Verpleegkundig neurologisch onderzoek en neurologisch
onderzoek
1. Bewustzijn & Pupillen
Glasgow Coma Scale (GCS / EMV): De EMV-score wordt uithhjkhgevoerd om het bewustzijn
nauwkeurig te monitoren en eventuele klinische verslechtering vroegtijdig waar te nemen.
o EMV-Scoringsmatrix:
Eye (Ogen): 4 = Spontaan open; 3 = Open op aanspreken; 2 = Open op
pijnprikkel; 1 = Geen reactie.
Motor (Motorisch): 6 = Voert opdrachten uit; 5 = Lokaliseren op pijnprikkel;
4 = Terugtrekken op pijnprikkel; 3 = Pathologisch buigen (decorticatie); 2 =
Strekken op pijnprikkel (decerebratie); 1 = Geen reactie.
Verbal (Verbaal): 5 = Helder en georiënteerd in Tijd, Plaats en Persoon (TPP);
4 = Conversatie maar gedesoriënteerd; 3 = Inadequaat (alleen losse
woorden); 2 = Onbegrijpelijke geluiden (kreunen); 1 = Geen reactie.
o Houdingen bij pijn: Decorticatie is pathologisch buigen. Decerebratie is pathologisch
strekken (extensiehouding door decerebratiestijfheid).
Pupilcontrole:
o Juiste volgorde:
Gelijkmatige lichtinval
Beide ogen openen
Grootte van de pupillen controleren
Oogstand controleren
Met lampje van buitenaf schijnen onder een hoek van 45 graden
Kijken naar de reactie van de pupil (direct en indirect/consensueel licht).
o Anatomie en Reflexbaan (N. II & N. III): Licht valt in op de retina, reist via de nervus
opticus (N. II) via het chiasma opticum naar de occipitaalkwab/hersenstam. Onder
invloed van het parasympathische zenuwstelsel gaat er via de nucleus pretectalis en
de nucleus Edinger-Westphal een signaal terug via de nervus oculomotorius (N. III)
naar het ganglion ciliaire dit leidt tot pupilconstrictie (myosis).
o Laesies en compressie:
Als een pupil niet reageert op direct licht, maar wel op indirect (consensueel)
licht, wijst dit op een Nervus II (N. opticus) laesie aan dat oog.
Als beide pupillen niet reageren op direct én indirect licht, wijst dit op
een Nervus III (N. oculomotorius) laesie.
Bij compressie van de 3e hersenzenuw (door bijvoorbeeld inklemming of
druk vanuit het mesencephalon) worden de pupilvernauwende vezels (die
aan de buiten-/bovenkant liggen) geremd. Dit
veroorzaakt anisocorie (ongelijke pupilgrootte) en/of eenzijdige lichtstijfheid
(wijde pupil/mydriase). Zolang de druk zich boven het niveau van de 3e
hersenzenuw bevindt, blijft de pupil normaal reactief.
,2. Hogere Cerebrale Functies – Taal & Afasie
Dysartrie: Spreken is onduidelijk, de stem is zwak of nasaal. Het begrip, lezen en schrijven
zijn meestal volledig in orde. Er is sprake van een motorisch articulatieprobleem.
Wernicke afasie (Sensorisch): Spreken is vloeiend (vaak een 'woordensalat'), maar het
taalbegrip is ernstig verstoord. Lezen en schrijven zijn meestal ook verstoord; patiënten
hebben een slechte luisterhouding.
Broca afasie (Motorisch): Spreken is niet vloeiend. Patiënten hebben ernstige
woordvindingsproblemen, moeite met zinsopbouw en vertonen parafasieën. Het taalbegrip
is daarentegen meestal goed intact. Lezen en schrijven zijn op dezelfde (niet-vloeiende) wijze
aangetast.
