HS 1: kennismaking en historiek
1.1 KENNISMAKING
ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie van patronen van groei, verandering,
stabiliteit van conceptie tot hoge ouderdom in verschillende ontwikkelingsdomeinen (fysiek, cognitief,
sociaal-emotioneel en persoonlijkheid)
ontwikkelingsfasen
1 prenataal
2 babytijd
3 peuter- en kleutertijd
4 schooltijd
5 adolescentie
6 ontluikende volwassenheid
7 volwassenheid
8 ouderdom
opgelet: nuancering
• slechts sociale constructies obv onderzoek in “WEIRD” samenlevingen
o indeling in ontwikkelingsfasen gebaseerd op westerse cultuur (Western Educated
Industrialized Rich Democratic) dus rekening houden met deze ‘bril’
1.2 HISTORIEK
Philippe Ariès (1914-1984)
• Frans historicus
• ontdekker van “het kind” als voorwerp van historisch onderzoek
1
, • cultuurhistorische studie over kind en kindertijd sinds middeleeuwen ahv afbeelding van
kinderen in schilderijden, beschrijving van kinderen in dagboeken, etc.
o vb: kinderen werden geschilderd als ‘mini volwassenen’ met volwassen kenmerken
• conclusie:
o kinderen werden eeuwenlang als miniatuurvolwassenen gezien
o kindertijd is een sociale constructie van vrij recente datum (± 1600)
§ stelling door latere auteurs genuanceerd
“standing on the shoulders of giants”: wetenschap boekt vooruitgang door steeds verder te bouwen
op eerdere inzichten
1.3 VROEGE DENKERS
EMPIRISME (NURTURE)
John Locke (1632-1704)
“iedereen kan alles worden”
• grondlegger empirisme met latere uitwerking in behaviorisme
• mens wordt geboren als een onbeschreven blad (‘tabula rasa’) zonder aangeboren tendenzen
• alle verschillen tussen mensen zijn toe te schrijven aan verschillende omgevingen/ervaringen
o verschillende levensloop obv verschillende omgevingen/ervaringen
• nadruk op belang van ervaring - hier: opvoeding - in ontwikkeling
o bij geboorte kan het nog alle kanten uitgaan
o kinderen kunnen tot gelijk wat ‘gevormd’ worden
o kind als passieve ontvanger van omgevingsinvloeden (⟷ Rousseau)
NATIVISME (NATURE)
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
“kinderen zijn nobele wilden”
• aanhanger nativisme
• kinderen worden geboren met inherent potentieel en talenten (‘aangeboren goedheid’)
• ontwikkeling voltrekt zich in afzonderlijke fasen die zich automatisch ontvouwen (‘maturatie’)
o als kinderen verzorgd en beschermd worden bereiken ze vanzelf hun volle potentieel
o als kinderen frustatie ervaren bij het proberen ontwikkelen van de aangeboren goedheid
dan zal ontwikkelingsuitkomst negatief zijn
• ontwikkeling verloopt in lijn met wat natuur al voorzien heeft
o slechts minimale rol voor opvoeding
o opvoeding mag niet opdringerig zijn, slechts ontvouwen wat van nature al aanwezig is
o kind als actief wezen die met gekregen uitrusting aan de slag moet gaan (↔ Locke)
1.4 START VAN WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Charles Darwin • grondlegger evolutietheorie
(1809-1882) • parallel tussen ontwikkeling van individuen binnen soort (ontogenese)
– ontwikkeling van soort als geheel (fylogenese)
• babybiografie over eerste levensjaar van eigen zoon
o gedetailleerde studie over ontwikkeling eigen zoon
o eerste systematische observatie in ontwikkelingspsychologie
o slechts subjectieve weergave in dagboekformaat
o babybiografie als methode later verder ontwikkeld
2
, • observatie van kinderen krijgt systematisch karakter
• start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
Granville Stanley Hall • geïnspireerd door Darwin: ontogenese als herhaling van fylogenese
(1844-1924) • ontwikkeling als reeks genetisch bepaalde gebeurtenissen die zich
automatisch ontvouwen, zoals een bloem
• stichter Child Study Movement
o beweging in VS
o toepassing wetenschappelijke methodes op studie van kind
o normatieve benadering
§ eerste gebruik van vragenlijsten
§ individuele antwoorden vergeijken met grotere groep
• aandacht voor belang van adolescentie; adolescentie als afzonderlijke
ontwikkelingsfase (‘storm en stress’)
“men kan de typische wildheid van kinderen maar beter toelaten tot
een jaar of twaalf”
Arnold Gesell • leerling van Hall
(1880-1961) • “father of child development”
• bestudeerde 10.000 kinderen via observatie en ouderinterviews
• focus op maturatie, beperkte rol van ervaring
• alle kinderen doorlopen dezelfde stadia
o ontwikkeling in babytijd verloopt in twee richtingen
§ van hoofd naar voeten
§ van centrum naar buiten
• Gesell Developmental Schedules
o eerste ontwikkelingstest
o voorloper intelligentietest voor zeer jonge kinderen
o hoe ver staat kind mbt bep. ontwikkelingsdomeinen?
