SPIJSVERTERING 2 2025-2026
LOKDARM
S
1. Wat is GERD? Diagnose? Behandeling?
2. Geef een overzicht van de verschillende slikstoornissen en geef telkens een korte beschrijving van wat
de stoornis inhoudt of wat het concrete letsel is.
3. Bespreek diagnostiek en behandeling van achalasie.
4. Geef een overzicht van de 3 primaire motiliteitsstoornissen van de slokdarm en bespreek schematisch
(bij voorkeur in tabelvorm) de belangrijkste verschillen tussen de 3.
5. Bespreek de eosinofiele oesophagitis. Wat weet u over de prevalentie, diagnose en behandeling?
6. Wat weet u van een Barrett slokdarm?
DIARREE
1. Welke 3 types diarree kunnen we onderscheiden op basis van de fysiopathologie? Beschrijf bij elk type
kort de onderliggende mechanismen.
2. Wat is de diagnostische aanpak van acute diarree?
3. Welke soorten chronische diarree kan men onderscheiden?
4. Wat is de differentiaaldiagnose van chronische waterige diarree?
5. Bespreek galzoutendiarree.
6. Bespreek steatorrhea.
7. Bespreek lactose intolerantie.
8. Wat is coeliakie? Wat is de pathogenese?
9. Hoe wordt de diagnose van coeliakie gesteld?
10. Hoe wordt coeliakie behandeld?
IBD
1. Bespreek de pathogenese van inflammatoire darmziekten.
2. Welke zijn de verwikkelingen, die kunnen optreden bij de ziekte van Crohn en bij colitis ulcerosa?
3. Bespreek de mogelijke complicaties bij de ziekte van Crohn.
4. Bespreek de mogelijke complicaties bij colitis ulcerosa.
DIO
1. Bespreek de benigne en maligne slokdarmtumoren
2. Bespreek de benigne en maligne maagtumoren
3. Bespreek het voorkomen van slokdarmkanker wereldwijd en in België.
4. Bespreek de risicofactoren in het ontwikkelen van slokdarmkanker.
5. Bespreek het plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm.
6. Bespreek het adenocarcinoom van de slokdarm.
7. Bespreek de risicofactoren van het ontwikkelen van maagkanker.
8. Geef een schematisch overzicht van de verschillende types colonpoliepen en hun belangrijkste
kenmerken.
9. Bespreek de adenomateuze colonpoliepen.
10. Bespreek de behandeling van het coloncarcinoom.
11. Bespreek de behandeling van het rectumcarcinoom.
12. Hoe wordt er gescreend voor colorectaal carcinoom?
PANCREAS
1. Bespreek de pathogenese van acute pancreatitis.
2. Bespreek de pathogenese van chronische pancreatitis en wat zijn de verschilpunten met acute
pancreatitis.
3. Bespreek de verschillende vormen en oorzaken van pancreatitis.
1
, . Beschrijf de symptomatologie en diagnostische aanpak van een acute pancreatitis.
4
5. Hoe wordt de ernst van een acute pancreatitis ingeschat en wat zijn de mogelijke verwikkelingen?
6. Hoe wordt een acute pancreatitis behandeld?
7. Bespreek de belangrijkste aspecten van chronische pancreatitis (oorzaken, kliniek, complicaties,
behandeling).
8. Bespreek de benigne tumoren van het exocriene pancreas.
9. Bespreek de risicofactoren van pancreaskanker.
10. Bespreek de meest voorkomende maligne solide tumor van het pancreas.
11. Wat zijn functionele neuro-endocriene tumoren en bespreek ze?
12. Wat zijn niet-functionele neuro-endocriene tumoren van de pancreas?
13. Bespreek de pancreaticoduodenectomie met reconstructies. Wat zijn de mogelijke complicaties?
14. Wat is de behandeling van een pancreaspseudocyste?
15. Wat kan de chirurgie betekenen in de aanpak van een chronische pancreatitis (indicaties +
technieken)?
GI-BLOEDING
1. Hoe wordt de ernst van een gastro-intestinale bloeding ingeschat?
2. Bespreek de algemene aanpak van hoge gastrointestinale bloeding.
3. Bespreek de belangrijkste oorzaken van een hoge gastrointestinale bloeding en bespreek de
gelijkenissen en verschillen in diagnostische en therapeutische aanpak.
