
§ … f(door hoe minder/meer concrete subdoelen het ingevuld kan worden)
§ vb: slagen in het leven (geld, roem, …) kan door veel dingen ingevuld worden,
slagen op een examen kan door veel minder ingevuld worden (studeren)
o abstracte doelen toepasbaar in meer situaties dan concrete doelen, concrete doelen
situatiespecifieker
• H-orde doelen universeel en aangeboren ↔ L-orde doelen aangeleerd en cultuurspecifiek
samenvatting hogere- en lagere-orde doelen
5
,functieleer (2) – motivatie en emotie
hogere-orde lagere-orde
abstract concreet
over meerdere situaties situatiespecifiek
belangrijker (voorrang) minder belangrijk
minder vervangbaar (/onvervangbaar) vervangbaar
bepaalt lagere-orde doelen ifv hogere-orde doelen
2.3 VERSCHILLEN TUSSEN GEDRAGSTHEORIEËN
in deze cursus niet enkel beperkt tot motivatietheorieën, maar bredere set van gedragstheorieën
vroeger alomvattende theorieën, maar tegenwoordig versnipperd waarbij een enkel aspect van gedrag
(of hier: motivatie) wordt beschreven en verklaard
2.3.1 level van analyse en type van verklaring
OBSERVEERBAAR LEVEL
(vnl. radicaal behaviorisme)
verklaring causale verklaring
explanantia • kenmerken van stimuli (kleur, appetitief/aversief)
• leergeschiedenis
voorbeeld vb: organisme eet niet omdat het honger heeft (want niet direct meetbaar), maar
wel omdat het gedurende bep. tijd gedepriveerd werd van voedsel (observeerbaar)
illustratie operante conditionering (Skinner)
• belonen/stra`en van gedrag bepaalt welk gedrag nadien gesteld zal worden
• oorzaak van gedrag niet in interne wereld (cf. motivatie, black box) maar in
externe wereld die observeerbaar is
• toestand van voedseldeprivatie is establishing operator = discriminatieve
stimulus die bepaalt dat voedsel bekrachtiger zal zijn
MENTAAL LEVEL
(vnl. mentale theorieën waaronder ook motivatietheorieën)
verklaring mechanistische verklaring op een hoger niveau
explanantia mentale voorstellingen
voorbeeld vb: organisme eet omdat het honger heeft
HERSENLEVEL
(vnl. neurowetenschappelijke theorieën)
verklaring mechanistische verklaring op een lager niveau
explanantia • hersenprocessen
• neurotransmitters
• hormonen
voorbeeld vb: organisme eet omdat ghreline wordt vrijgesteld in de hersenen
veel handboeken stellen dat deze 3 theoriesoorten conflicterend zijn
• waarom wel? bv. mentale theorieën verklaren itv mentale representaties, radicaal behavioristen
verklaren itv observeerbaar gedrag en schuwen daarom mentale concepten
6
,functieleer (2) – motivatie en emotie
• waarom niet? valse tegenstelling! de soorten theorieën bestuderen verschillende levels van
analyse, en kunnen compatibel zijn en op elkaar verderbouwen
o vb: deprivatie voedsel -> afgifte hormoon ghreline -> activatie doel om te eten
(= mentale representatie honger) -> leidt tot overt eetgedrag
vanaf de volgende 2 kopjes gaat het enkel over mentale theorieën (cf. functieleer)
2.3.2 aard van proces
binnen mentale theorieën bespreken we 8 procestheorieën (HS 3): opdeling in continuüm van reactief
naar proactief
reactieve theorie theorie waarin gedrag van individu automatisch, onbewust karakter heeft
proactieve theorie theorie waarin gedrag en doelen van individu zelf gekozen worden
meeste theorieën (behalve 1e mss, neobehavioristische theorie) zijn motivatietheorieën want stellen
motivatieprocessen als explanantia voor explanandum gedrag
2.3.3 inhoud van de doelen
hier vinden we inhoudstheorieën terug (HS 3)
• motivatietheorieën verschillen inzake doelen waarop ze zich richten en welke doelen als meest
fundamenteel gezien worden
• onderscheid:
o sommige theorieën focussen op 1 type doel
o sommige theorieën focussen op vraag wat meest fundamentele doelen van mensen zijn
OPGELET: onderscheid tussen inhoudstheorieën en procestheorieën is moeilijk te maken
• enerzijds: procestheorieën hebben ook meestal fundamentele doelen voor ogen6
• anderzijds: inhoudstheorieën doen ook assumpties over processen7
6
drive-theorieën: biologische doelen en reduceren van drive / arousal-theorie: optimale arousal / incentive theorieën en
expectancy-value theorieën: maximaliseren van genot / wil-theorieën: identiteitsdoelen
7
sommige prestatiedoeltheorieën zijn expectancy-value theorieën / identiteitsdoeltheorie is eigenlijk een wiltheorie
7
,functieleer (2) – motivatie en emotie
HS 3: motivatie – procestheorieën
probleem dat de theorie moet oplossen: welk gedrag moet gesteld worden en aan welke intensiteit?