“als we e<ectieve hulpmiddelen gebruiken, onthult het kind zichzelf
aan iedereen die stopt en luistert naar wat het zegt en die met ziende
ogen kijkt naar wat het doet”
Maria Montessori • kinderen leren op een natuurlijke manier door rijpingsprocessen
(1870-1952) o kinderen leren vanzelf dmv dingen te doen
• Montessorie-kleuterschool: onderwijsaanpak obv zelfredzaamheid
“leer het me zelf doen”
Alfred Binet • Frans psycholoog
(1857-1911) • ontwikkelde eerste intelligentietest
o op vraag van ministerie van onderwijs
o door invoer leerplicht nood aan bijzonder onderwijs
o via test uitmaken wie extra begeleiding nodig had
• stimuleerde interesse in individuele verschillen in ontwikkeling
3
, Lewis Terman • aanpassing en uitbreiding intelligentietest van Binet voor context VS
(1877-1956) • oprichter Genetic Studies of the Genius
o later Terman Study of the Gifted
o langstlopende longitudinale studie
o veel aandacht voor genetische basis van intelligentie met
beperkte rol van omgeving
• problematisch: intelligentietest opgepikt door eugenetica-beweging
o overtuiging: selecteren in soort, verhinderen dat mensen met
lagere score en dus inferieure genen voortplanten of migreren
Leta Stetter • bouwt verder op werk van Terman
Hollingworth • studie van intelligentie met focus op hoogbegaafdheid
(1886-1939) • aandacht voor unieke uitdagingen van cognitief sterke kinderen
• erkende genetische basis van verschillen in intelligentie, maar had ook
veel aandacht voor schoolpsychologische praktijk
gemeenschappelijk doel: groei, verandering, stabiliteit tijdens vnl. kindertijd bestuderen
= start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
• overgang van genetische psychologie naar ontwikkelingspsychologie
o aanvankelijk klemtoon op erfelijke sturing (‘genetische psychologie’)
o later meer aandacht voor ook context (‘ontwikkelingspsychologie’)
§ bijstelling eenzijdige visie dat ontwikkeling hoofdzakelijk genetisch gestuurd is
§ samenspel tussen genen én context waarin ontwikkeling plaatsvindt
• uitwerking nieuwe statistische methoden en onderzoeksparadigma’s
• ook binnen theorievorming meer klemtoon op opvoeding en ervaring (pedagogie, behaviorisme)
• tot halfweg 20e E focus op kindertijd, geleidelijk interesse in andere fasen
o initieel vanuit andere disciplines
§ interesse in adolescentie vanuit sociologie
§ interesse in veroudering vanuit geneeskunde
§ maar: volwassenheid lang onderbestudeerd
• deeldisciplines aanvankelijk los van elkaar (kinderpsych./adolescentiepsych./gerontologie1)
o pas recent ‘levensloopperspectief’
1
gerontologie: wetenschap die het verouderingsproces bestudeert op lichamelijk, maatschappelijk en geestelijk vlak
4
, HS 2: theoretische perspectieven
2.1 VIER KERNVRAAGSTUKKEN
1) CONTINUÏTEIT ⟷ DISCONTINUÏTEIT
verloopt ontwikkelingsproces continu of discontinu?
continuïteit discontinuïteit
geleidelijke ontwikkeling ontwikkeling in aparte stappen (= stadia)
kwantitatieve verschillen kwalitatieve verschillen
• meer en complexer • bruuske overgangen tussen stadia
• vaardigheden veranderen niet qua aard • er ontstaan andere manieren van zich
doorheen ontwikkeling gedragen, denken, voelen, etc.
prestaties op bep. niveau vloeien voort uit die op elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud en
de vorige niveaus hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere
stadia
2) KRITIEKE PERIODE ↔ GEVOELIGE PERIODE
kent ontwikkelingsproces kritieke periodes of gevoelige periodes?
hedendaagse visie: eerder sprake van gevoelige periodes owv grote plasticiteit in ontwikkeling
(cf evidentie: andere hersendelen kunnen functies van beschadigde hersendelen overnemen)
kritieke periode gevoelige periode
periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan periode in ontwikkeling waarin men extra
bep. stimuli noodzakelijk is: uitblijven ervan ontvankelijk is voor het optreden of juist
heeft onomkeerbare gevolgen uitblijven van bep. stimuli
vb: kinderen die opgroeien zonder sensitieve vb: kinderen die opgroeien zonder sensitieve
ouders zullen later nooit een veilige hechting ouders kunnen later toch nog leren om een
kunnen aangaan veilige hechting aan te gaan
= afgezwakte versie van kritieke periode
periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan optimale periode in ontwikkeling om bep.
bep. stimuli onomkeerbare schade berokkent vaardigheden aan te leren
vb: blootstelling aan toxische sto;en tijdens bep. vb: het is op jonge leeftijd makkelijker om een
weken in prenatale fase verstoort embryonale nieuwe taal te leren, maar op latere leeftijd is dit
ontwikkeling ook nog mogelijk
5
,3) ÉÉN UNIVERSEEL TRAJECT ⟷ VELE MOGELIJKE TRAJECTEN
ontvouwt ontwikkelingsproces zich volgens één universeel traject of volgens vele mogelijke trajecten?