CONSTIPATIE & IBS
1. Hoe stel je de diagnose van een prikkelbare darmsyndroom? Wanneer plan je een coloscopie?
2. Bespreek de behandeling van het prikkelbare darmsyndroom (IBS) en leg waar mogelijk een verband
naar onderliggende pathofysiologische mechanismen.
3. Bespreek het FODMAP dieet.
4. Welke vormen van constipatie ken je? Welke onderzoeken zou je vragen om deze subtypes te
differentiëren?
5. Bespreek de systematische behandeling van de patiënt met constipatie.
6. Welke prolaps syndromen ken je en op welke manier spelen deze een rol bij therapie refractaire
constipatie?
PROCTOLOGIE
1. Bespreek de behandeling van hemorroïden. Opdelen in conservatief en chirurgisch.
2. Bespreek de differentieel diagnose van anale pijn.
3. Oorzaken en behandeling van pruritus ani.
4. Bespreek de primaire anale fissuur.
HEPATOLOGIE
1. Geef een schematisch overzicht van de belangrijkste complicaties van portale hypertensie en hun
onderliggende mechanismen.
2. Bespreek slokdarmvarices en hun behandeling.
3. Bespreek de diagnose en behandeling van ascites door portale hypertensie.
4. Bespreek spontane bacteriële peritonitis.
5. Bespreek het hepatorenaal syndroom (fysiopathologie, diagnose, behandeling).
6. Bespreek de diagnose en behandeling van hepatische encephalopathie.
7. Bespreek het acuut leverfalen.
8. Wat zijn de indicaties voor levertransplantatie?
9. Geef schematisch overzicht van de verschillende hepatitis virussen wat betreft infectiebron, transmissie,
chroniciteit en preventie
10. Wat weet u over hepatitis A?
11. Wat weet u over hepatitis B?
12. Wat weet u over hepatitis C?
13. Bespreek de parasitaire leveraandoeningen.
2
, 4. Bespreek hemochromatose.
1
15. Wat weet u over α1 antitrypsine deficiëntie?
16. Welke systematische diagnostische en eventueel therapeutische stappen onderneemt u bij een
toevallig vastgesteld leverletsel?
17. Geef in een schematisch overzicht de verschillen tussen de benigne solide leverletsels.
18. Bespreek de benigne solide en cystische levertumoren.
19. Bespreek de goedaardige tumoren van hepatocellulaire origine.
20. Bespreek de kwaadaardige tumor(en) van hepatocellulaire origine bij de volwassene.
21. Bespreek de goedaardige tumoren van biliaire origine in de lever.
22. Geef in schematisch overzicht de verschillende klinische presentaties van toxisch leverlijden en geef 3
voorbeelden met hun respectievelijke aanpak.
23. Wat weet u over PBC? Wat weet u over PSC?
24. Wat weet u over auto-immune hepatitis?
25. Geef een schematisch overzicht van de verschillen en gelijkenissen tussen AIH, PBC en PSC.
26. Bespreek de zwangerschapsgerelateerde leverafwijkingen.
27. Wat is MASLD? Bespreek de verschillende subtypes.
28. Wat is het klinisch belang van MASLD?
29. Hoe pak je een patiënt met de diagnose van MASLD aan?
30. Bespreek het belang van peroperatieve bloedingscontrole in leverchirurgie
31. Bespreek het belang van peroperatieve echografie in leverchirurgie
32. Bespreek het belang van leverregeneratie in leverchirurgie
33. Bespreek de verschillende soorten leverresecties, mede in relatie met de leveranatomie
34. Bespreek de verschillende soorten levercysten en de behandeling
35. Bespreek postoperatief leverfalen en de methodes om dit te vermijden
36. Bespreek het concept ablatie van levertumoren
37. Bespreek de secundaire levertumoren: ontstaan, behandeling en prognose
GALBLAAS & GALWEGEN
1. Bespreek de congenitale afwijkingen van de galwegen: types, behandeling
2. Bespreek het ontstaan en de risicofactoren van cholelithiasis
3. Welke verschillende klinische syndromen kan cholelithiasis veroorzaken?
4. Bespreek acute cholecystitis: ontstaan, kliniek, behandeling
5. Bespreek choledocholithiasis: ontstaan, kliniek, behandeling
6. Welke verwikkelingen kunnen gezien worden na galblaas- en galwegchirurgie?
7. Bespreek de goedaardige galbaastumoren
8. Bespreek het galblaascarcinoom
9. Bespreek het hilair cholangiocarcinoom
ABDOMINALE HEELKUNDE
1. Welke types hiatale hernia ken je en hoe worden ze behandeld?
2. Welke anti-reflux heelkundige technieken zijn er en wat zijn de potentiële gevolgen van deze chirurgische
ingrepen?
3. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een slokdarmcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen?
4. Wat zijn de gevolgen van slokdarmresectie voor de patiënt en wat zijn de mogelijke complicaties?
5. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een maagcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen?
6. Wat zijn de verschillen tussen een totale en een subtotale gastrectomie (met inbegrip van de
reconstructies?
7. Wat zijn de potentiële gevolgen van een gastrectomie?
8. Bespreek dumping.
9. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een ziekte van Crohn een heelkundige indicatie en waaruit kan
3
, eze bestaan?
d
10. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een colitis ulcerosa een heelkundige indicatie en waaruit zal
deze bestaan?
11. Welke verschillende heelkundige technieken kunnen gebruikt worden bij behandeling van rectale
tumoren? Leg kort uit, met voor- en nadelen.
12. Hoe kan bij rectale chirurgie het rectum gereconstrueerd worden?
13. Wat is een low antertior resectiesyndroom en hoe wordt het aangepakt?
14. Wat zijn de mogelijke complicaties van colon en rectumchirurgie en hoe wordt het aangepakt?
15. Welke types liesbreuk kent u? Wat zijn de chirurgische opties en wanneer is chirurgie geïndiceerd?
16. Bespreek het rectushematoom.
DIVERTICULITIS
1. Wat is diverticulitis en wat is de pathogenese?
2. Hoe wordt de diagnose van diverticulitis gesteld? Classificatie?
3. Wat is de niet-chirurgische behandeling van diverticulitis?
4. Wat zijn de indicaties voor chirurgie in de behandeling van diverticulitis?
4
,SLOKDARM
5
, 1.Wat is GERD? Diagnose? Behandeling?
GERD
= gastro-oesophageal reflux disease
Pathofysiologie
→ dysfunctie van de gastro-oesofageale junctie
normaleanti-reflux barrière
● anatomie
○ hoek van Hiss: slokdarm staat haaks op de maag
○ frenico-oesofageaal ligament
○ diafragmapijlers
○ onderste slokdarmsfincter (LES)
● speeksel (HCO3- ): neutralisatie van zuur
● oesophagale motiliteit
● mucosale barrière
oorzaken van GERD
● LES-dysfunctie
○ hypotensie van LES
○ transient lower esophageal sphincter relaxations (TLESR)
■ vaak postprandiaal, om gassen uit de maag te laten ontsnappen (ructus = boeren)
● abnormale GE-junctie
○ hiatus hernia (sliding type I): stukje van de maag is omhoog geschoven, waardoor LES
intrathoracaal komt te liggen
● maagledigingsstoornissen
○ diabetes
● verhoogde intra-abdominale druk
○ hoe hoger de druk, hoe weerstandiger de barrière moet
zijn om de maaginhoud tegen te houden
○ zwangerschap, obesitas
● slokdarm sensitiviteit
○ fysiologische reflux leidt tot ernstige refluxklachten
● peristaltische dysfunctie = verminderde clearance
● minder speeksel = minder buffering
● acid pocket → postprandiale reflux
○ maagzuursecretie gaat zich mengen met de voedselbolus, maar een deel van het zuur drijft
op de voedselbolus, en kan bij relaxatie van LES of falen van anti-reflux barrière naar boven
komen
● duodeno-gastrische reflux (alkalisch)
○ maaginhoud bevat ook galzouten en pancreasenzymen, die de mucosabarrière vernietigen
risicofactoren
● obesitas
● roken
● alcohol
6
, Symptomen
typische reflux-klachten
● pyrosis = laag-retrosternaal of hoog-epigastrisch brandend gevoel
● non-cardiac chest pain