3.1 NEOBEHAVIORISTISCHE THEORIE
gedrag volledig bepaald door S-R-linken
• ontstaan via Law of EFect: bep. gedrag toevallig uitgebracht in aanwezigheid van stimulus en
gevolgd door outcome (S:R-O) (dit is wat gebeurt in vrije operante leerprocedure)
o sommige outcomes zijn bekrachtigers: zorgen dat gedrag opnieuw gesteld wordt
o na voldoende herhaling kan S-R-link gevormd worden: gedrag kan nu ook gesteld worden
als de outcome uitblijft
• S-R-gemedieerd proces = stimulus-driven proces: stimulus zet proces op gang
• habit (gewoonte) = stimulusgedreven proces dat tot stand komt door Law of E`ect
o habits worden vaak ingeroepen om action slips te verklaren
§ vb action slip: na veranderen van computerwachtwoord steeds reflex hebben
om oude wachtwoord nog in te vullen
o MAAR: niet alle gedrag dat routineus is, is ook echt een (technische) habit
§ habit = gedrag dat je blijft stellen ondanks dat het niet langer bekrachtigd wordt
- vb van daarnet: ondanks afwezigheid bekrachtiging, toch nog een tijdje
steeds oude ww ingeven
§ routineus gedrag kan een habit zijn of een doelgericht gedrag
- vb: elke dag tanden poetsen is routineus, maar kan doelgericht zijn
(rotting vermijden)
- vb: elke dag aperitiefje drinken is routineus, maar kan doelgericht zijn
(ontspannen)
8
,functieleer (2) – motivatie en emotie
verschil radicaal behaviorisme en neobehaviorisme
radicaal behaviorisme neobehaviorisme
explanans voor habitueel gedrag: leergeschiedenis explanans voor habitueel gedrag: door
leergeschiedenis wordt associatie gevormd
tussen mentale representatie van stimulus en
mentale representatie van respons
puur causale verklaring mechanistische verklaring
wat er tussen observeerbare stimulus en leergeschiedenis -> associatie (MRstimulus-MRrespons)
observeerbare respons gebeurt is een black box
3.2 DRIVE-THEORIE (WOODWORTH, HULL)
3.2.1.1 de theorie
stimulans: Thorndike observeert dat als dier verzadigd was law of e`ect niet opging
—> Hull voegt factor drive toe aan neobehavioristische theorie
1 aangeboden stimulus (bv. schok, voedseldeprivatie, …) activeert need
(= tekort, biologische behoefte)
2 need activeert drive
(= psychologische ervaring van spanning)
drive bepaalt kwantiteit gedrag (met welke intensiteit gedrag gesteld wordt) en levert hoeveelheid
energie die nodig is voor gedrag: een drive is erop gericht om zichzelf op te he`en
3 habit bepaalt kwaliteit gedrag (welk gedrag gesteld wordt)
4 outcome is bekrachtiger als en slechts als deze drive-reductie inhoudt
• gedrag dat in bep. situatie tot drive-reductie leidt zal herhaald worden
• gedrag met sterkste drive-reductie in leerervaring = dominant gedrag
9
, functieleer (2) – motivatie en emotie
excitatorisch potentieel = bepalend voor al dan niet stellen van gedrag
• E=HxD
o H = habit strength (gemanipuleerd door # leertrials)
o D = drive (gemanipuleerd door # uren van bv. voedseldeprivatie)
• E = excitatorisch potentieel (gemeten door amplitude, frequentie, reactietijd van gedrag)
• DUS: assumpties van de theorie…
o er moet zowel een drive als een habit zijn om tot gedrag te komen (want x maal 0 = 0)
o er moet een nood zijn om te handelen (D) én er moet geweten zijn hoe te handelen (H)
o als één van beide ontbreekt, is er geen gedrag mogelijk
3.2.1.2 empirische evidentie
— Warden (1931): rol van need/drive in excitatorisch potentieel
procedure: ratten moeten rooster oversteken waar schokken worden toegediend om voedsel te
