1. EU-burgerschap (thema 2)
2. Staatssteun (thema 3)
3. Vrij verkeer van goederen (thema 2)
De vijf vragen van arrest:
a. Wie waren de partijen in deze zaak en op grond van welke procedure werd de zaak aanhangig
gemaakt bij het Hof van Justitie? (Vergeet niet artikel 267 VWEU te benoemen)
b. Vat de feiten en de centrale rechtsvraag/vragen in eigen woorden samen. (Lees hoofdgeding tot
beantwoording prejudiciële vragen en noem rechtsoverwegingen)
c. Wat is het oordeel van het Europese Hof van Justitie en met welke argumenten is dit oordeel
onderbouwd? Vat dit in eigen woorden samen. (Lees beantwoording prejudiciële vraag tot kosten en
noem rechtsoverwegingen)
d. Bespreek de kernelementen van het centrale leerstuk aan de hand van de relevante
verdragsbepalingen en de relevante arresten uit de jurisprudentiebundel. Bespreek vervolgens hoe
het te annoteren arrest zich tot dit centrale leerstuk verhoudt. (Laat zien dat je het leerstuk begrijpt,
noem daarom altijd indien mogelijk 2 arresten)
e. Wat is het belang van dit arrest voor partijen (bijvoorbeeld lidstaten, nationale rechters,
ondernemingen en natuurlijke personen) die zich in een vergelijkbare positie bevinden? (Denk aan de
impact die het kan hebben op bedrijven, rechters, overheden etc.)
Usb:
- Per thema uitwerken
- Per thema belangrijkste arresten en rechtsregels
Thema I: De verhouding tussen de Europese en de Nederlandse rechtsorde
Week 1, inleiding
Bronnen van het EU-recht:
1. Primaire en secundaire wetgeving, HvJ-jurisprudentie
2. Primaire: de EU verdragen
3. Secundaire: specifieke regels
4. HvJ-jurisprudentie: verduidelijking van regels, uitzondering, effet utile
1. Primaire wetgeving
VEU, VWEU en Handvest
Deze drie verdragen hebben dezelfde juridische waarde en zijn gelijk aan elkaar. (art. 1 lid 3 VEU, art.
6 lid 1 VEU) en protocollen hebben dezelfde waarde als de verdragen (art. 51 VEU)
2. Secundaire wetgeving (art. 288 VWEU)
Verordening algemeen verbindend zowel voor lidstaat als de burgers, geen implementatie nodig
(lidstaat kan de bepaling letterlijk overnemen), het geld voor iedereen
Richtlijnen enkel bindend voor lidstaten (wij als burgers niet), het stelt een doel/resultaat,
implementatie is wel nodig, hoe de lidstaat dit doel/resultaat behaald wordt, word in de nationale
wetgeving opgenomen. Hoe de lidstaat dit doel bereikt maakt dus niet uit in de richtlijn, er is dus
mogelijkheid tot eigen invulling.
Week 2, doorwerking van EU-recht
De Europese unie als nieuwe autonome rechtsorde
- Lidstaten hebben hun soevereiniteit begrensd door overdracht van bevoegdheden aan de EU
- Het gevolg van deze nieuwe autonome rechtsorde is dat de EU ook eigen gezag basis bezit
- Uit deze gezag basis volgt
Directe werking van EU recht (van Gend en Loos), kunnen wij ons direct beroepen op de
Europese regelgeving
1
, Voorrang van EU recht (Costa vs. Enel), EU recht heeft voorrang op nationaal recht
Grondslagen voor directe werking en voorrang
- Zelfstandige autonome rechtsorde Meer dan slechts een overeenkomst met wederzijdse
verplichtingen tussen staten. De rechtsorde bindt ook burgers (directe werking) en mag
daarom niet zomaar aan de kant worden gezet (voorrang)
- Loyaliteitsbeginsel Lidstaten moeten op grond van het loyaliteitsbeginstel alles doen om
bij te dragen aan het naleven van de EU-doelstellingen/regels. Dit gaat mede door beroep
van burgers voor de nationale recht toe te kennen (directe werking) en voorrang te verlenen
aan het EU-recht ten opzichte van nationaal recht). Lidstaten moeten het naleven.
- Effectiviteitsbeginsel Het Europese recht is alleen effectief indien burgers hier een beroep
op kunnen doen voor de nationale gerechten (directe werking) en indien de voorrang krijgt
boven nationale bepalingen.
Voorrang EU-recht (Costa vs Enel)
Het EU-recht en het nationaal recht botsen met elkaar. Het Unierecht, dat uit een autonome bron
voortvloeit, kan op grond van haar bijzonder karakter niet door enig voorschrift van nationaal recht
opzij worden gezet. Het zou dan haar gemeenschappelijke karakter verliezen en het EU-recht zal niet
langer effectief zijn en verbindend zijn in de nationale rechtsorde. Het maakt niet uit hoe oud of jong
het Unierecht is, het Unierecht gaat voor op de nationale wetgeving.
Gevolg van voorrang van EU-recht: Hvjeu Simmenthal II: De nationale rechters hebben de plicht om
EU recht toe te passen met strijdigheid met nationaal recht en daarmee hebben ze ook de plicht om
ieder nationaal recht dat in strijd is met EU-recht buiten toepassing te laten. Het nationaal recht
hoeft dus niet doorverwezen te worden naar een nationaal hof, of ongeldig verklaard te worden,
slechts buiten toepassing laten in het concrete geval is voldoende. Het HvJEU heeft namelijk niets te
zeggen over de geldigheid van het nationale recht. DUS NATIONALE WETGEVING BIJ VOORRANG VAN
EU-RECHT BUITEN TOEPASSING LATEN.