○ DD: angina pectoris, ischemisch hartlijden, myocardinfarct uitsluiten via cardioloog
● zure regurgitatie
atypische reflux-klachten
● nausea
● dysfagie
○ DD: slokdarmcarcinoom, peptische stenose
● ructus = boeren
● epigastrische pijn
extra-oesofageale klachten
● heesheid: zuur tast de stembanden aan
● globus: krop-gevoel in de keel
● hoesten, astma: door reflux met micro-aspiratie
Complicaties
a
● spiratiepneumonie
● refluxoesofagitis → gevolgen indien onbehandeld
○ peptische stenose
■ klachten: dysfagie
■ behandeling
● onderhoudsbehandeling PPI
● endoscopische dilatatie
■ DD: maligniteit, eosinofiele oesofagitis, caustisch
○ erosies en ulceraties
○ gastro-intestinaal bloedverlies
○ Barrett’s oesophagus
■ metaplasie: meerlagig plaveiselepitheel → eenlagig
cilindrisch epitheel
■ gevolg: verhoogd risico op maligniteit
● adenocarcinoom(ano = gland, kliervormend) (stijgendeincidentie)
● ↔ plaveiselcarcinoom door roken (dalende incidentie)
7
, Diagnose
Endoscopie
Oesofagoscopie
Los Angeles classificatie
g
● raad A: korte uitlopers, lineair over < 5 mm
● graad B: langere uitlopers, lineair over > 5 mm
● graad C: lineaire uitlopers en circumferentiële aantastingen,
erosies en ulceraties over < 75% van de luminale omtrek
● graad D: > 75% van de luminale omtrek is beschadigd
hoge specificiteit, lage sensitiviteit(want enkelschade zichtbaar bij gevorderde ziekte)
● graad A & B: niet bewijzend voor diagnose van refluxziekte, verdere diagnostiek (pH-metrie)
● graad C & D: bewijzend voor onderliggende refluxziekte
● sens: slechts 30% van patiënten met refluxziekte vertonen afwijkingen op endoscopisch onderzoek
Gastroscopie
indicaties
● refractaire GERD-symptomen
● wekelijkse GERD > 50 jaar
● alarmsymptomen
○ dysfagie
○ gastro-intestinaal bloedverlies (hematemesis = bloedbraken)
○ gewichtsverlies
DD
● e osinofiele oesofagitis
● infectie
● slokdarmkanker
PPI-test
g
● edurende 6-8 weken → positieve test indien≥ 50% symptoomreductie
● goede eerste lijns management indien geen alarmsymptomen
● weinig specifiek (24-65%): andere pathologie met gelijkaardige klachten (bv. ulcus ventriculi,
functionele dyspepsie)
pH-metrie (24u pH-recording)
● transnasale katheter met pH-elektrode 5 cm boven LES
○ recorder: pH-waarde meten
○ symptoomregistratie: verband tussen klachten en
refluxepisodes waarnemen
● indicaties
○ therapierefractaire GERD
○ voor heelkunde
● off PPI–on PPI
○ off PPI: 5 dagen na PPI-stop
○ on PPI: bij blijvende klachten van gediagnosticeerde reflux,
ondanks PPI-behandeling
8
LOKDARM
S
1. Wat is GERD? Diagnose? Behandeling?
2. Geef een overzicht van de verschillende slikstoornissen en geef telkens een korte beschrijving van wat
de stoornis inhoudt of wat het concrete letsel is.
3. Bespreek diagnostiek en behandeling van achalasie.
4. Geef een overzicht van de 3 primaire motiliteitsstoornissen van de slokdarm en bespreek schematisch
(bij voorkeur in tabelvorm) de belangrijkste verschillen tussen de 3.
5. Bespreek de eosinofiele oesophagitis. Wat weet u over de prevalentie, diagnose en behandeling?
6. Wat weet u van een Barrett slokdarm?
DIARREE
1. Welke 3 types diarree kunnen we onderscheiden op basis van de fysiopathologie? Beschrijf bij elk type
kort de onderliggende mechanismen.