één universeel traject vele mogelijke trajecten
opeenvolging van vaste stadia in universeel veel mogelijke trajecten door unieke
patroon combinaties van persoons- en
omgevingskenmerken
iedereen hetzelfde stadia rond dezelfde leeftijd
grote invloed van genetische aanleg en
rijpingsprocessen
4) NATURE ↔ NURTURE
wordt ontwikkelingsproces beïnvloed door nature of nurture?
nature nurture
nativisme empirisme
ontwikkeling vooral het resultaat van het zich ontwikkeling vooral bepaald door
geleidelijk ontvouwen van voorbestemde omgevingsfactoren en ervaringen
genetische informatie (= maturatie)
2.2 20 STE -EEUWSE THEORIEËN
de opkomst van de ontwikkelingspsychologie als wetenschappelijke discipline bracht diverse
theoretische perspectieven op ontwikkeling
6
,PSYCHODYNAMISCHE THEORIEËN
Sigmund Freud (1856-1939)
• eerste arts die intensief naar patiënten luistert
• bedenkt psychologische verklaringen voor lichamelijke symptomen
• sterke focus op kindertijd
• grondlegger psychoanalyse:
o onbewuste krachten zijn bepalend voor gedrag en persoonlijkheid
o ontwikkeling begrijpen via het onbewuste
o persoonlijkheid heeft drie aspecten (id – ego – superego)
§ ‘id’ = primitieve driften aanwezig vanaf geboorte
- werking via genotsprincipe
- zo veel mogelijk genot, zo weinig mogelijk onrust
§ ‘ego’ = bewust rationele persoonlijkheid
- werking via realiteitsprincipe
- instincten in toom houden en uiten op sociaal aanvaarde wijze
§ ‘superego’ = geweten
- conformeren aan waarden en normen in maatschappij
• psychoseksuele ontwikkelingstheorie als basis van persoonlijkheidsontwikkeling
o persoonlijkheid ontwikkelt zich volgens fasen waarin telkens andere lichaamszone bron
van genot is (oraal – anaal – fallisch – latentie – genitaal)
o ‘fixatie’: kind blijft vasthangen in een fase als het foutloopt
Erik Erikson (1902-1994)
• bouwde verder op werk van Freud
o ‘ego’ veel centralere en constructievere rol dan bij Freud
• ‘ego’psycholoog: ego overbrugt tegenstrijdigheden en brengt harmonie binnen persoon alsook
tussen persoon met omgeving
• grondlegger psychosociale ontwikkelingstheorie:
o acht stadia volgens vast patroon
o ‘ontwikkelingstaken’: in elk stadium moet een crisis (grotendeelds) opgelost worden
• veel aandacht voor ontwikkeling van identiteit, gelinkt aan eigen levenservaringen
• pionier in levensloopperspectief
o ontwikkeling eindigt pas in hoge ouderdom
o adolescentie als cruciale fase waarbinnen identiteitsontwikkeling plaatsvindt
• persoonlijke crisis door verwarring vaderfiguur
7
, o ingrijpende ervaring in eigen leven -> belang identiteit en identiteitsontwikkeling
vb babytijd: crisis oplossen = vertrouwen / crisis niet oplossen = wantrouwen
-> baby’s moeten leren dat ze andere mensen kunnen vertrouwen
BEHAVIORISTISCHE THEORIEËN
John Watson (1878-1959)
• exogene benadering: waarneembaar gedrag en externe stimuli om ontwikkeling te begrijpen
o begrijpen hoe iemand zich ontwikkelt, zich gedraagt, etc. door te kijken naar diens
omgeving en ervaringen ↔ idee dat interne kenmerken van belang zijn (onbewustzijn, …)
• stimulus-respons leerproces als cruciale factor
o klassieke conditionering (cf. Pavlov)
§ associatie onvrijwillige reactie – stimulus
o operante conditionering (cf. Skinner)
§ associatie vrijwillige gedrag – pos/neg gevolg
• ontwikkeling als reeks van kwantitatieve veranderingen
• ontwikkeling kent volledig persoonlijk verloop want obv specifieke omgeving individu
• mens geboren zonder voorafbestaand plan (cf. ‘tabula rasa’ John Locke)
o “give me a dozen healthy infants, well-formed, and my own specified world to bring
them up in and I’ll guarantee to take any one at random and train him to become any
type of specialist I might select – doctor, lawyer, artist, merchant and yes, even
beggar-man and thief, regardless of his talents, tendencies, abilities and race”
• Little Albert experiment
Albert Bandura (1925-2021)
• grondlegger sociale leertheorie:
o leerproces via observatie en imitatie van gedrag van anderen (‘modeling’)
o consequenties van gedrag zelf niet van belang om ervan te leren
8
, o niet zuiver behavioristisch, ook cognitieve component
§ herinnering aan gedrag van anderen om te kunnen reproduceren
§ geen zuiver gedrag want vereist mentale representatie
o stappen sociaal leren:
§ (1) aandacht - (2) retentie - (3) reproductie - (4) motivatie
§ gedrag opmerken -> gedrag herinneren -> gedrag uitvoeren
§ gemotiveerd zijn om gedrag te leren
§ vb: als kinderen die bang zijn van honden blootgesteld worden aan andere
kinderen die spelen met honden dan zal hun schrik afnemen
• Bobo Doll experiment
COGNITIEVE THEORIEËN
Jean Piaget (1896-1980)
• cognitieve ontwikkeling verloopt universeel in vier stadia in vaste volgorde
o begrip en kennis nemen niet alleen toe maar veranderen ook kwalitatief
§ in elk stadium ontstaat nieuw soort denken
o overgang naar volgend stadium vanaf voldoende fysieke rijping