bekomen
• variabelen:
o OV1: need/drive (weinig vs veel voedseldeprivatie)
o OV2: intensiteit shock (zwak vs sterk)
o AV: frequentie van oversteken op 20min tijd
• resultaten:
o HE intensiteit (meer intensiteit -> minder oversteken)
o HE deprivatie (meer deprivatie -> meer oversteken)
• interpretatie: steun voor rol van need/drive in excitatorisch potentieel van gedrag
— Newman (1955): rol van need/drive én habit strength in excitatorisch potentieel
procedure: ratten in 2 verschillende cirkels waar ze naartoe moeten rennen voor voedsel
• trainingsfase: eerst 23.5u voedseldeprivatie – voedsel in cirkel 1 – toenaderingsgedrag wordt
beloond (Law of E`ect) – er ontstaat S-R associatie tussen cirkel 1 en toenaderingsgedrag naar
voedsel (versterkt door outcome)
• testfase:
o OV1: need/drive (12u vs 48u voedseldeprivatie)
o OV2: habit strength (cirkel 2 met hoge vs lage similariteit cirkel 18)
• resultaten:
o HE deprivatie (hogere loopsnelheid (AV) naar cirkel 2 als meer deprivatie)
o HE similariteit (hogere loopsnelheid (AV) naar cirkel 2 als meer gelijkend)
• interpretatie: steun voor rol van habit strength én need/drive in excitatorisch potentieel
3.2.1.3 problemen met de drive-theorie
— Miller (1948): afwezigheid van drive-uitlokkende stimulus en toch gedrag gesteld
procedure: ratten in shuttle-box met 2 compartimenten (wit-zwart)
• fase 1: in wit compartiment vreesconditionering met schok die een drive uitlokt, en rat kan
hiervan ontsnappen door te vluchten naar zwart compartiment
• fase 2: poort wordt dichtgedaan en rat moet nu nieuw gedrag aanleren (wiel draaien) om naar
andere compartiment te gaan, er wordt geen schok aangeboden
• resultaten:
o fase 1: rat leert steeds sneller te vluchten en begint naar einde toe zelfs eerder te
vermijden dan te vluchten
8
assumptie: gelijkende cirkel zou moeten zorgen voor sterkere activatie van habit dat afwijkende cirkel
10
HS 1: wetenschappelijke cyclus
psychologie: studie van gedrag en geest (- bestaande uit cognitie, motivatie, emotie)
1.1 THEORIEËN LEVEREN VERKLARINGEN
verklaring = activiteit waarbij een explanandum (= het te verklaren fenomeen) gelinkt wordt aan een
explanans (= verklarend feit)
• vb: fenomeen van water (explanandum) linken aan H2O (explanans)
• verklaren van fenomeen vraagt 2 stappen:
o (1) afbakening of definitie van het explanandum
o (2) zoektocht naar een explanans
• de stappen in deze verklaring maken deel uit van cyclus met 4 stappen…
STAP 1 voorlopige afbakening of werkdefinitie van explanandum (lijst van oppervlakkige kenmerken)
vb: water is vloeibaar, helder, geurloos, loopt in rivieren, valt uit de lucht, …
STAP 2 ontwikkelen van verklaring waarin explanandum gelinkt wordt aan explanans
vb: moleculaire structuur van water is gelijk aan H2O
STAP 3 verklaring testen in empirisch onderzoek
vb: staaltjes nemen en nagaan of moleculaire structuur daadwerkelijk gelijk is aan H2O
STAP 4 indien voldoende bevestig: explanans wordt deel van definitie en vervangt de voorlopige
kenmerken, dit is een empirisch onderbouwde wetenschappelijke definitie
cyclus kan herhaald worden steeds vanaf stap 2 om definitie en verklaringen steeds meer aan te
scherpen… van zodra consensus over wetenschappelijke definitie, kan deze gebruikt worden om
nieuwe predicties te maken (vb: bij hoeveel graden verdampt, kookt, bevriest water?)