2. Wat is de diagnostische aanpak van acute diarree?
3. Welke soorten chronische diarree kan men onderscheiden?
4. Wat is de differentiaaldiagnose van chronische waterige diarree?
5. Bespreek galzoutendiarree.
6. Bespreek steatorrhea.
7. Bespreek lactose intolerantie.
8. Wat is coeliakie? Wat is de pathogenese?
9. Hoe wordt de diagnose van coeliakie gesteld?
10. Hoe wordt coeliakie behandeld?
IBD
1. Bespreek de pathogenese van inflammatoire darmziekten.
2. Welke zijn de verwikkelingen, die kunnen optreden bij de ziekte van Crohn en bij colitis ulcerosa?
3. Bespreek de mogelijke complicaties bij de ziekte van Crohn.
4. Bespreek de mogelijke complicaties bij colitis ulcerosa.
DIO
1. Bespreek de benigne en maligne slokdarmtumoren
2. Bespreek de benigne en maligne maagtumoren
3. Bespreek het voorkomen van slokdarmkanker wereldwijd en in België.
4. Bespreek de risicofactoren in het ontwikkelen van slokdarmkanker.
5. Bespreek het plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm.
6. Bespreek het adenocarcinoom van de slokdarm.
7. Bespreek de risicofactoren van het ontwikkelen van maagkanker.
8. Geef een schematisch overzicht van de verschillende types colonpoliepen en hun belangrijkste
kenmerken.
9. Bespreek de adenomateuze colonpoliepen.
10. Bespreek de behandeling van het coloncarcinoom.
11. Bespreek de behandeling van het rectumcarcinoom.
12. Hoe wordt er gescreend voor colorectaal carcinoom?
PANCREAS
1. Bespreek de pathogenese van acute pancreatitis.
2. Bespreek de pathogenese van chronische pancreatitis en wat zijn de verschilpunten met acute
pancreatitis.
3. Bespreek de verschillende vormen en oorzaken van pancreatitis.
1
, . Beschrijf de symptomatologie en diagnostische aanpak van een acute pancreatitis.
4
5. Hoe wordt de ernst van een acute pancreatitis ingeschat en wat zijn de mogelijke verwikkelingen?
6. Hoe wordt een acute pancreatitis behandeld?
7. Bespreek de belangrijkste aspecten van chronische pancreatitis (oorzaken, kliniek, complicaties,
behandeling).
8. Bespreek de benigne tumoren van het exocriene pancreas.
9. Bespreek de risicofactoren van pancreaskanker.
10. Bespreek de meest voorkomende maligne solide tumor van het pancreas.
11. Wat zijn functionele neuro-endocriene tumoren en bespreek ze?
12. Wat zijn niet-functionele neuro-endocriene tumoren van de pancreas?
13. Bespreek de pancreaticoduodenectomie met reconstructies. Wat zijn de mogelijke complicaties?
14. Wat is de behandeling van een pancreaspseudocyste?
15. Wat kan de chirurgie betekenen in de aanpak van een chronische pancreatitis (indicaties +
technieken)?
GI-BLOEDING
1. Hoe wordt de ernst van een gastro-intestinale bloeding ingeschat?
2. Bespreek de algemene aanpak van hoge gastrointestinale bloeding.
3. Bespreek de belangrijkste oorzaken van een hoge gastrointestinale bloeding en bespreek de
gelijkenissen en verschillen in diagnostische en therapeutische aanpak.
CONSTIPATIE & IBS
1. Hoe stel je de diagnose van een prikkelbare darmsyndroom? Wanneer plan je een coloscopie?
2. Bespreek de behandeling van het prikkelbare darmsyndroom (IBS) en leg waar mogelijk een verband
naar onderliggende pathofysiologische mechanismen.
3. Bespreek het FODMAP dieet.
4. Welke vormen van constipatie ken je? Welke onderzoeken zou je vragen om deze subtypes te
differentiëren?
5. Bespreek de systematische behandeling van de patiënt met constipatie.
6. Welke prolaps syndromen ken je en op welke manier spelen deze een rol bij therapie refractaire
constipatie?
PROCTOLOGIE
1. Bespreek de behandeling van hemorroïden. Opdelen in conservatief en chirurgisch.
2. Bespreek de differentieel diagnose van anale pijn.
3. Oorzaken en behandeling van pruritus ani.
4. Bespreek de primaire anale fissuur.
HEPATOLOGIE
1. Geef een schematisch overzicht van de belangrijkste complicaties van portale hypertensie en hun
onderliggende mechanismen.