o ook adequate stimulatie van kind vanuit omgeving vereist
o geleidelijk proces met telkens overgangsperiode tussen verschillende stadia
§ ‘transitiefenomenen’: fenomenen uit vorige en volgende fase treden samen op
• handelen gaat vooraf aan begrijpen: cognitieve ontwikkeling door eerst te doen
o gedrag als uiting van cognitieve ontwikkeling
o onderschatting cognitieve vaardigheden: baby’s kunnen vaak pas later motorisch tonen
dat ze cognitief iets begrijpen
• kinderen construeren een mentaal begrip van de wereld
o schema’s als fundamentele bouwstenen
o georganiseerde manieren om betekenis te geven aan ervaringen
o kinderen leren via het opbouwen, aanpassen, toepassen van schema’s
• twee basisprincipes van adaptatie:
o accommodatie: schema’s worden opgebouwd en aangepast in interactie met omgeving
§ aanpassing van schema aan nieuwe informatie
o assimilatie: schema’s worden gebruikt om omgeving te interpreteren
§ toepassing van schema op gelijkaardige situatie
9
, • vb: ervaringen worden opgeslagen in schema’s (kind komt voor de eerste keer in restaurant en
onthoudt het verloop hiervan) -> bij volgende blootstelling aan gelijkaardige situaties zijn er bep.
verwachtingen door toepassing van reeds opgebouwd schema (assimilatie: kind gaat zitten,
leest menu, bestelt eten en wacht) -> indien situatie niet overeenkomt met schema zal schema
aangepast worden (accommodatie: kind haalt zelf eten in zelfbedieningsrestaurant)
recentere modellen gaan eerder uit van een continu ontwikkelingsproces (itt Piagets stadia) en
beschouwen cognitie als een set van afzonderlijke vaardigheden (itt Piagets systeem)
informatieverwerkingstheorie: focus op manier waarop mensen informatie verwerken
(aandacht geven, coderen, oplaan, weer ophalen)
• metafoor van mens als computer
• cognitie als verschillende typen afzonderlijke vaardigheden (geheugen, aandacht, …)
• cognitieve groei als
o … toenemende capaciteit van opslag, vnl. in werkgeheugen
o … toenemende snelheid van informatieverwerking
o … betere coördinatie van de verschillende processen
SYSTEMISCHE THEORIEËN
ontwikkeling gebeurt niet in vacuüm maar binnen context die enorm van belang is
mensen die men ontmoet, plaatsen waar men komt, ideeën waarmee men kennismaakt, … zijn
fundamentele elementen van ontwikkelingsproces individu
Urie Bronfenbrenner (1917-2005)
• medeoprichter Head Start Project (zomerprogramma voor kinderen uit lagere milieus)
• kritiek op toenmalig gangbaar ontwikkelingspsychologisch onderzoek:
o laboratoriumstudies, unidirectioneel denken, te veel focus op individu los van context
o vreemde en onnuttige procedure in onderzoek: kinderen observeren via doorkijkspiegel
in spelkamer waarin vaste opeenvolging van gebeurtenissen plaatsvond
o “the science of the strange behavior of children in strange situations with strange
adults for the briefest period of time”
• grondlegger bio-ecologisch model: nieuw perspectief op menselijke ontwikkeling
o ecologisch perspectief
§ individu begrijpen in interactie met zijn ‘gelaagde’ context
§ niet één maar verschillende niveaus van contexten
o fenomenologisch perspectief
§ niet kijken naar objectieve context
§ ‘ervaren’ omgeving: hoe omgeving wordt ervaren door kind zelf
o systemisch perspectief
§ geen eenrichtingsverkeer, wederzijdse beïnvloeding tussen kind en omgeving
§ vb: als kind van zichzelf vriendelijk is zal dit positieve reacties uitlokken in context
• inspiratiebronnen:
o eigen ervaringen uit kindertijd
§ emigratie naar VS en onderzoek van vader
o seminaries en samenwerkingen
§ pleidooi voor fenomenologische benadering en tegen laboratoriumstudies
o cross-cultureel veldonderzoek
§ in zowel VS als RUS: duidelijke verschillen in ontwikkeling afh. van context
§ individualistische maatschappij (VS) - collectivistische maatschappij (USSR)
o impact van beleid op individuen
§ vb: beslissingen regering met impact op werkomstandigheden ouders
10
1.1 KENNISMAKING
ontwikkelingspsychologie = de wetenschappelijke studie van patronen van groei, verandering,
stabiliteit van conceptie tot hoge ouderdom in verschillende ontwikkelingsdomeinen (fysiek, cognitief,
sociaal-emotioneel en persoonlijkheid)
ontwikkelingsfasen
1 prenataal
2 babytijd
3 peuter- en kleutertijd
4 schooltijd
5 adolescentie
6 ontluikende volwassenheid
7 volwassenheid
8 ouderdom
opgelet: nuancering
• slechts sociale constructies obv onderzoek in “WEIRD” samenlevingen
o indeling in ontwikkelingsfasen gebaseerd op westerse cultuur (Western Educated
Industrialized Rich Democratic) dus rekening houden met deze ‘bril’
1.2 HISTORIEK
Philippe Ariès (1914-1984)
• Frans historicus
• ontdekker van “het kind” als voorwerp van historisch onderzoek
1
, • cultuurhistorische studie over kind en kindertijd sinds middeleeuwen ahv afbeelding van
kinderen in schilderijden, beschrijving van kinderen in dagboeken, etc.