1.2 TYPES VAN DEFINITIES EN VERKLARINGEN, LEVELS VAN ANALYSE
1.2.1 types van definities
WERKDEFINITIE VS WETENSCHAPPELIJKE DEFINITIE
werkdefinitie • descriptief
• beschrijving van manier waarop leken in dagelijks leven term gebruiken
wetenschappelijke • prescriptief
definitie • beschrijving door wetenschappers hoe term gebruikt zou moeten worden
INTENSIONELE VS EXTENSIONELE DEFINITIE
(mutueel afhankelijk)
1
,functieleer (2) – motivatie en emotie
intensionele noodzakelijke en voldoende voorwaarden waaraan exemplaar moet voldoen
definitie om tot de set te behoren
extensionele opsomming van alle exemplaren die in de set zitten
definitie
DIVISIO-DEFINITIE
divisio-definitie somt geen exemplaren op maar wel subsets binnen de set
—> set intern structureren
• meerdere manieren om set op te splitsen in subsets
o vb: auto’s opdelen obv kleur, merk, paardenkracht, …
• keuze van subset is afh. van context
o vb: kleur bij huwelijk, grootte bij groot gezin
verband: wetenschappelijke definities en werkdefinities kunnen beide in intensioneel, extensioneel en
divisioformaat voorkomen
1.2.2 types van verklaringen
TYPES VAN VERKLARINGEN
structureel stelt wat de componenten van een fenomeen zijn en de relaties hiertussen
vb: een kater bestaat uit hoofdpijn, droge mond, misselijkheid
causaal stelt wat oorzaak van fenomeen is
vb: om kater te onderscheiden van griep
(en die oorzaak ligt op hetzelfde level van analyse als fenomeen zelf)
vb: oorzaak van kater is teveel alcohol drinken
mechanistisch stelt wat de onderliggende processen zijn in transitie van oorzaak naar e`ect
• decompositie van processen in subprocessen
• legt uit hoe bouwstenen interageren om explanandum te produceren
• causale relaties
• explanans van mechanistische verklaringen kan op verschillende
levels van analyse gebeuren: low-level en high-level
1.2.3 levels van analyse
LEVELS VAN ANALYSE
observeerbaar level systeem produceert observeerbare output in reactie op observeerbare input
• proces = transitie tussen input en output
• processen beschreven itv input, output, relatie tussen input-output
• alles tussen input en output is een black box
mentaal level proces ontleed in subprocessen waarbij ieder subproces eigen input en output
heeft
• deze tussenliggende inputs en outputs zijn niet obserbeerbaar:
mentale representaties
2
,functieleer (2) – motivatie en emotie
• elk subproces kan weer opgedeeld worden in andere subprocessen,
met als doel om in latere fases van decompositie overeen te komen
met hersenprocessen gesitueerd op hersenlevel
hersenlevel black boxen worden gematerialiseerd in hersenprocessen
besluit:
theorie-ontwikkeling start met descriptieve set (vb. lucht = transparant, geurloos gas dat atmosfeer en
longen vult – cf. Aristoteles: 1 van de 4 elementen) -> verklaring ontwikkelen met als doel
gemeenschappelijke noemer vinden om set af te bakenen
• niet gevonden? set is niet wetenschappelijk, op zoek gaan naar andere sets die dat wel zijn
• vb: voor lucht kon geen elegante structurele verklaring gevonden worden -> bestaat uit
verschillende stoffen met eigen eigenschappen, geen gemeenschappelijke noemer -> geen
adequate wetenschappelijke set -> componenten in lucht beschouwen als nieuwe explananda
3
,functieleer (2) – motivatie en emotie
HS 2: motivatie -
wetenschappelijke cyclus toegepast
2.1 SITUERING
2.1.1 motivatietheorieën, gedragstheorieën