Globale afasie (Combinatie): Zowel de taalproductie (zeer beperkt) als het taalbegrip zijn
ernstig gestoord. Lezen en schrijven zijn eveneens zwaar aangetast. Benoemen lukt niet,
herhalen soms nog heel beperkt.
3. Hersenzenuwen / Craniale Zenuwen
Ezelsbruggetjes voor volgorde I t/m XII:
1. Op Ons Oude Tuin Terras At Frank Verse Groenten Van Albert Heijn
Overzicht per zenuw:
o N. I (Olfactorius): Reuk. Testen per neusgat. Uitval geeft anosmie (reukverlies) of
parosmie (vreemde reuk).
o N. II (Opticus): Visus en gezichtsvelden. Testen via gezichtsveldonderzoek (per
kwadrant) en fundoscopie (controleren op papiloedeem bij verhoogde intracraniële
druk).
o N. III (Oculomotorius): Oogbewegingen (behalve abductie en binnen-beneden),
pupilconstrictie en optrekken van het bovenste ooglid. Volledige uitval geeft ptosis,
een wijde lichtstijve pupil en oogspierparese.
o N. IV (Trochlearis): Regelt het binnen-beneden kijken. Uitval geeft diplopie
(dubbelzien) bij naar beneden kijken (bijv. traplopen).
o N. VI (Abducens): Regelt de abductie (naar buiten kijken) van het oog. Bij uitval kan
het oog niet naar buiten bewegen en ontstaat er dubbelzien bij in de verte kijken.
o Oogbewegingstoornissen (N. III, IV, VI): Kunnen nystagmus, hypertropie, hypotropie,
convergente of divergente oogstand veroorzaken.
o N. V (Trigeminus): Hoofdzakelijk sensibel (3 takken: 1. voorhoofd/oog, 2. bovenkaak,
3. onderkaak) en deels motorisch (kauwspieren). Uitval veroorzaakt een verminderde
corneareflex (afferente deel van de reflex) of trigeminusneuralgie.
o N. VII (Facialis): Motorische zenuw voor de aangezichtsmimiek.
Centrale facialisparese: Fronsen en oogsluiting zijn wel mogelijk (intact door
dubbelzijdige corticale aansturing van de bovenkant), maar er is een
afhangende mondhoek aan de contralaterale zijde.
Perifere facialisparese: Volledige uitval aan één gelaatszijde: fronsen, oog
sluiten én de mondhoek hangen aan dezelfde zijde uit (ipsilateraal).
o N. VIII (Vestibulocochlearis): Gehoor (cochleair, getest via fluisteren/stemvork; uitval
geeft doofheid of tinnitus) en evenwicht (vestibulair; uitval geeft vertigo en
nystagmus). Nystagmus kan horizontaal, verticaal of rotatoir zijn.
o N. IX (Glossopharyngeus) & N. X (Vagus): Slikken en spraak (innervatie keelwand,
larynx en huig). Bij uitval van N. IX devieert de huig naar de gezonde zijde en
, ontstaan er slikproblemen. N. X regelt daarnaast vitale parasympathische functies in
de thorax en het abdomen.
o N. XI (Accessorius): Motorische aansturing van de m. trapezius (schouders
optrekken) en m. sternocleidomastoideus (hoofd roteren). Solitaire uitval is zeer
zeldzaam.
o N. XII (Hypoglossus): Tongmotoriek. Bij uitval devieert de tong bij uitsteken naar
de aangedane/ziekezijde (op de dia staat per abuis 'gezonde zijde', maar de tekst
vermeldt dysartrie/slikproblemen door parese).
4. Motoriek
Terminologie: Monoparese (één extremiteit), hemiparese (arm + been aan één zijde),
paraparese (beide benen).
