ontwikkelingspsychologie: begrippenlijst
HS 1: KENNISMAKING EN HISTORIEK
1.1 KENNISMAKING
ontwikkelingspsychologie de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering, stabiliteit vanaf conceptie tot overlijden in
verschillende ontwikkelingsdomeinen (fysieke ontwikkeling
– cognitieve ontwikkeling – sociale en emotionele
ontwikkeling – persoonlijkheidsontwikkeling)
ontwikkelingsfasen (1) prenatale fase – (2) babytijd – (3) peuter- en kleutertijd –
(4) schooltijd – (5) adolescentie – (6) ontluikende
volwassenheid – (7) volwassenheid – (8) ouderdom
“WEIRD” samenleving Western – Educated – Industrialized – Rich – Democratic
1.3 VROEGE DENKERS
empirisme = nurture
nativisme = nature
1.4 START VAN WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
ontogenese ontwikkeling van individuen binnen een soort
fylogenese ontwikkeling van de volledige soort als een geheel
genetische psychologie vroegere benaming van ontwikkelingspsychologie;
aanvankelijk klemtoon op erfelijke sturing van ontwikkeling
gerontologie de wetenschap die het verouderingsproces bestudeert
levensloopperspectief integratie van diverse deeldisciplines mbt ontwikkeling
HS 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN
2.1 VIER KERNVRAAGSTUKKEN
continuïteit geleidelijke ontwikkeling; kwantitatieve verschillen; doorheen
ontwikkeling steeds meer en complexere vaardigheden maar
vaardigheden veranderen niet qua aard; prestaties op bep.
niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus
discontinuïteit ontwikkeling in aparte stappen (‘stadia’); kwalitatieve
verschillen; bruuske overgangen tussen stadia; er ontstaan
telkens andere manieren van gedragen, denken, voelen; elk
stadium levert gedrag op dat qua inhoud en hoedanigheid
verschilt van gedrag in eerdere stadia
kritieke periode periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan of uitblijven
van bep. stimuli absoluut noodzakelijk is; resulteert anders in
onomkeerbare (schadelijke) gevolgen
gevoelige periode afgezwakte versie van kritieke periode; periode in
ontwikkeling waarin men extra ontvankelijk is voor het
optreden of uitblijven van bep. stimuli; optimale periode in
ontwikkeling om bep. vaardigheden aan te leren; geen
onomkeerbare gevolgen
ontwikkeling als één opeenvolging van vaste stadia in universeel patroon; iedereen
universeel traject bevindt zich in hetzelfde stadium rond dezelfde leeftijd
ontwikkeling als vele door unieke combinaties van persoons- en
mogelijke trajecten omgevingskenmerken
1
, nature ontwikkeling vooral bepaald door het zich geleidelijk
ontvouwen van voorbestemde genetische informatie
(‘maturatie’)
nurture ontwikkeling vooral bepaald door omgevingsfactoren en
ervaringen
2.2 TWINTIGSTE EEUWSE THEORIEËN
psychodynamisch gedrag komt voort uit innerlijke, onbewuste krachten die uit
perspectief onze kindertijd stammen en waarover we weinig controle
hebben
behavioristisch we kunnen ontwikkeling begrijpen door waarneembaar
perspectief gedrag en omgevingsstimuli te bestuderen
cognitief perspectief nadruk op de invloed van veranderingen in de manier waarop
mensen dingen weten, begrijpen en denken op gedrag
systemisch perspectief gedrag wordt bepaald door de relatie tussen individuen en
hun omgeving; alles staat zichtbaar en onzichtbaar met elkaar
in verbinding
evolutionair perspectief gedrag is het resultaat van de genetische erfenis van onze
voorouders; via natuurlijke selectie worden gedrag en
eigenschappen die de overlevingskansen van onze soort
bevorderen, doorgegeven
informatieverwerkings- focus op de manier waarop mensen informatie verwerken;
theorie metafoor van mens als computer; cognitie als set van
verschillende typen vaardigheden; cognitieve groei als
toenemende capaciteit van opslag, toenemende snelheid