o vb: kinderen werden geschilderd als ‘mini volwassenen’ met volwassen kenmerken
• conclusie:
o kinderen werden eeuwenlang als miniatuurvolwassenen gezien
o kindertijd is een sociale constructie van vrij recente datum (± 1600)
§ stelling door latere auteurs genuanceerd
“standing on the shoulders of giants”: wetenschap boekt vooruitgang door steeds verder te bouwen
op eerdere inzichten
1.3 VROEGE DENKERS
EMPIRISME (NURTURE)
John Locke (1632-1704)
“iedereen kan alles worden”
• grondlegger empirisme met latere uitwerking in behaviorisme
• mens wordt geboren als een onbeschreven blad (‘tabula rasa’) zonder aangeboren tendenzen
• alle verschillen tussen mensen zijn toe te schrijven aan verschillende omgevingen/ervaringen
o verschillende levensloop obv verschillende omgevingen/ervaringen
• nadruk op belang van ervaring - hier: opvoeding - in ontwikkeling
o bij geboorte kan het nog alle kanten uitgaan
o kinderen kunnen tot gelijk wat ‘gevormd’ worden
o kind als passieve ontvanger van omgevingsinvloeden (⟷ Rousseau)
NATIVISME (NATURE)
Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)
“kinderen zijn nobele wilden”
• aanhanger nativisme
• kinderen worden geboren met inherent potentieel en talenten (‘aangeboren goedheid’)
• ontwikkeling voltrekt zich in afzonderlijke fasen die zich automatisch ontvouwen (‘maturatie’)
o als kinderen verzorgd en beschermd worden bereiken ze vanzelf hun volle potentieel
o als kinderen frustatie ervaren bij het proberen ontwikkelen van de aangeboren goedheid
dan zal ontwikkelingsuitkomst negatief zijn
• ontwikkeling verloopt in lijn met wat natuur al voorzien heeft
o slechts minimale rol voor opvoeding
o opvoeding mag niet opdringerig zijn, slechts ontvouwen wat van nature al aanwezig is
o kind als actief wezen die met gekregen uitrusting aan de slag moet gaan (↔ Locke)
1.4 START VAN WETENSCHAPPELIJKE ONTWIKKELINGSPSYCHOLOGIE
Charles Darwin • grondlegger evolutietheorie
(1809-1882) • parallel tussen ontwikkeling van individuen binnen soort (ontogenese)
– ontwikkeling van soort als geheel (fylogenese)
• babybiografie over eerste levensjaar van eigen zoon
o gedetailleerde studie over ontwikkeling eigen zoon
o eerste systematische observatie in ontwikkelingspsychologie
o slechts subjectieve weergave in dagboekformaat
o babybiografie als methode later verder ontwikkeld
2
, • observatie van kinderen krijgt systematisch karakter
• start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
Granville Stanley Hall • geïnspireerd door Darwin: ontogenese als herhaling van fylogenese
(1844-1924) • ontwikkeling als reeks genetisch bepaalde gebeurtenissen die zich
automatisch ontvouwen, zoals een bloem
• stichter Child Study Movement
o beweging in VS
o toepassing wetenschappelijke methodes op studie van kind
o normatieve benadering
§ eerste gebruik van vragenlijsten
§ individuele antwoorden vergeijken met grotere groep
• aandacht voor belang van adolescentie; adolescentie als afzonderlijke
ontwikkelingsfase (‘storm en stress’)
“men kan de typische wildheid van kinderen maar beter toelaten tot
een jaar of twaalf”
Arnold Gesell • leerling van Hall
(1880-1961) • “father of child development”
• bestudeerde 10.000 kinderen via observatie en ouderinterviews
• focus op maturatie, beperkte rol van ervaring
• alle kinderen doorlopen dezelfde stadia
o ontwikkeling in babytijd verloopt in twee richtingen
§ van hoofd naar voeten
§ van centrum naar buiten
• Gesell Developmental Schedules
o eerste ontwikkelingstest
o voorloper intelligentietest voor zeer jonge kinderen
o hoe ver staat kind mbt bep. ontwikkelingsdomeinen?