MRC-score (Medical Research Council) voor spierkracht (Grading 0-5):
o 5: Normale kracht.
o 4: Beweging tegen zwaartekracht én weerstand in (onderverdeeld in 4- bij een beetje
weerstand en 4+ bij veel weerstand).
o 3: Beweging die uitsluitend de zwaartekracht kan overwinnen.
o 2: Beweging is alleen mogelijk als de zwaartekracht is opgeheven (horizontaal over
het bed schuiven).
o 1: Alleen een zichtbare of voelbare spiercontractie, geen functionele beweging.
o 0: Absoluut geen spiercontractie aanwezig.
Uitvaltests (Proef van Barré): Patiënt houdt de gestrekte armen met de ogen gesloten
gedurende minstens 5 seconden in de lucht. Bij een piramidebaanletsel treedt er een
'uitzakken' (pronatie/dalen) op aan de aangedane zijde.
o Barré scoring: 0 = arm 5s in de lucht; 1 = zakt uit maar blijft 5s in de lucht; 2 = valt
binnen 5s op bed; 3 = wel beweging maar kan niet van het bed getild worden; 4 =
geen enkele beweging.
5. Sensibiliteit & Dermatomen
Dermatomen: Kaart die aangeeft op welk ruggenmergniveau (Cervicaal, Thoracaal, Lumbaal,
Sacraal) sensibele zenuwwortels ontspringen. Dit onderzoek is van kritiek belang bij het
bepalen van de hoogte van een dwarslaesie of het bewaken van een opstijgend blok bij
spinale/epidurale anesthesie (gevaar voor ademhalingsdepressie!).
Gnostische sensibiliteit (Fijnere waarneming via de achterstrengen): Verloopt via de
achterzijde van het ruggenmerg (1e neuron achterstrengen 2e neuron in lemniscus
medialis 3e neuron in de thalamus naar de cortex). Bevat: tastzin, positiegevoel,
bewegingsrichtingsgevoel en vibratiezin.
Vitale sensibiliteit (Nociceptieve waarneming via tractus spinothalamicus): Verloopt via de
buikzijde/voorzijde van het ruggenmerg. Bevat: pijnperceptie en temperatuurzin.
Testmethoden: Pijn (afgebroken wattenstokje), lichte tast (watje/vinger), positiegevoel
(gewrichtsstand herkennen), bewegingsrichting (teen/vinger omhoog of omlaag), vibratie
(stemvork op botuitsteeksels) en temperatuur (warm/koud water).
6. Coördinatie
Gericht op het opsporen van cerebellaire problemen (kleine hersenen).
Tests voor de armen: Top-neusproef.
Tests voor de benen: Knie-hielproef en de koorddansersgang (strak over één lijn lopen).
, Symptomen van cerebellaire disfunctie: Ataxie (coördinatiestoornis) en 'dronkenmanspraat'
(articulatiestoornis/dysartrie).
7. Reflexen & Hersenstamreflexen
Reflexen dienen ter bescherming, lichaamshouding en coördinatie (onbewuste snelle
motorische reactie via de reflexboog in het ruggenmerg).
Spierrekkingsreflexen: Bicepspeesreflex (C5-C6), Tricepspeesreflex (C3-C4-C5),
Kniepeesreflex (L2-L3-L4), Achillespeesreflex (S1-S2).
Huidreflexen: Buikhuidreflexen (boven navel: Th8-Th10; onder navel: Th10-Th12) en de
voetzoolreflex.
o Babinski-reflex: Een normale volwassen reflex is A (plantaire flexie/tenen krullen
naar beneden). Bij baby's is B normaal (positieve Babinski: extensie van de grote teen
en fanning van de overige tenen) omdat de piramidebaan bij hen nog niet volledig
gemyeliniseerd is.
Hersenstamreflexen (Cruciaal bij coma/hersendoodonderzoek):
o Corneareflex: Strijken met een watje over de cornea van lateraal naar mediaal.