van informatieverwerking; betere coördinatie van de
verschillende processen
2.3 HEDENDAAGSE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
ontwikkelingsuitkomsten hoe iemand op bep. moment functioneert is het resultaat van
(‘developmental alles wat eraan voorafging tijdens de ontwikkeling
outcomes’)
bevorderende factoren factoren die een positievere ontwikkeling voorspellen
risicofactoren factoren die een negatievere ontwikkeling voorspellen
dynamische transacties reeks van onderlinge interacties; wederzijdse beïnvloeding
tussen individu en omgeving
equifinaliteit één ontwikkelingsuitkomst, meerdere mogelijke oorzaken
multifinaliteit één oorzaak, meerdere mogelijke ontwikkelingsuitkomsten
HS 3: ONDERZOEKSMETHODEN
correlationeel design onderzoeker grijpt niet in maar observeert gewoon;
vaststellen wat er gebeurt in het leven van individuen en hoe
ze zich ontwikkeling doorheen de tijd
probleem van relatie kan omgedraaid worden
directionaliteit
derde variabele probleem relatie kan veroorzaakt worden door een derde factor
experimenteel design onderzoeker voert manipulatie uit; deelnemers worden at
random aan condities toegewezen -> bij ene groep wordt
ingegrepen en bij andere niet -> uitkomsten van beide
condities worden vergeleken met elkaar
cohort groep mensen geboren rond dezelfde tijd op dezelfde plek
2
, cross-sectioneel / individuen uit verschillende cohorten met elkaar vergelijken
dwarsdoorsnede design op één meetmoment
longitudinaal / prospectief individuen uit één cohort opvolgen en herhaaldelijk meten
design over de tijd
cross-sequentieel / individuen van verschillende cohorten opvolgen en
cohortsequentieel / herhaaldelijk meten over de tijd
versneld longitudinaal
design
cohortverschillen verschil in scores niet veroorzaakt door het leeftijdsverschil
maar door specifieke periode waarin cohort geboren is
HS 4: GEN-OMGEVINGSSAMENSPEL
4.1 GENETISCHE CONSTITUTIE
menselijk genoom de complete set DNA; alle genetische instructies die de mens
nodig heeft om te functioneren en zich te ontwikkelen
genotype de genetische code op zich
fenotype hoe de genetische code zich veruitwendigt
diploïde cel somatische cellen met alle 46 chromosomen georganiseerd
in 23 chromosoomparen
haploïde cel geslachtscellen met maar één set van 23 chromosomen
mitose proces waardoor nieuwe diploïde somatische cellen
(vermenigvuldigingsdeling) ontstaan; eindresultaat is twee nieuw gevormde cellen die
identiek zijn aan elkaar en aan de moedercel
meiose proces waardoor nieuwe haploïde geslachtscellen ontstaan;
(reductiedeling) eindresultaat is vier nieuw gevormde cellen met elk een
unieke combinatie van DNA; meiose ligt aan de basis van de
enorme genetische diversiteit; ruim 223 verschillende
mogelijke combinaties
zygote de bevruchte eicel; eindresultaat van de conceptie waarbij
eicel en zaadcel samen versmelten tot een nieuwe cel
4.2 GENETISCHE OVERDRACHT
allel een variant van een gen
dominant allel eigenschappen waarvoor dominante allelen coderen komen
al tot uiting in het fenotype zodra één allel aanwezig is;
mogelijk bij homozygoot én heterozygoot
recessief allel eigenschappen waarvoor recessieve allelen coderen komen
enkel tot uiting in het fenotype als beide allelen aanwezig zijn;
de recessieve variant van een gen is enkel mogelijk in
afwezigheid van de dominante variant; mogelijk bij
homozygoot
Mendeliaanse basis van de hedendaagse genetica; principes van genetische
overervingswetten overerving gebaseerd op dominantie en recessiviteit van
eigenschappen
homozygoot gen bestaande uit hetzelfde allel van beide ouders
heterozygoot gen bestaande uit verschillende allelen van beide ouders
polygenetische overerving meerdere genenparen zijn samen verantwoordelijk voor een