“als we e<ectieve hulpmiddelen gebruiken, onthult het kind zichzelf
aan iedereen die stopt en luistert naar wat het zegt en die met ziende
ogen kijkt naar wat het doet”
Maria Montessori • kinderen leren op een natuurlijke manier door rijpingsprocessen
(1870-1952) o kinderen leren vanzelf dmv dingen te doen
• Montessorie-kleuterschool: onderwijsaanpak obv zelfredzaamheid
“leer het me zelf doen”
Alfred Binet • Frans psycholoog
(1857-1911) • ontwikkelde eerste intelligentietest
o op vraag van ministerie van onderwijs
o door invoer leerplicht nood aan bijzonder onderwijs
o via test uitmaken wie extra begeleiding nodig had
• stimuleerde interesse in individuele verschillen in ontwikkeling
3
, Lewis Terman • aanpassing en uitbreiding intelligentietest van Binet voor context VS
(1877-1956) • oprichter Genetic Studies of the Genius
o later Terman Study of the Gifted
o langstlopende longitudinale studie
o veel aandacht voor genetische basis van intelligentie met
beperkte rol van omgeving
• problematisch: intelligentietest opgepikt door eugenetica-beweging
o overtuiging: selecteren in soort, verhinderen dat mensen met
lagere score en dus inferieure genen voortplanten of migreren
Leta Stetter • bouwt verder op werk van Terman
Hollingworth • studie van intelligentie met focus op hoogbegaafdheid
(1886-1939) • aandacht voor unieke uitdagingen van cognitief sterke kinderen
• erkende genetische basis van verschillen in intelligentie, maar had ook
veel aandacht voor schoolpsychologische praktijk
gemeenschappelijk doel: groei, verandering, stabiliteit tijdens vnl. kindertijd bestuderen
= start wetenschappelijke studie van ontwikkeling
• overgang van genetische psychologie naar ontwikkelingspsychologie
o aanvankelijk klemtoon op erfelijke sturing (‘genetische psychologie’)
o later meer aandacht voor ook context (‘ontwikkelingspsychologie’)
§ bijstelling eenzijdige visie dat ontwikkeling hoofdzakelijk genetisch gestuurd is
§ samenspel tussen genen én context waarin ontwikkeling plaatsvindt
• uitwerking nieuwe statistische methoden en onderzoeksparadigma’s
• ook binnen theorievorming meer klemtoon op opvoeding en ervaring (pedagogie, behaviorisme)
• tot halfweg 20e E focus op kindertijd, geleidelijk interesse in andere fasen
o initieel vanuit andere disciplines
§ interesse in adolescentie vanuit sociologie
§ interesse in veroudering vanuit geneeskunde
§ maar: volwassenheid lang onderbestudeerd
• deeldisciplines aanvankelijk los van elkaar (kinderpsych./adolescentiepsych./gerontologie1)
o pas recent ‘levensloopperspectief’
1
gerontologie: wetenschap die het verouderingsproces bestudeert op lichamelijk, maatschappelijk en geestelijk vlak
4
, HS 2: theoretische perspectieven
2.1 VIER KERNVRAAGSTUKKEN
1) CONTINUÏTEIT ⟷ DISCONTINUÏTEIT
verloopt ontwikkelingsproces continu of discontinu?
continuïteit discontinuïteit
geleidelijke ontwikkeling ontwikkeling in aparte stappen (= stadia)
kwantitatieve verschillen kwalitatieve verschillen
• meer en complexer • bruuske overgangen tussen stadia
• vaardigheden veranderen niet qua aard • er ontstaan andere manieren van zich
doorheen ontwikkeling gedragen, denken, voelen, etc.
prestaties op bep. niveau vloeien voort uit die op elk stadium levert gedrag op dat qua inhoud en
de vorige niveaus hoedanigheid anders is dan gedrag in eerdere
stadia
2) KRITIEKE PERIODE ↔ GEVOELIGE PERIODE
kent ontwikkelingsproces kritieke periodes of gevoelige periodes?
hedendaagse visie: eerder sprake van gevoelige periodes owv grote plasticiteit in ontwikkeling
(cf evidentie: andere hersendelen kunnen functies van beschadigde hersendelen overnemen)
kritieke periode gevoelige periode
periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan periode in ontwikkeling waarin men extra
bep. stimuli noodzakelijk is: uitblijven ervan ontvankelijk is voor het optreden of juist
heeft onomkeerbare gevolgen uitblijven van bep. stimuli
vb: kinderen die opgroeien zonder sensitieve vb: kinderen die opgroeien zonder sensitieve
ouders zullen later nooit een veilige hechting ouders kunnen later toch nog leren om een
kunnen aangaan veilige hechting aan te gaan
= afgezwakte versie van kritieke periode
periode in ontwikkeling waarin blootstelling aan optimale periode in ontwikkeling om bep.
bep. stimuli onomkeerbare schade berokkent vaardigheden aan te leren
vb: blootstelling aan toxische sto;en tijdens bep. vb: het is op jonge leeftijd makkelijker om een
weken in prenatale fase verstoort embryonale nieuwe taal te leren, maar op latere leeftijd is dit
ontwikkeling ook nog mogelijk
5
,3) ÉÉN UNIVERSEEL TRAJECT ⟷ VELE MOGELIJKE TRAJECTEN
ontvouwt ontwikkelingsproces zich volgens één universeel traject of volgens vele mogelijke trajecten?