Normale reactie is knipperen (Afferent: N. V; Efferent: N. VII).
o Pupilreflex: (N. II en N. III).
o Oculocefaal reflex (Doll's eye-fenomeen): Het hoofd snel 45 graden naar links of
rechts draaien. Normaal bewegen de ogen reflectorisch tegenovergesteld (Afferent:
N. VIII; Efferent: N. III/VI). Bij hersendood ontbreekt deze oogbeweging (ogen
bewegen star mee met het hoofd).
o Oculovestibulaire reflex: (Calorisch testen; N. VIII en N. III/VI).
o Hoestreflex: Prikkeling van de carina/trachea.
Onderzoek naar subtiele of latente krachtsvermindering (vooral bij piramidebaanletsels)
gebeurt met de uitzaktest of de Proef van Barré. Test van Mingazzini
Uitvoering: De patiënt wordt gevraagd de armen (of benen) gestrekt vooruit te
steken met de handpalmen naar boven en de ogen gesloten.
Beoordeling: Bij een latente parese zal de arm aan de aangedane zijde langzaam
gaan proneren (naar binnen draaien) en uitzakken. De presentatie hanteert hiervoor
een schaal van 0 tot 4 (0 = arm blijft 5 sec in de lucht, 1 = zakt uit maar blijft in de
lucht, 2 = valt binnen 5 sec op bed, 3 = wel beweging maar komt niet van het bed af,
4 = geen enkele beweging).
Om de motorische reactie (M-score van de GCS) op een gestandaardiseerde wijze te testen,
kunnen de volgende centrale en perifere pijnprikkels worden toegepast:
Supra-orbitale pijnprikkel: Er wordt met de duim stevige druk uitgeoefend op de
inkeping van de oogkasrand (boven het oog). Dit is een centrale prikkel die
uitstekend meet of iemand kan "lokaliseren" (de arm boven het sleutelbeen brengen
richting de prikkel).
Pijnprikkel op het nagelbed: Er wordt druk uitgeoefend op het nagelbed van een
vinger (met bijvoorbeeld een pen of voorwerp). Belangrijke richtlijn uit de
quiz: Gebruik bij herhaald testen niet telkens een andere vinger, maar blijf consistent
om betrouwbaar te kunnen vergelijken.
onderzoek
1. Bewustzijn & Pupillen
Glasgow Coma Scale (GCS / EMV): De EMV-score wordt uithhjkhgevoerd om het bewustzijn
nauwkeurig te monitoren en eventuele klinische verslechtering vroegtijdig waar te nemen.
o EMV-Scoringsmatrix:
Eye (Ogen): 4 = Spontaan open; 3 = Open op aanspreken; 2 = Open op
pijnprikkel; 1 = Geen reactie.
Motor (Motorisch): 6 = Voert opdrachten uit; 5 = Lokaliseren op pijnprikkel;
4 = Terugtrekken op pijnprikkel; 3 = Pathologisch buigen (decorticatie); 2 =
Strekken op pijnprikkel (decerebratie); 1 = Geen reactie.
Verbal (Verbaal): 5 = Helder en georiënteerd in Tijd, Plaats en Persoon (TPP);
4 = Conversatie maar gedesoriënteerd; 3 = Inadequaat (alleen losse
woorden); 2 = Onbegrijpelijke geluiden (kreunen); 1 = Geen reactie.
o Houdingen bij pijn: Decorticatie is pathologisch buigen. Decerebratie is pathologisch
strekken (extensiehouding door decerebratiestijfheid).
Pupilcontrole:
o Juiste volgorde:
Gelijkmatige lichtinval
Beide ogen openen
Grootte van de pupillen controleren
Oogstand controleren
Met lampje van buitenaf schijnen onder een hoek van 45 graden
Kijken naar de reactie van de pupil (direct en indirect/consensueel licht).
o Anatomie en Reflexbaan (N. II & N. III): Licht valt in op de retina, reist via de nervus
opticus (N. II) via het chiasma opticum naar de occipitaalkwab/hersenstam. Onder
invloed van het parasympathische zenuwstelsel gaat er via de nucleus pretectalis en
de nucleus Edinger-Westphal een signaal terug via de nervus oculomotorius (N. III)
naar het ganglion ciliaire dit leidt tot pupilconstrictie (myosis).
o Laesies en compressie:
Als een pupil niet reageert op direct licht, maar wel op indirect (consensueel)
licht, wijst dit op een Nervus II (N. opticus) laesie aan dat oog.