eigenschap
4.3 AANGEBOREN OF VERWORVEN?
tweelingdesign typische onderzoeksmethode; gebaseerd op de redenering
dat als een kenmerk erfelijk is, dan zullen personen die meer
3
, genetische informatie gemeenschappelijk hebben in dat
kenmerk sterker op elkaar lijken; meting van een kenmerk bij
zowel een-eiige tweelingen als twee-eiige tweelingen die
opgroeien in hetzelfde gezin
monozygote tweeling eenzelfde eicel bevrucht door eenzelfde spermacel; 100%
overeenkomst in genetische informatie
dizygote tweeling twee verschillende eicellen bevrucht door twee verschillende
spermacellen; 50% overeenkomst in genetische informatie
erfelijkheid heridity (H); genen
gedeelde omgeving shared environment (SE); gezinscontext
niet-gedeelde omgeving non-shared environment (NSE); context uniek per individu
rMZ > rDZ sterke genetische bepaaldheid
rMZ ≈ rDZ zwakke genetische bepaaldheid
rMZ > 2x rDZ vooral genetische aanleg
rMZ > rDZ maar niet 2x zowel genetische aanleg als gedeelde omgeving
rMZ ~ 0 alleen niet-gedeelde omgeving
rMZ ≈ rDZ en beide > 0 samenhang obv gedeelde omgeving
rMZ = SE + H
rDZ = SE + ½ H
H = 2 x (rMZ - rDZ)
SE = rMZ - H
NSE = 1 - rMZ
adoptiedesign typische onderzoeksmethode; gebaseerd op vergelijking in
overeenkomst tussen genetisch gerelateerde personen met
genetisch ongerelateerde personen; overeenkomst tussen
adoptiekind – adoptieouder obv gedeelde omgeving;
overeenkomst tussen adoptiekind – biologische ouder obv
gedeelde genen
4.4 GEN-OMGEVINGSSAMENSPEL
ontwikkelingspotentieel de unieke genetische code van het individu bepaalt diens
startpositie en bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheid;
doorheen de ontwikkeling stelt de genetische code grenzen
aan wat mogelijk is
gen-omgevingsinteractie “nature loads the gun, nurture pulls the trigger; genetische
(GxE) verschillen in sensitiviteit voor bep. omgevingsfactoren;
mensen verschillen op vlak van vatbaarheid voor bep.
omgevingen; eenzelfde omgevingsfactor kan een
verschillende impact hebben op verschillende individuen afh.
van hun genotype; een genetische kwetsbaarheid of talent
manifesteert zich enkel in bep. omgevingen
gen-omgevingscorrelatie de samenhang tussen iemands genetische constitutie en de
(rGE) omgevingen waarin hij/zij terechtkomt
passieve het kind erft een bep. talent/kwetsbaarheid en groeit op in een
gen-omgevingscorrelatie omgeving die vanuit zelfde talent/kwetsbaarheid van de ouder
vormgegeven is; kind groeit via ouders op in een omgeving
waarin talent/kwetsbaarheid optimaal tot uiting kan komen
reactieve (evocatieve) het kind erft een bep. talent/kwetsbaarheid en lokt daardoor
gen-omgevingscorrelatie bep. – reacties in – omgeving uit; kind wordt door anderen
gestimuleerd tot omgevingen waarin talent/kwetsbaarheid
4
HS 1: KENNISMAKING EN HISTORIEK
1.1 KENNISMAKING
ontwikkelingspsychologie de wetenschappelijke studie van patronen van groei,
verandering, stabiliteit vanaf conceptie tot overlijden in
verschillende ontwikkelingsdomeinen (fysieke ontwikkeling
– cognitieve ontwikkeling – sociale en emotionele
ontwikkeling – persoonlijkheidsontwikkeling)
ontwikkelingsfasen (1) prenatale fase – (2) babytijd – (3) peuter- en kleutertijd –
(4) schooltijd – (5) adolescentie – (6) ontluikende
volwassenheid – (7) volwassenheid – (8) ouderdom
“WEIRD” samenleving Western – Educated – Industrialized – Rich – Democratic
1.3 VROEGE DENKERS
empirisme = nurture
nativisme = nature
1.4 START VAN WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
ontogenese ontwikkeling van individuen binnen een soort
fylogenese ontwikkeling van de volledige soort als een geheel
genetische psychologie vroegere benaming van ontwikkelingspsychologie;
aanvankelijk klemtoon op erfelijke sturing van ontwikkeling
gerontologie de wetenschap die het verouderingsproces bestudeert
levensloopperspectief integratie van diverse deeldisciplines mbt ontwikkeling
HS 2: THEORETISCHE PERSPECTIEVEN
2.1 VIER KERNVRAAGSTUKKEN
continuïteit geleidelijke ontwikkeling; kwantitatieve verschillen; doorheen
ontwikkeling steeds meer en complexere vaardigheden maar
vaardigheden veranderen niet qua aard; prestaties op bep.