gedragstheorieën theorieën die gedrag willen verklaren: gedrag als explanandum
motivatietheorieën subset v gedragstheorieën die motivatie gebruiken als explanans voor gedrag1
motivatie = verzamelnaam van diverse motivationele constructen (doelen, behoeften, noden,
drijfveren, verlangens, intenties, …) —> we gebruiken doel als term in brede betekenis, overlappend
met al deze constructen: dit zijn mentale representaties2 van een gewenste toestand in de toekomst
2.1.2 doelen als mentale representaties
mentale representaties (waaronder dus in dit geval doelen), onderscheid tussen inhoud en formaat:
• inhoud (vb: slagen voor examen, naar huis fietsen, ei bakken, de zon schijnt… kan alles zijn)
• formaat
o dynamische representaties: doelen
§ leiden tot gedrag (vb: eten)
§ activatie ↑ over tijd, zelfs bij obstakels (tenzij belangrijker doel geactiveerd)3
§ na poging doel te bereiken: evaluatie en tijdelijke inhibitie (vb: geen honger meer)
§ activatie kan enkel gestopt worden door competitie met ander sterker doel4
o niet-dynamische - cognitieve - representaties
§ leiden niet tot gedrag (tenzij indien gekoppeld worden aan een doel5)
§ activatie ↓ over tijd
§ afgebroken als er iets anders tussenkomt
§ soorten:
• overtuigingen (inhoud als waar beschouwd)
• verwachtingen (inhoud wordt verwacht op te treden in de toekomst)
• zuivere representaties, gedachten (enkel intern erover nadenken)
1
onderscheid tussen kwaliteit (aard) van gedrag en kwantiteit (hoeveelheid, intensiteit) van gedrag
—> sommige theorieën verklaren beter kwaliteit, andere beter kwantiteit
2
ipv mysterieuze rondzwevende entiteiten
3
vb: als Alma toe is, dan ga je op zoek naar een broodjeszaak of supermarkt
4
vb: er breekt brand uit in de Alma -> doel om te overleven sterker dan doel om te eten
5
vb: loutere gedachte aan eten leidt niet per se tot eetgedrag, tenzij gekoppeld aan het doel honger stillen
4
,functieleer (2) – motivatie en emotie
2.2 INHOUD EN ORGANISATIE VAN DOELEN
vertrekpunt: ontelbaar aantal doelen georganiseerd in doelhiërarchie
( = boomdiagram waarbij hogere-orde doelen bovenaan, lagere doelen onderaan)
• H-orde doelen belangrijker en meer fundamenteel dan L-orde doelen
o implicatie: vervullen van hogere-orde doelen heeft voorrang
§ cf. Shank & Abelson: biologische noden > prestatienoden > amusementsnoden
o implicatie: lagere-orde doelen meer vervangbaar dan hogere-orde doelen
(meest fundamentele doelen zoals voedsel kunnen wellicht niet vervangen worden)
• L-orde doelen van zelfde vertakking hebben middel-doel relatie tot H-orde doelen
o staan ten dienste van hogere-orde doelen als middel om deze te bereiken
§ vb: studeren ten dienste van diploma, ten dienste van werk, ten dienste van geld
o bijna alle doelen ifv hoger doel
o hoe erachter komen: stel steeds de waarom-vraag, en van zodra geen antwoord meer,
heb je fundamenteel doel gevonden
§ vb: waarom naar les – om cursus te begrijpen, waarom cursus begrijpen –
diploma halen, waarom diploma halen – …
o door middel-doel relatie van lagere tov hogere doelen gaan hogere doelen de lagere
activeren -> om hogere doel te realiseren moet je plannen maken -> concrete (lagere)
gedragsdoelen
§ MAAR: soms gaan lagere-orde doelen eigen leven leiden, komen los te staan van
hogere-orde doelen
- vb: blitse auto bezitten kan doel op zich worden, zonder band met
hogere-orde om doel indruk te maken