Directe werking/rechtstreekse werking
De burgers kunnen zich bij de nationale beroepen op een Europese bepaling. Je hebt voor het
inroepen van EU-recht voor de nationale rechter verticale directe werking (overheid burger) en
horizontale directe werking (burger burger).
Niet elke bepaling heeft directe werking. Primair recht heeft altijd directe werking (VEU, VWEU,
Handvest), bij secundair recht kan je je beroepen op verordeningen en uitspraken. Bij richtlijnen zit
dit net anders. Aanbevelingen van bijvoorbeeld het Europees parlement hebben nooit directe
werking.
Primair recht bij directe werking (VWEU, VEU, EU-handvest)
- Directe werking in horizontale en verticale relaties
Horizontaal: Defrenne arrest (art. 157 lid 1 VWEU) en (Bosman case, art. 45 VWEU)
Defrenne arrest: De uitspraak in de Defrenne zaak bevestigde dat deze rechten (VWEU, VEU,
Handvest) niet alleen gelden in de verhouding tussen de staat en burgers, maar ook tussen
particuliere partijen, zoals werkgevers en werknemers.
Verticaal (van Gend en Loos)
Onder welke voorwaarden? Van Gend en Loos:
- Onvoorwaardelijk: geen verdere maatregelen nodig ter invulling (nauwkeurig geformuleerd)
- Duidelijk geformuleerd: geschikt voor toepassing door de rechter, zonder teveel interpretatie
- Komt eigenlijk neer op een ieder verbindende bepaling
2
, Secundair EU recht: verordeningen
Verordeningen hebben algemene strekkende werking, zijn verbindend in al haar onderdelen en zijn
rechtstreeks, zonder implementatie, toepasselijk in elke lidstaat.
- Directe werking in verticale (van Gend en Loos) een horizontale (Leonisio arrest) relaties.
De waarde van een verordening zou worden ondermijnd wanneer individuen zich dar niet op
konden beroepen zoals zij wel zouden kunnen bij een nationale wet. Een verordening komt
gezien haar algemene strekking en rechtstreekse toepassing in alle lidstaten zeer dicht in de
buurt van een nationale wet.
- Onder welke voorwaarden? Voor zowel verticaal als horizontaal: van Gend en Loos
Richtlijnen
Niet rechtstreeks toepassing hebben implementatie nodig. (Alleen bindend voor lidstaten)
Richtlijn heeft nooit horizontale directe werking.
Richtlijnen kunnen alleen onder specifieke voorwaarden directe werking hebben voorwaarden –
Becker arrest
- De bepalingen uit de richtlijn moet voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk geformuleerd
zijn
- De implementatietermijn van de richtlijn moet zijn verstreken
- De richtlijn moet niet tijdig of onjuist geïmplementeerd zijn (implementatiefout)
- Kan alleen in verticale verhoudingen
Is van bovenstaande sprake? Dan kan je je hier tegenover wel beroepen tegen de overheid.
Waarom soms toch directe werking richtlijnen?
Van Duyn arrest: Een secretaresse wordt de toegang tot het VK geweigerd, omdat zij lid is van de
Scientology kerk. Het VK had de richtlijn niet geïmplementeerd, echter heeft het toch directe werking
en kan zij er direct een beroep op doen. Er was op dat moment een richtlijn dat je mensen niet
mocht weigeren op geloofsovertuiging, maar het VK had deze nog niet geïmplementeerd. De vrouw
kon hierbij zich dus beroepen op de richtlijn tegenover de overheid.
Het effectiviteitsbeginsel: rechten in richtlijnen moeten effectief gemaakt worden. Het zij niet via
correcte implementatie dan hetzij via de mogelijkheid om de richtlijn in te roepen bij de nationale
rechter.
Het Estoppel argument: het onjuist of niet-tijdig implementeren van richtlijnen schendt het
loyaliteitsbeginsel. De lidstaat mag heir geen profijt van hebben doordat de richtlijn vervolgens ook
niet in te roepen is bij de nationale rechter. Bij het Van Duyn arrest had de VK namelijk een voordeel
om haar te kunnen weigeren omdat zij de richtlijn nog niet hadden geïmplementeerd.
Richtlijnen hebben NOOIT horizontale directe werking (burger burger) – Faccini Dori arrest
Waarom niet? Ratti arrest: Een richtlijn richt zich aan een lidstaat. Het is niet de fout van een andere
particulier dat de richtlijn niet tijdig of onjuist geïmplementeerd is. De particulier mag uitgaan van
hetgeen weergegeven staat in de nationale wet. Dat de richtlijn hier eventueel niet juist is
geïmplementeerd is, mag geen probleem van de particulier worden – rechtszekerheid.
Een particulier kan er niks aan doen als een lidstaat een richtlijn niet geïmplementeerd heeft, een
particulier kan er dan ook niet voor aangekeken worden.
Oplossingen voor het probleem dat een richtlijn geen horizontale werking heeft.
Het is dus alsnog NOOIT horizontale directe werking.
1. Richtlijnconforme interpretatie (Von Colsen arrest)
3