niveau vloeien voort uit die op de vorige niveaus
discontinuïteit ontwikkeling in aparte stappen (‘stadia’); kwalitatieve
verschillen; bruuske overgangen tussen stadia; er ontstaan
telkens andere manieren van gedragen, denken, voelen; elk
stadium levert gedrag op dat qua inhoud en hoedanigheid
verschilt van gedrag in eerdere stadia
kritieke periode periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan of uitblijven
van bep. stimuli absoluut noodzakelijk is; resulteert anders in
onomkeerbare (schadelijke) gevolgen
gevoelige periode afgezwakte versie van kritieke periode; periode in
ontwikkeling waarin men extra ontvankelijk is voor het
optreden of uitblijven van bep. stimuli; optimale periode in
ontwikkeling om bep. vaardigheden aan te leren; geen
onomkeerbare gevolgen
ontwikkeling als één opeenvolging van vaste stadia in universeel patroon; iedereen
universeel traject bevindt zich in hetzelfde stadium rond dezelfde leeftijd
ontwikkeling als vele door unieke combinaties van persoons- en
mogelijke trajecten omgevingskenmerken
1
, nature ontwikkeling vooral bepaald door het zich geleidelijk
ontvouwen van voorbestemde genetische informatie
(‘maturatie’)
nurture ontwikkeling vooral bepaald door omgevingsfactoren en
ervaringen
2.2 TWINTIGSTE EEUWSE THEORIEËN
psychodynamisch gedrag komt voort uit innerlijke, onbewuste krachten die uit
perspectief onze kindertijd stammen en waarover we weinig controle
hebben
behavioristisch we kunnen ontwikkeling begrijpen door waarneembaar
perspectief gedrag en omgevingsstimuli te bestuderen
cognitief perspectief nadruk op de invloed van veranderingen in de manier waarop
mensen dingen weten, begrijpen en denken op gedrag
systemisch perspectief gedrag wordt bepaald door de relatie tussen individuen en
hun omgeving; alles staat zichtbaar en onzichtbaar met elkaar
in verbinding
evolutionair perspectief gedrag is het resultaat van de genetische erfenis van onze
voorouders; via natuurlijke selectie worden gedrag en
eigenschappen die de overlevingskansen van onze soort
bevorderen, doorgegeven
informatieverwerkings- focus op de manier waarop mensen informatie verwerken;
theorie metafoor van mens als computer; cognitie als set van
verschillende typen vaardigheden; cognitieve groei als
toenemende capaciteit van opslag, toenemende snelheid
van informatieverwerking; betere coördinatie van de
verschillende processen
2.3 HEDENDAAGSE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
ontwikkelingsuitkomsten hoe iemand op bep. moment functioneert is het resultaat van
(‘developmental alles wat eraan voorafging tijdens de ontwikkeling
outcomes’)
bevorderende factoren factoren die een positievere ontwikkeling voorspellen
risicofactoren factoren die een negatievere ontwikkeling voorspellen
dynamische transacties reeks van onderlinge interacties; wederzijdse beïnvloeding
tussen individu en omgeving
equifinaliteit één ontwikkelingsuitkomst, meerdere mogelijke oorzaken
multifinaliteit één oorzaak, meerdere mogelijke ontwikkelingsuitkomsten
HS 3: ONDERZOEKSMETHODEN
correlationeel design onderzoeker grijpt niet in maar observeert gewoon;
vaststellen wat er gebeurt in het leven van individuen en hoe
ze zich ontwikkeling doorheen de tijd
probleem van relatie kan omgedraaid worden
directionaliteit
derde variabele probleem relatie kan veroorzaakt worden door een derde factor
experimenteel design onderzoeker voert manipulatie uit; deelnemers worden at
random aan condities toegewezen -> bij ene groep wordt
ingegrepen en bij andere niet -> uitkomsten van beide
condities worden vergeleken met elkaar
cohort groep mensen geboren rond dezelfde tijd op dezelfde plek
2
, cross-sectioneel / individuen uit verschillende cohorten met elkaar vergelijken
dwarsdoorsnede design op één meetmoment
longitudinaal / prospectief individuen uit één cohort opvolgen en herhaaldelijk meten
design over de tijd
cross-sequentieel / individuen van verschillende cohorten opvolgen en
cohortsequentieel / herhaaldelijk meten over de tijd
versneld longitudinaal
design
cohortverschillen verschil in scores niet veroorzaakt door het leeftijdsverschil
maar door specifieke periode waarin cohort geboren is
HS 4: GEN-OMGEVINGSSAMENSPEL
4.1 GENETISCHE CONSTITUTIE
menselijk genoom de complete set DNA; alle genetische instructies die de mens
nodig heeft om te functioneren en zich te ontwikkelen
genotype de genetische code op zich
fenotype hoe de genetische code zich veruitwendigt
diploïde cel somatische cellen met alle 46 chromosomen georganiseerd
in 23 chromosoomparen
haploïde cel geslachtscellen met maar één set van 23 chromosomen
mitose proces waardoor nieuwe diploïde somatische cellen
(vermenigvuldigingsdeling) ontstaan; eindresultaat is twee nieuw gevormde cellen die
identiek zijn aan elkaar en aan de moedercel
meiose proces waardoor nieuwe haploïde geslachtscellen ontstaan;
(reductiedeling) eindresultaat is vier nieuw gevormde cellen met elk een
unieke combinatie van DNA; meiose ligt aan de basis van de
enorme genetische diversiteit; ruim 223 verschillende
mogelijke combinaties
zygote de bevruchte eicel; eindresultaat van de conceptie waarbij
eicel en zaadcel samen versmelten tot een nieuwe cel
4.2 GENETISCHE OVERDRACHT
allel een variant van een gen
dominant allel eigenschappen waarvoor dominante allelen coderen komen
al tot uiting in het fenotype zodra één allel aanwezig is;
mogelijk bij homozygoot én heterozygoot
recessief allel eigenschappen waarvoor recessieve allelen coderen komen
enkel tot uiting in het fenotype als beide allelen aanwezig zijn;
de recessieve variant van een gen is enkel mogelijk in
afwezigheid van de dominante variant; mogelijk bij
homozygoot
Mendeliaanse basis van de hedendaagse genetica; principes van genetische
overervingswetten overerving gebaseerd op dominantie en recessiviteit van
eigenschappen
homozygoot gen bestaande uit hetzelfde allel van beide ouders
heterozygoot gen bestaande uit verschillende allelen van beide ouders
polygenetische overerving meerdere genenparen zijn samen verantwoordelijk voor een