- vb: plastische chirurgie wordt na een tijd doel op zich om lichaam te
veranderen, los van initieel hogere-orde doel om uiterlijk te verbeteren
• L-orde doelen zijn concreter ↔ H-orde doelen zijn abstracter
o toepassing wiskunde: variabele is abstract want kan ingevuld worden door verschillende
constanten maar constante is concreet want bevat slechts 1 waarde
o abstractie is continuüm:
§ hoe meer concreet/abstract doel is…
§ … f(door hoe minder/meer concrete subdoelen het ingevuld kan worden)
§ vb: slagen in het leven (geld, roem, …) kan door veel dingen ingevuld worden,
slagen op een examen kan door veel minder ingevuld worden (studeren)
o abstracte doelen toepasbaar in meer situaties dan concrete doelen, concrete doelen
situatiespecifieker
• H-orde doelen universeel en aangeboren ↔ L-orde doelen aangeleerd en cultuurspecifiek
samenvatting hogere- en lagere-orde doelen
5
,functieleer (2) – motivatie en emotie
hogere-orde lagere-orde
abstract concreet
over meerdere situaties situatiespecifiek
belangrijker (voorrang) minder belangrijk
minder vervangbaar (/onvervangbaar) vervangbaar
bepaalt lagere-orde doelen ifv hogere-orde doelen
2.3 VERSCHILLEN TUSSEN GEDRAGSTHEORIEËN
in deze cursus niet enkel beperkt tot motivatietheorieën, maar bredere set van gedragstheorieën
vroeger alomvattende theorieën, maar tegenwoordig versnipperd waarbij een enkel aspect van gedrag
(of hier: motivatie) wordt beschreven en verklaard
2.3.1 level van analyse en type van verklaring
OBSERVEERBAAR LEVEL
(vnl. radicaal behaviorisme)
verklaring causale verklaring
explanantia • kenmerken van stimuli (kleur, appetitief/aversief)
• leergeschiedenis
voorbeeld vb: organisme eet niet omdat het honger heeft (want niet direct meetbaar), maar
wel omdat het gedurende bep. tijd gedepriveerd werd van voedsel (observeerbaar)
illustratie operante conditionering (Skinner)
• belonen/stra`en van gedrag bepaalt welk gedrag nadien gesteld zal worden
• oorzaak van gedrag niet in interne wereld (cf. motivatie, black box) maar in
externe wereld die observeerbaar is
• toestand van voedseldeprivatie is establishing operator = discriminatieve
stimulus die bepaalt dat voedsel bekrachtiger zal zijn
MENTAAL LEVEL
(vnl. mentale theorieën waaronder ook motivatietheorieën)
verklaring mechanistische verklaring op een hoger niveau
explanantia mentale voorstellingen
voorbeeld vb: organisme eet omdat het honger heeft
HERSENLEVEL
(vnl. neurowetenschappelijke theorieën)
verklaring mechanistische verklaring op een lager niveau
explanantia • hersenprocessen
• neurotransmitters
• hormonen
voorbeeld vb: organisme eet omdat ghreline wordt vrijgesteld in de hersenen
veel handboeken stellen dat deze 3 theoriesoorten conflicterend zijn
• waarom wel? bv. mentale theorieën verklaren itv mentale representaties, radicaal behavioristen
verklaren itv observeerbaar gedrag en schuwen daarom mentale concepten
6
,functieleer (2) – motivatie en emotie
• waarom niet? valse tegenstelling! de soorten theorieën bestuderen verschillende levels van
analyse, en kunnen compatibel zijn en op elkaar verderbouwen
o vb: deprivatie voedsel -> afgifte hormoon ghreline -> activatie doel om te eten
(= mentale representatie honger) -> leidt tot overt eetgedrag
vanaf de volgende 2 kopjes gaat het enkel over mentale theorieën (cf. functieleer)
2.3.2 aard van proces
binnen mentale theorieën bespreken we 8 procestheorieën (HS 3): opdeling in continuüm van reactief