Als beide pupillen niet reageren op direct én indirect licht, wijst dit op
een Nervus III (N. oculomotorius) laesie.
Bij compressie van de 3e hersenzenuw (door bijvoorbeeld inklemming of
druk vanuit het mesencephalon) worden de pupilvernauwende vezels (die
aan de buiten-/bovenkant liggen) geremd. Dit
veroorzaakt anisocorie (ongelijke pupilgrootte) en/of eenzijdige lichtstijfheid
(wijde pupil/mydriase). Zolang de druk zich boven het niveau van de 3e
hersenzenuw bevindt, blijft de pupil normaal reactief.
,2. Hogere Cerebrale Functies – Taal & Afasie
Dysartrie: Spreken is onduidelijk, de stem is zwak of nasaal. Het begrip, lezen en schrijven
zijn meestal volledig in orde. Er is sprake van een motorisch articulatieprobleem.
Wernicke afasie (Sensorisch): Spreken is vloeiend (vaak een 'woordensalat'), maar het
taalbegrip is ernstig verstoord. Lezen en schrijven zijn meestal ook verstoord; patiënten
hebben een slechte luisterhouding.
Broca afasie (Motorisch): Spreken is niet vloeiend. Patiënten hebben ernstige
woordvindingsproblemen, moeite met zinsopbouw en vertonen parafasieën. Het taalbegrip
is daarentegen meestal goed intact. Lezen en schrijven zijn op dezelfde (niet-vloeiende) wijze
aangetast.
Globale afasie (Combinatie): Zowel de taalproductie (zeer beperkt) als het taalbegrip zijn
ernstig gestoord. Lezen en schrijven zijn eveneens zwaar aangetast. Benoemen lukt niet,
herhalen soms nog heel beperkt.
3. Hersenzenuwen / Craniale Zenuwen
Ezelsbruggetjes voor volgorde I t/m XII:
1. Op Ons Oude Tuin Terras At Frank Verse Groenten Van Albert Heijn
Overzicht per zenuw:
o N. I (Olfactorius): Reuk. Testen per neusgat. Uitval geeft anosmie (reukverlies) of
parosmie (vreemde reuk).
o N. II (Opticus): Visus en gezichtsvelden. Testen via gezichtsveldonderzoek (per
kwadrant) en fundoscopie (controleren op papiloedeem bij verhoogde intracraniële
druk).
o N. III (Oculomotorius): Oogbewegingen (behalve abductie en binnen-beneden),
pupilconstrictie en optrekken van het bovenste ooglid. Volledige uitval geeft ptosis,
een wijde lichtstijve pupil en oogspierparese.
o N. IV (Trochlearis): Regelt het binnen-beneden kijken. Uitval geeft diplopie
(dubbelzien) bij naar beneden kijken (bijv. traplopen).
o N. VI (Abducens): Regelt de abductie (naar buiten kijken) van het oog. Bij uitval kan
het oog niet naar buiten bewegen en ontstaat er dubbelzien bij in de verte kijken.
o Oogbewegingstoornissen (N. III, IV, VI): Kunnen nystagmus, hypertropie, hypotropie,
convergente of divergente oogstand veroorzaken.
o N. V (Trigeminus): Hoofdzakelijk sensibel (3 takken: 1. voorhoofd/oog, 2. bovenkaak,
3. onderkaak) en deels motorisch (kauwspieren). Uitval veroorzaakt een verminderde
corneareflex (afferente deel van de reflex) of trigeminusneuralgie.
o N. VII (Facialis): Motorische zenuw voor de aangezichtsmimiek.