eigenschap
4.3 AANGEBOREN OF VERWORVEN?
tweelingdesign typische onderzoeksmethode; gebaseerd op de redenering
dat als een kenmerk erfelijk is, dan zullen personen die meer
3
, genetische informatie gemeenschappelijk hebben in dat
kenmerk sterker op elkaar lijken; meting van een kenmerk bij
zowel een-eiige tweelingen als twee-eiige tweelingen die
opgroeien in hetzelfde gezin
monozygote tweeling eenzelfde eicel bevrucht door eenzelfde spermacel; 100%
overeenkomst in genetische informatie
dizygote tweeling twee verschillende eicellen bevrucht door twee verschillende
spermacellen; 50% overeenkomst in genetische informatie
erfelijkheid heridity (H); genen
gedeelde omgeving shared environment (SE); gezinscontext
niet-gedeelde omgeving non-shared environment (NSE); context uniek per individu
rMZ > rDZ sterke genetische bepaaldheid
rMZ ≈ rDZ zwakke genetische bepaaldheid
rMZ > 2x rDZ vooral genetische aanleg
rMZ > rDZ maar niet 2x zowel genetische aanleg als gedeelde omgeving
rMZ ~ 0 alleen niet-gedeelde omgeving
rMZ ≈ rDZ en beide > 0 samenhang obv gedeelde omgeving
rMZ = SE + H
rDZ = SE + ½ H
H = 2 x (rMZ - rDZ)
SE = rMZ - H
NSE = 1 - rMZ
adoptiedesign typische onderzoeksmethode; gebaseerd op vergelijking in
overeenkomst tussen genetisch gerelateerde personen met
genetisch ongerelateerde personen; overeenkomst tussen
adoptiekind – adoptieouder obv gedeelde omgeving;
overeenkomst tussen adoptiekind – biologische ouder obv
gedeelde genen
4.4 GEN-OMGEVINGSSAMENSPEL
ontwikkelingspotentieel de unieke genetische code van het individu bepaalt diens
startpositie en bepaalt de ontwikkelingsmogelijkheid;
doorheen de ontwikkeling stelt de genetische code grenzen
aan wat mogelijk is
gen-omgevingsinteractie “nature loads the gun, nurture pulls the trigger; genetische
(GxE) verschillen in sensitiviteit voor bep. omgevingsfactoren;
mensen verschillen op vlak van vatbaarheid voor bep.
omgevingen; eenzelfde omgevingsfactor kan een
verschillende impact hebben op verschillende individuen afh.
van hun genotype; een genetische kwetsbaarheid of talent
manifesteert zich enkel in bep. omgevingen
gen-omgevingscorrelatie de samenhang tussen iemands genetische constitutie en de
(rGE) omgevingen waarin hij/zij terechtkomt
passieve het kind erft een bep. talent/kwetsbaarheid en groeit op in een
gen-omgevingscorrelatie omgeving die vanuit zelfde talent/kwetsbaarheid van de ouder
vormgegeven is; kind groeit via ouders op in een omgeving
waarin talent/kwetsbaarheid optimaal tot uiting kan komen
reactieve (evocatieve) het kind erft een bep. talent/kwetsbaarheid en lokt daardoor
gen-omgevingscorrelatie bep. – reacties in – omgeving uit; kind wordt door anderen
gestimuleerd tot omgevingen waarin talent/kwetsbaarheid
4