naar proactief
reactieve theorie theorie waarin gedrag van individu automatisch, onbewust karakter heeft
proactieve theorie theorie waarin gedrag en doelen van individu zelf gekozen worden
meeste theorieën (behalve 1e mss, neobehavioristische theorie) zijn motivatietheorieën want stellen
motivatieprocessen als explanantia voor explanandum gedrag
2.3.3 inhoud van de doelen
hier vinden we inhoudstheorieën terug (HS 3)
• motivatietheorieën verschillen inzake doelen waarop ze zich richten en welke doelen als meest
fundamenteel gezien worden
• onderscheid:
o sommige theorieën focussen op 1 type doel
o sommige theorieën focussen op vraag wat meest fundamentele doelen van mensen zijn
OPGELET: onderscheid tussen inhoudstheorieën en procestheorieën is moeilijk te maken
• enerzijds: procestheorieën hebben ook meestal fundamentele doelen voor ogen6
• anderzijds: inhoudstheorieën doen ook assumpties over processen7
6
drive-theorieën: biologische doelen en reduceren van drive / arousal-theorie: optimale arousal / incentive theorieën en
expectancy-value theorieën: maximaliseren van genot / wil-theorieën: identiteitsdoelen
7
sommige prestatiedoeltheorieën zijn expectancy-value theorieën / identiteitsdoeltheorie is eigenlijk een wiltheorie
7
,functieleer (2) – motivatie en emotie
HS 3: motivatie – procestheorieën
probleem dat de theorie moet oplossen: welk gedrag moet gesteld worden en aan welke intensiteit?
3.1 NEOBEHAVIORISTISCHE THEORIE
gedrag volledig bepaald door S-R-linken
• ontstaan via Law of EFect: bep. gedrag toevallig uitgebracht in aanwezigheid van stimulus en
gevolgd door outcome (S:R-O) (dit is wat gebeurt in vrije operante leerprocedure)
o sommige outcomes zijn bekrachtigers: zorgen dat gedrag opnieuw gesteld wordt
o na voldoende herhaling kan S-R-link gevormd worden: gedrag kan nu ook gesteld worden
als de outcome uitblijft
• S-R-gemedieerd proces = stimulus-driven proces: stimulus zet proces op gang
• habit (gewoonte) = stimulusgedreven proces dat tot stand komt door Law of E`ect
o habits worden vaak ingeroepen om action slips te verklaren
§ vb action slip: na veranderen van computerwachtwoord steeds reflex hebben
om oude wachtwoord nog in te vullen
o MAAR: niet alle gedrag dat routineus is, is ook echt een (technische) habit
§ habit = gedrag dat je blijft stellen ondanks dat het niet langer bekrachtigd wordt
- vb van daarnet: ondanks afwezigheid bekrachtiging, toch nog een tijdje
steeds oude ww ingeven
§ routineus gedrag kan een habit zijn of een doelgericht gedrag
- vb: elke dag tanden poetsen is routineus, maar kan doelgericht zijn
(rotting vermijden)
- vb: elke dag aperitiefje drinken is routineus, maar kan doelgericht zijn
(ontspannen)
8
,functieleer (2) – motivatie en emotie
verschil radicaal behaviorisme en neobehaviorisme
radicaal behaviorisme neobehaviorisme
explanans voor habitueel gedrag: leergeschiedenis explanans voor habitueel gedrag: door
leergeschiedenis wordt associatie gevormd
tussen mentale representatie van stimulus en
mentale representatie van respons
puur causale verklaring mechanistische verklaring
wat er tussen observeerbare stimulus en leergeschiedenis -> associatie (MRstimulus-MRrespons)
observeerbare respons gebeurt is een black box
3.2 DRIVE-THEORIE (WOODWORTH, HULL)
3.2.1.1 de theorie
stimulans: Thorndike observeert dat als dier verzadigd was law of e`ect niet opging