2. Bespreek slokdarmvarices en hun behandeling.
3. Bespreek de diagnose en behandeling van ascites door portale hypertensie.
4. Bespreek spontane bacteriële peritonitis.
5. Bespreek het hepatorenaal syndroom (fysiopathologie, diagnose, behandeling).
6. Bespreek de diagnose en behandeling van hepatische encephalopathie.
7. Bespreek het acuut leverfalen.
8. Wat zijn de indicaties voor levertransplantatie?
9. Geef schematisch overzicht van de verschillende hepatitis virussen wat betreft infectiebron, transmissie,
chroniciteit en preventie
10. Wat weet u over hepatitis A?
11. Wat weet u over hepatitis B?
12. Wat weet u over hepatitis C?
13. Bespreek de parasitaire leveraandoeningen.
2
, 4. Bespreek hemochromatose.
1
15. Wat weet u over α1 antitrypsine deficiëntie?
16. Welke systematische diagnostische en eventueel therapeutische stappen onderneemt u bij een
toevallig vastgesteld leverletsel?
17. Geef in een schematisch overzicht de verschillen tussen de benigne solide leverletsels.
18. Bespreek de benigne solide en cystische levertumoren.
19. Bespreek de goedaardige tumoren van hepatocellulaire origine.
20. Bespreek de kwaadaardige tumor(en) van hepatocellulaire origine bij de volwassene.
21. Bespreek de goedaardige tumoren van biliaire origine in de lever.
22. Geef in schematisch overzicht de verschillende klinische presentaties van toxisch leverlijden en geef 3
voorbeelden met hun respectievelijke aanpak.
23. Wat weet u over PBC? Wat weet u over PSC?
24. Wat weet u over auto-immune hepatitis?
25. Geef een schematisch overzicht van de verschillen en gelijkenissen tussen AIH, PBC en PSC.
26. Bespreek de zwangerschapsgerelateerde leverafwijkingen.
27. Wat is MASLD? Bespreek de verschillende subtypes.
28. Wat is het klinisch belang van MASLD?
29. Hoe pak je een patiënt met de diagnose van MASLD aan?
30. Bespreek het belang van peroperatieve bloedingscontrole in leverchirurgie
31. Bespreek het belang van peroperatieve echografie in leverchirurgie
32. Bespreek het belang van leverregeneratie in leverchirurgie
33. Bespreek de verschillende soorten leverresecties, mede in relatie met de leveranatomie
34. Bespreek de verschillende soorten levercysten en de behandeling
35. Bespreek postoperatief leverfalen en de methodes om dit te vermijden
36. Bespreek het concept ablatie van levertumoren
37. Bespreek de secundaire levertumoren: ontstaan, behandeling en prognose
GALBLAAS & GALWEGEN
1. Bespreek de congenitale afwijkingen van de galwegen: types, behandeling
2. Bespreek het ontstaan en de risicofactoren van cholelithiasis
3. Welke verschillende klinische syndromen kan cholelithiasis veroorzaken?
4. Bespreek acute cholecystitis: ontstaan, kliniek, behandeling
5. Bespreek choledocholithiasis: ontstaan, kliniek, behandeling
6. Welke verwikkelingen kunnen gezien worden na galblaas- en galwegchirurgie?
7. Bespreek de goedaardige galbaastumoren
8. Bespreek het galblaascarcinoom
9. Bespreek het hilair cholangiocarcinoom
ABDOMINALE HEELKUNDE
1. Welke types hiatale hernia ken je en hoe worden ze behandeld?
2. Welke anti-reflux heelkundige technieken zijn er en wat zijn de potentiële gevolgen van deze chirurgische
ingrepen?
3. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een slokdarmcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen?
4. Wat zijn de gevolgen van slokdarmresectie voor de patiënt en wat zijn de mogelijke complicaties?
5. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een maagcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen?
6. Wat zijn de verschillen tussen een totale en een subtotale gastrectomie (met inbegrip van de
reconstructies?
7. Wat zijn de potentiële gevolgen van een gastrectomie?
8. Bespreek dumping.
9. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een ziekte van Crohn een heelkundige indicatie en waaruit kan
3
, eze bestaan?
d
10. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een colitis ulcerosa een heelkundige indicatie en waaruit zal
deze bestaan?
11. Welke verschillende heelkundige technieken kunnen gebruikt worden bij behandeling van rectale
tumoren? Leg kort uit, met voor- en nadelen.