één universeel traject vele mogelijke trajecten
opeenvolging van vaste stadia in universeel veel mogelijke trajecten door unieke
patroon combinaties van persoons- en
omgevingskenmerken
iedereen hetzelfde stadia rond dezelfde leeftijd
grote invloed van genetische aanleg en
rijpingsprocessen
4) NATURE ↔ NURTURE
wordt ontwikkelingsproces beïnvloed door nature of nurture?
nature nurture
nativisme empirisme
ontwikkeling vooral het resultaat van het zich ontwikkeling vooral bepaald door
geleidelijk ontvouwen van voorbestemde omgevingsfactoren en ervaringen
genetische informatie (= maturatie)
2.2 20 STE -EEUWSE THEORIEËN
de opkomst van de ontwikkelingspsychologie als wetenschappelijke discipline bracht diverse
theoretische perspectieven op ontwikkeling
6
,PSYCHODYNAMISCHE THEORIEËN
Sigmund Freud (1856-1939)
• eerste arts die intensief naar patiënten luistert
• bedenkt psychologische verklaringen voor lichamelijke symptomen
• sterke focus op kindertijd
• grondlegger psychoanalyse:
o onbewuste krachten zijn bepalend voor gedrag en persoonlijkheid
o ontwikkeling begrijpen via het onbewuste
o persoonlijkheid heeft drie aspecten (id – ego – superego)
§ ‘id’ = primitieve driften aanwezig vanaf geboorte
- werking via genotsprincipe
- zo veel mogelijk genot, zo weinig mogelijk onrust
§ ‘ego’ = bewust rationele persoonlijkheid
- werking via realiteitsprincipe
- instincten in toom houden en uiten op sociaal aanvaarde wijze
§ ‘superego’ = geweten
- conformeren aan waarden en normen in maatschappij
• psychoseksuele ontwikkelingstheorie als basis van persoonlijkheidsontwikkeling
o persoonlijkheid ontwikkelt zich volgens fasen waarin telkens andere lichaamszone bron
van genot is (oraal – anaal – fallisch – latentie – genitaal)
o ‘fixatie’: kind blijft vasthangen in een fase als het foutloopt
Erik Erikson (1902-1994)
• bouwde verder op werk van Freud
o ‘ego’ veel centralere en constructievere rol dan bij Freud
• ‘ego’psycholoog: ego overbrugt tegenstrijdigheden en brengt harmonie binnen persoon alsook
tussen persoon met omgeving
• grondlegger psychosociale ontwikkelingstheorie:
o acht stadia volgens vast patroon
o ‘ontwikkelingstaken’: in elk stadium moet een crisis (grotendeelds) opgelost worden
• veel aandacht voor ontwikkeling van identiteit, gelinkt aan eigen levenservaringen
• pionier in levensloopperspectief
o ontwikkeling eindigt pas in hoge ouderdom
o adolescentie als cruciale fase waarbinnen identiteitsontwikkeling plaatsvindt
• persoonlijke crisis door verwarring vaderfiguur
7
, o ingrijpende ervaring in eigen leven -> belang identiteit en identiteitsontwikkeling
vb babytijd: crisis oplossen = vertrouwen / crisis niet oplossen = wantrouwen
-> baby’s moeten leren dat ze andere mensen kunnen vertrouwen
BEHAVIORISTISCHE THEORIEËN
John Watson (1878-1959)
• exogene benadering: waarneembaar gedrag en externe stimuli om ontwikkeling te begrijpen
o begrijpen hoe iemand zich ontwikkelt, zich gedraagt, etc. door te kijken naar diens
omgeving en ervaringen ↔ idee dat interne kenmerken van belang zijn (onbewustzijn, …)
• stimulus-respons leerproces als cruciale factor
o klassieke conditionering (cf. Pavlov)
§ associatie onvrijwillige reactie – stimulus
o operante conditionering (cf. Skinner)
§ associatie vrijwillige gedrag – pos/neg gevolg
• ontwikkeling als reeks van kwantitatieve veranderingen
• ontwikkeling kent volledig persoonlijk verloop want obv specifieke omgeving individu
• mens geboren zonder voorafbestaand plan (cf. ‘tabula rasa’ John Locke)
o “give me a dozen healthy infants, well-formed, and my own specified world to bring
them up in and I’ll guarantee to take any one at random and train him to become any
type of specialist I might select – doctor, lawyer, artist, merchant and yes, even
beggar-man and thief, regardless of his talents, tendencies, abilities and race”
• Little Albert experiment
Albert Bandura (1925-2021)
• grondlegger sociale leertheorie:
o leerproces via observatie en imitatie van gedrag van anderen (‘modeling’)
o consequenties van gedrag zelf niet van belang om ervan te leren
8
, o niet zuiver behavioristisch, ook cognitieve component
§ herinnering aan gedrag van anderen om te kunnen reproduceren
§ geen zuiver gedrag want vereist mentale representatie
o stappen sociaal leren:
§ (1) aandacht - (2) retentie - (3) reproductie - (4) motivatie
§ gedrag opmerken -> gedrag herinneren -> gedrag uitvoeren
