Overtuigen met onderzoek
en statistiek
,Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 – Onderzoek........................................................................................ 3
Hoofdstuk 2 – Meten en variabelen........................................................................6
Hoofdstuk 3 – Vragenlijsten en interviews............................................................10
Hoofdstuk 4 – Steekproeven................................................................................. 14
Hoofdstuk 5 – Verbanden en onderzoeksopzetten................................................16
Hoofdstuk 6 – Gegevens verwerken en statistiek.................................................18
Hoofdstuk 7 – Groepen vergelijken en samenhang...............................................20
Kernbegrippen...................................................................................................... 21
Ultra korte samenvatting hoofdstuk 1 t/m 7.........................................................33
Wat je vooral moet kennen voor de toets.............................................................37
Algemeen.......................................................................................................... 37
De 10 dingen die bijna altijd terugkomen in de toets........................................37
Steekproeven herkennen (favoriet op de toets)................................................37
15 dingen die je uit je hoofd moet weten..........................................................38
Oefentoets 1 – Hoofdstuk 1 t/m 7.........................................................................39
Oefentoets 2 – Hoofdstuk 1 t/m 7.........................................................................42
Antwoorden oefentoets 1..................................................................................... 45
Antwoorden oefentoets 2..................................................................................... 46
,Hoofdstuk 1 – Onderzoek
Onderzoek is een doelgerichte activiteit waarbij je kennis opdoet die nieuw is,
om daarmee te helpen bij het oplossen van een probleem. Onderzoek heeft vaak
een praktisch doel. De resultaten kunnen bijvoorbeeld worden gebruikt om de
praktijk te verbeteren of om een beslissing te nemen.
Bij praktijkgericht onderzoek gaat het erom dat je de resultaten kunt
gebruiken in je werk en je handelen erop kunt baseren. Bij toegepast
onderzoek worden min of meer bekende en beproefde methoden gebruikt om
kennis te verkrijgen over nieuwe problemen. Zuiver wetenschappelijk
onderzoek staat vooral in dienst van de ontwikkeling van de wetenschap.
Een onderzoeker moet zich op een bepaalde manier opstellen. De onderzoeker
werkt objectief, zodat eigen meningen, vooroordelen, wensen en overtuigingen
zo weinig mogelijk invloed hebben op het onderzoek. Ook moeten de werkwijze
en resultaten door anderen gecontroleerd kunnen worden. Daarnaast moet
onderzoek herhaalbaar zijn, zodat anderen het onderzoek opnieuw kunnen
uitvoeren en kunnen nagaan of zij dezelfde resultaten krijgen. Tot slot werkt een
onderzoeker systematisch, waarbij consequent wordt gewerkt en de
samenhang tussen verschillende onderdelen in de gaten wordt gehouden.
Bij onderzoek speelt empirie een belangrijke rol. Empirie is de waarneembare
werkelijkheid. Onderzoek probeert op basis van waarnemingen tot ware en
algemene uitspraken te komen.
Objectiviteit betekent dat de onderzoeker zoveel mogelijk afstand neemt van
eigen meningen, oordelen, vooroordelen, wensen en overtuigingen. De
onderzoeker moet de onderwerpen en uitkomsten open tegemoet treden.
Objectiviteit kan onder druk komen te staan wanneer onderzoekers, beslissers,
bestuurders of beleidsmedewerkers belang hebben bij een bepaalde uitkomst.
Herhaalbaarheid betekent dat een onderzoek zo wordt opgezet dat anderen het
opnieuw kunnen uitvoeren. Op die manier kan worden gecontroleerd of de
resultaten hetzelfde zijn.
Systematiek betekent dat de onderzoeker consequent te werk gaat en steeds
de samenhang tussen de verschillende onderdelen van het onderzoek bewaakt.
De methodologie geeft regels en technieken om wetenschappelijk verantwoord
onderzoek uit te voeren. Daarnaast zorgt methodologie voor een begrippenkader,
zodat onderzoekers min of meer dezelfde taal spreken.
Niet ieder onderzoek wordt om de juiste reden uitgevoerd. Bij oneigenlijke
motieven wordt onderzoek bijvoorbeeld gebruikt om een moeilijke beslissing uit
te stellen, om het eigen gelijk te bevestigen of om een beslissing die eigenlijk al
genomen is te ondersteunen.
Ook statusoverwegingen kunnen invloed hebben op beslissingen. Mensen
laten zich namelijk niet altijd overtuigen door harde gegevens of objectieve
berekeningen. Belangen, gevoelens, geldingsdrang, onkunde, luiheid, angst en
de mening van anderen kunnen allemaal een rol spelen bij beslissingen.
, De probleemstelling
De probleemstelling is de vraag waarop een onderzoek antwoord probeert te
geven. Een probleemstelling moet daarom in vraagvorm worden opgesteld en
mag niet alleen een onderwerp zijn. Het is belangrijk om het verschil tussen een
probleemstelling en een doelstelling te kennen. De probleemstelling gaat over
wat je wilt weten, terwijl de doelstelling gaat over waarom je het
onderzoek uitvoert en wat je ermee wilt bereiken.
Een probleemstelling moet concreet, scherp en ondubbelzinnig zijn. Wanneer
verschillende aspecten met elkaar worden vergeleken, moeten deze duidelijk
worden gespecificeerd. Ook moet de uitkomstvariabele relevant zijn voor het
onderzoek.
Een onderzoek kan geen antwoord geven op de vraag wat iemand van iets moet
vinden. Onderzoek kan een oordeel wel ondersteunen met
onderzoeksresultaten.
Bij waarom- en waardoor-vragen moet de onderzoeker zich realiseren dat
mogelijke oorzaken nooit allemaal tegelijk onderzocht kunnen worden. Daarom is
voorafgaand aan het onderzoek een goed beeld nodig van mogelijke oorzaken en
redenen waarom het onderzoek wordt uitgevoerd.
Een probleemstelling kan worden opgesplitst in verschillende deelvragen. Deze
deelvragen kunnen samen worden weergegeven in een boomstructuur.
Definitievragen zijn geen geschikte probleemstellingen. Om tot een goede
probleemstelling te komen, is vaak veel vooronderzoek nodig.
Het onderzoeksproces
Een onderzoek verloopt volgens verschillende fasen.
Fase 1: achtergrond en doelstelling verhelderen.
Eerst wordt het probleem verkend. De onderzoeker kijkt wat het probleem precies
is, wie het probleem heeft, wie de belanghebbenden zijn, wanneer en waarom
het een probleem is, waar het zich voordoet en hoe het is ontstaan. Hierbij kan
gebruik worden gemaakt van literatuuronderzoek en deskresearch.
Deskresearch maakt gebruik van bestaande gegevens, terwijl
literatuuronderzoek gebruikmaakt van bestaande theoretische kennis en
onderzoeksuitkomsten van andere onderzoekers.
Fase 2: probleemstelling formuleren.
Na de verkenning wordt duidelijk geformuleerd welke vraag het onderzoek moet
beantwoorden.
Fase 3: onderzoeksopzet ontwikkelen.
Het verloop van het onderzoek wordt vooraf gepland. Er wordt bepaald hoe het
onderzoek uitgevoerd gaat worden.
Fase 4: gegevens verwerven.
In deze fase worden de benodigde gegevens verzameld en boven tafel gehaald.
Fase 5: gegevens verwerken en analyseren.
De verzamelde gegevens worden verwerkt en onderzocht. Bij kwantitatief
onderzoek speelt statistiek hierbij een belangrijke rol.