—> Hull voegt factor drive toe aan neobehavioristische theorie
1 aangeboden stimulus (bv. schok, voedseldeprivatie, …) activeert need
(= tekort, biologische behoefte)
2 need activeert drive
(= psychologische ervaring van spanning)
drive bepaalt kwantiteit gedrag (met welke intensiteit gedrag gesteld wordt) en levert hoeveelheid
energie die nodig is voor gedrag: een drive is erop gericht om zichzelf op te he`en
3 habit bepaalt kwaliteit gedrag (welk gedrag gesteld wordt)
4 outcome is bekrachtiger als en slechts als deze drive-reductie inhoudt
• gedrag dat in bep. situatie tot drive-reductie leidt zal herhaald worden
• gedrag met sterkste drive-reductie in leerervaring = dominant gedrag
9
, functieleer (2) – motivatie en emotie
excitatorisch potentieel = bepalend voor al dan niet stellen van gedrag
• E=HxD
o H = habit strength (gemanipuleerd door # leertrials)
o D = drive (gemanipuleerd door # uren van bv. voedseldeprivatie)
• E = excitatorisch potentieel (gemeten door amplitude, frequentie, reactietijd van gedrag)
• DUS: assumpties van de theorie…
o er moet zowel een drive als een habit zijn om tot gedrag te komen (want x maal 0 = 0)
o er moet een nood zijn om te handelen (D) én er moet geweten zijn hoe te handelen (H)
o als één van beide ontbreekt, is er geen gedrag mogelijk
3.2.1.2 empirische evidentie
— Warden (1931): rol van need/drive in excitatorisch potentieel
procedure: ratten moeten rooster oversteken waar schokken worden toegediend om voedsel te
bekomen
• variabelen:
o OV1: need/drive (weinig vs veel voedseldeprivatie)
o OV2: intensiteit shock (zwak vs sterk)
o AV: frequentie van oversteken op 20min tijd
• resultaten:
o HE intensiteit (meer intensiteit -> minder oversteken)
o HE deprivatie (meer deprivatie -> meer oversteken)
• interpretatie: steun voor rol van need/drive in excitatorisch potentieel van gedrag
— Newman (1955): rol van need/drive én habit strength in excitatorisch potentieel
procedure: ratten in 2 verschillende cirkels waar ze naartoe moeten rennen voor voedsel
• trainingsfase: eerst 23.5u voedseldeprivatie – voedsel in cirkel 1 – toenaderingsgedrag wordt
beloond (Law of E`ect) – er ontstaat S-R associatie tussen cirkel 1 en toenaderingsgedrag naar
voedsel (versterkt door outcome)
• testfase:
o OV1: need/drive (12u vs 48u voedseldeprivatie)
o OV2: habit strength (cirkel 2 met hoge vs lage similariteit cirkel 18)
• resultaten:
o HE deprivatie (hogere loopsnelheid (AV) naar cirkel 2 als meer deprivatie)
o HE similariteit (hogere loopsnelheid (AV) naar cirkel 2 als meer gelijkend)
• interpretatie: steun voor rol van habit strength én need/drive in excitatorisch potentieel
3.2.1.3 problemen met de drive-theorie
— Miller (1948): afwezigheid van drive-uitlokkende stimulus en toch gedrag gesteld
procedure: ratten in shuttle-box met 2 compartimenten (wit-zwart)
• fase 1: in wit compartiment vreesconditionering met schok die een drive uitlokt, en rat kan
hiervan ontsnappen door te vluchten naar zwart compartiment
• fase 2: poort wordt dichtgedaan en rat moet nu nieuw gedrag aanleren (wiel draaien) om naar
andere compartiment te gaan, er wordt geen schok aangeboden
• resultaten:
o fase 1: rat leert steeds sneller te vluchten en begint naar einde toe zelfs eerder te
vermijden dan te vluchten
8
assumptie: gelijkende cirkel zou moeten zorgen voor sterkere activatie van habit dat afwijkende cirkel
10