Centrale facialisparese: Fronsen en oogsluiting zijn wel mogelijk (intact door
dubbelzijdige corticale aansturing van de bovenkant), maar er is een
afhangende mondhoek aan de contralaterale zijde.
Perifere facialisparese: Volledige uitval aan één gelaatszijde: fronsen, oog
sluiten én de mondhoek hangen aan dezelfde zijde uit (ipsilateraal).
o N. VIII (Vestibulocochlearis): Gehoor (cochleair, getest via fluisteren/stemvork; uitval
geeft doofheid of tinnitus) en evenwicht (vestibulair; uitval geeft vertigo en
nystagmus). Nystagmus kan horizontaal, verticaal of rotatoir zijn.
o N. IX (Glossopharyngeus) & N. X (Vagus): Slikken en spraak (innervatie keelwand,
larynx en huig). Bij uitval van N. IX devieert de huig naar de gezonde zijde en
, ontstaan er slikproblemen. N. X regelt daarnaast vitale parasympathische functies in
de thorax en het abdomen.
o N. XI (Accessorius): Motorische aansturing van de m. trapezius (schouders
optrekken) en m. sternocleidomastoideus (hoofd roteren). Solitaire uitval is zeer
zeldzaam.
o N. XII (Hypoglossus): Tongmotoriek. Bij uitval devieert de tong bij uitsteken naar
de aangedane/ziekezijde (op de dia staat per abuis 'gezonde zijde', maar de tekst
vermeldt dysartrie/slikproblemen door parese).
4. Motoriek
Terminologie: Monoparese (één extremiteit), hemiparese (arm + been aan één zijde),
paraparese (beide benen).
MRC-score (Medical Research Council) voor spierkracht (Grading 0-5):
o 5: Normale kracht.
o 4: Beweging tegen zwaartekracht én weerstand in (onderverdeeld in 4- bij een beetje
weerstand en 4+ bij veel weerstand).
o 3: Beweging die uitsluitend de zwaartekracht kan overwinnen.
o 2: Beweging is alleen mogelijk als de zwaartekracht is opgeheven (horizontaal over
het bed schuiven).
o 1: Alleen een zichtbare of voelbare spiercontractie, geen functionele beweging.
o 0: Absoluut geen spiercontractie aanwezig.
Uitvaltests (Proef van Barré): Patiënt houdt de gestrekte armen met de ogen gesloten
gedurende minstens 5 seconden in de lucht. Bij een piramidebaanletsel treedt er een
'uitzakken' (pronatie/dalen) op aan de aangedane zijde.
o Barré scoring: 0 = arm 5s in de lucht; 1 = zakt uit maar blijft 5s in de lucht; 2 = valt
binnen 5s op bed; 3 = wel beweging maar kan niet van het bed getild worden; 4 =
geen enkele beweging.
5. Sensibiliteit & Dermatomen
Dermatomen: Kaart die aangeeft op welk ruggenmergniveau (Cervicaal, Thoracaal, Lumbaal,
Sacraal) sensibele zenuwwortels ontspringen. Dit onderzoek is van kritiek belang bij het
bepalen van de hoogte van een dwarslaesie of het bewaken van een opstijgend blok bij
spinale/epidurale anesthesie (gevaar voor ademhalingsdepressie!).
Gnostische sensibiliteit (Fijnere waarneming via de achterstrengen): Verloopt via de
achterzijde van het ruggenmerg (1e neuron achterstrengen 2e neuron in lemniscus
medialis 3e neuron in de thalamus naar de cortex). Bevat: tastzin, positiegevoel,
bewegingsrichtingsgevoel en vibratiezin.
Vitale sensibiliteit (Nociceptieve waarneming via tractus spinothalamicus): Verloopt via de
buikzijde/voorzijde van het ruggenmerg. Bevat: pijnperceptie en temperatuurzin.