§ gemotiveerd zijn om gedrag te leren
§ vb: als kinderen die bang zijn van honden blootgesteld worden aan andere
kinderen die spelen met honden dan zal hun schrik afnemen
• Bobo Doll experiment
COGNITIEVE THEORIEËN
Jean Piaget (1896-1980)
• cognitieve ontwikkeling verloopt universeel in vier stadia in vaste volgorde
o begrip en kennis nemen niet alleen toe maar veranderen ook kwalitatief
§ in elk stadium ontstaat nieuw soort denken
o overgang naar volgend stadium vanaf voldoende fysieke rijping
o ook adequate stimulatie van kind vanuit omgeving vereist
o geleidelijk proces met telkens overgangsperiode tussen verschillende stadia
§ ‘transitiefenomenen’: fenomenen uit vorige en volgende fase treden samen op
• handelen gaat vooraf aan begrijpen: cognitieve ontwikkeling door eerst te doen
o gedrag als uiting van cognitieve ontwikkeling
o onderschatting cognitieve vaardigheden: baby’s kunnen vaak pas later motorisch tonen
dat ze cognitief iets begrijpen
• kinderen construeren een mentaal begrip van de wereld
o schema’s als fundamentele bouwstenen
o georganiseerde manieren om betekenis te geven aan ervaringen
o kinderen leren via het opbouwen, aanpassen, toepassen van schema’s
• twee basisprincipes van adaptatie:
o accommodatie: schema’s worden opgebouwd en aangepast in interactie met omgeving
§ aanpassing van schema aan nieuwe informatie
o assimilatie: schema’s worden gebruikt om omgeving te interpreteren
§ toepassing van schema op gelijkaardige situatie
9
, • vb: ervaringen worden opgeslagen in schema’s (kind komt voor de eerste keer in restaurant en
onthoudt het verloop hiervan) -> bij volgende blootstelling aan gelijkaardige situaties zijn er bep.
verwachtingen door toepassing van reeds opgebouwd schema (assimilatie: kind gaat zitten,
leest menu, bestelt eten en wacht) -> indien situatie niet overeenkomt met schema zal schema
aangepast worden (accommodatie: kind haalt zelf eten in zelfbedieningsrestaurant)
recentere modellen gaan eerder uit van een continu ontwikkelingsproces (itt Piagets stadia) en
beschouwen cognitie als een set van afzonderlijke vaardigheden (itt Piagets systeem)
informatieverwerkingstheorie: focus op manier waarop mensen informatie verwerken
(aandacht geven, coderen, oplaan, weer ophalen)
• metafoor van mens als computer
• cognitie als verschillende typen afzonderlijke vaardigheden (geheugen, aandacht, …)
• cognitieve groei als
o … toenemende capaciteit van opslag, vnl. in werkgeheugen
o … toenemende snelheid van informatieverwerking
o … betere coördinatie van de verschillende processen
SYSTEMISCHE THEORIEËN
ontwikkeling gebeurt niet in vacuüm maar binnen context die enorm van belang is
mensen die men ontmoet, plaatsen waar men komt, ideeën waarmee men kennismaakt, … zijn
fundamentele elementen van ontwikkelingsproces individu
Urie Bronfenbrenner (1917-2005)
• medeoprichter Head Start Project (zomerprogramma voor kinderen uit lagere milieus)
• kritiek op toenmalig gangbaar ontwikkelingspsychologisch onderzoek:
o laboratoriumstudies, unidirectioneel denken, te veel focus op individu los van context
o vreemde en onnuttige procedure in onderzoek: kinderen observeren via doorkijkspiegel
in spelkamer waarin vaste opeenvolging van gebeurtenissen plaatsvond
o “the science of the strange behavior of children in strange situations with strange
adults for the briefest period of time”
• grondlegger bio-ecologisch model: nieuw perspectief op menselijke ontwikkeling
o ecologisch perspectief
§ individu begrijpen in interactie met zijn ‘gelaagde’ context
§ niet één maar verschillende niveaus van contexten
o fenomenologisch perspectief
§ niet kijken naar objectieve context
§ ‘ervaren’ omgeving: hoe omgeving wordt ervaren door kind zelf
o systemisch perspectief
§ geen eenrichtingsverkeer, wederzijdse beïnvloeding tussen kind en omgeving
§ vb: als kind van zichzelf vriendelijk is zal dit positieve reacties uitlokken in context
• inspiratiebronnen:
o eigen ervaringen uit kindertijd
§ emigratie naar VS en onderzoek van vader
o seminaries en samenwerkingen
§ pleidooi voor fenomenologische benadering en tegen laboratoriumstudies
o cross-cultureel veldonderzoek
§ in zowel VS als RUS: duidelijke verschillen in ontwikkeling afh. van context
§ individualistische maatschappij (VS) - collectivistische maatschappij (USSR)
o impact van beleid op individuen
§ vb: beslissingen regering met impact op werkomstandigheden ouders
10