Testmethoden: Pijn (afgebroken wattenstokje), lichte tast (watje/vinger), positiegevoel
(gewrichtsstand herkennen), bewegingsrichting (teen/vinger omhoog of omlaag), vibratie
(stemvork op botuitsteeksels) en temperatuur (warm/koud water).
6. Coördinatie
Gericht op het opsporen van cerebellaire problemen (kleine hersenen).
Tests voor de armen: Top-neusproef.
Tests voor de benen: Knie-hielproef en de koorddansersgang (strak over één lijn lopen).
, Symptomen van cerebellaire disfunctie: Ataxie (coördinatiestoornis) en 'dronkenmanspraat'
(articulatiestoornis/dysartrie).
7. Reflexen & Hersenstamreflexen
Reflexen dienen ter bescherming, lichaamshouding en coördinatie (onbewuste snelle
motorische reactie via de reflexboog in het ruggenmerg).
Spierrekkingsreflexen: Bicepspeesreflex (C5-C6), Tricepspeesreflex (C3-C4-C5),
Kniepeesreflex (L2-L3-L4), Achillespeesreflex (S1-S2).
Huidreflexen: Buikhuidreflexen (boven navel: Th8-Th10; onder navel: Th10-Th12) en de
voetzoolreflex.
o Babinski-reflex: Een normale volwassen reflex is A (plantaire flexie/tenen krullen
naar beneden). Bij baby's is B normaal (positieve Babinski: extensie van de grote teen
en fanning van de overige tenen) omdat de piramidebaan bij hen nog niet volledig
gemyeliniseerd is.
Hersenstamreflexen (Cruciaal bij coma/hersendoodonderzoek):
o Corneareflex: Strijken met een watje over de cornea van lateraal naar mediaal.
Normale reactie is knipperen (Afferent: N. V; Efferent: N. VII).
o Pupilreflex: (N. II en N. III).
o Oculocefaal reflex (Doll's eye-fenomeen): Het hoofd snel 45 graden naar links of
rechts draaien. Normaal bewegen de ogen reflectorisch tegenovergesteld (Afferent:
N. VIII; Efferent: N. III/VI). Bij hersendood ontbreekt deze oogbeweging (ogen
bewegen star mee met het hoofd).
o Oculovestibulaire reflex: (Calorisch testen; N. VIII en N. III/VI).
o Hoestreflex: Prikkeling van de carina/trachea.
Onderzoek naar subtiele of latente krachtsvermindering (vooral bij piramidebaanletsels)
gebeurt met de uitzaktest of de Proef van Barré. Test van Mingazzini
Uitvoering: De patiënt wordt gevraagd de armen (of benen) gestrekt vooruit te
steken met de handpalmen naar boven en de ogen gesloten.
Beoordeling: Bij een latente parese zal de arm aan de aangedane zijde langzaam
gaan proneren (naar binnen draaien) en uitzakken. De presentatie hanteert hiervoor
een schaal van 0 tot 4 (0 = arm blijft 5 sec in de lucht, 1 = zakt uit maar blijft in de
lucht, 2 = valt binnen 5 sec op bed, 3 = wel beweging maar komt niet van het bed af,
4 = geen enkele beweging).
Om de motorische reactie (M-score van de GCS) op een gestandaardiseerde wijze te testen,
kunnen de volgende centrale en perifere pijnprikkels worden toegepast:
Supra-orbitale pijnprikkel: Er wordt met de duim stevige druk uitgeoefend op de
inkeping van de oogkasrand (boven het oog). Dit is een centrale prikkel die
uitstekend meet of iemand kan "lokaliseren" (de arm boven het sleutelbeen brengen
richting de prikkel).
Pijnprikkel op het nagelbed: Er wordt druk uitgeoefend op het nagelbed van een
vinger (met bijvoorbeeld een pen of voorwerp). Belangrijke richtlijn uit de
quiz: Gebruik bij herhaald testen niet telkens een andere vinger, maar blijf consistent
om betrouwbaar te kunnen vergelijken.