12. Hoe kan bij rectale chirurgie het rectum gereconstrueerd worden?
13. Wat is een low antertior resectiesyndroom en hoe wordt het aangepakt?
14. Wat zijn de mogelijke complicaties van colon en rectumchirurgie en hoe wordt het aangepakt?
15. Welke types liesbreuk kent u? Wat zijn de chirurgische opties en wanneer is chirurgie geïndiceerd?
16. Bespreek het rectushematoom.
DIVERTICULITIS
1. Wat is diverticulitis en wat is de pathogenese?
2. Hoe wordt de diagnose van diverticulitis gesteld? Classificatie?
3. Wat is de niet-chirurgische behandeling van diverticulitis?
4. Wat zijn de indicaties voor chirurgie in de behandeling van diverticulitis?
4
,SLOKDARM
5
, 1.Wat is GERD? Diagnose? Behandeling?
GERD
= gastro-oesophageal reflux disease
Pathofysiologie
→ dysfunctie van de gastro-oesofageale junctie
normaleanti-reflux barrière
● anatomie
○ hoek van Hiss: slokdarm staat haaks op de maag
○ frenico-oesofageaal ligament
○ diafragmapijlers
○ onderste slokdarmsfincter (LES)
● speeksel (HCO3- ): neutralisatie van zuur
● oesophagale motiliteit
● mucosale barrière
oorzaken van GERD
● LES-dysfunctie
○ hypotensie van LES
○ transient lower esophageal sphincter relaxations (TLESR)
■ vaak postprandiaal, om gassen uit de maag te laten ontsnappen (ructus = boeren)
● abnormale GE-junctie
○ hiatus hernia (sliding type I): stukje van de maag is omhoog geschoven, waardoor LES
intrathoracaal komt te liggen
● maagledigingsstoornissen
○ diabetes
● verhoogde intra-abdominale druk
○ hoe hoger de druk, hoe weerstandiger de barrière moet
zijn om de maaginhoud tegen te houden
○ zwangerschap, obesitas
● slokdarm sensitiviteit
○ fysiologische reflux leidt tot ernstige refluxklachten
● peristaltische dysfunctie = verminderde clearance
● minder speeksel = minder buffering
● acid pocket → postprandiale reflux
○ maagzuursecretie gaat zich mengen met de voedselbolus, maar een deel van het zuur drijft
op de voedselbolus, en kan bij relaxatie van LES of falen van anti-reflux barrière naar boven
komen
● duodeno-gastrische reflux (alkalisch)
○ maaginhoud bevat ook galzouten en pancreasenzymen, die de mucosabarrière vernietigen
risicofactoren
● obesitas
● roken
● alcohol
6
, Symptomen
typische reflux-klachten
● pyrosis = laag-retrosternaal of hoog-epigastrisch brandend gevoel
● non-cardiac chest pain
○ DD: angina pectoris, ischemisch hartlijden, myocardinfarct uitsluiten via cardioloog
● zure regurgitatie
atypische reflux-klachten
● nausea
● dysfagie
○ DD: slokdarmcarcinoom, peptische stenose
● ructus = boeren
● epigastrische pijn
extra-oesofageale klachten
● heesheid: zuur tast de stembanden aan
● globus: krop-gevoel in de keel
● hoesten, astma: door reflux met micro-aspiratie
Complicaties
a
● spiratiepneumonie
● refluxoesofagitis → gevolgen indien onbehandeld
○ peptische stenose
■ klachten: dysfagie
■ behandeling
● onderhoudsbehandeling PPI
● endoscopische dilatatie
■ DD: maligniteit, eosinofiele oesofagitis, caustisch
○ erosies en ulceraties
○ gastro-intestinaal bloedverlies
○ Barrett’s oesophagus
■ metaplasie: meerlagig plaveiselepitheel → eenlagig
cilindrisch epitheel
■ gevolg: verhoogd risico op maligniteit
● adenocarcinoom(ano = gland, kliervormend) (stijgendeincidentie)
● ↔ plaveiselcarcinoom door roken (dalende incidentie)
7
, Diagnose
Endoscopie
Oesofagoscopie
Los Angeles classificatie
g
● raad A: korte uitlopers, lineair over < 5 mm
● graad B: langere uitlopers, lineair over > 5 mm
● graad C: lineaire uitlopers en circumferentiële aantastingen,
erosies en ulceraties over < 75% van de luminale omtrek
● graad D: > 75% van de luminale omtrek is beschadigd
hoge specificiteit, lage sensitiviteit(want enkelschade zichtbaar bij gevorderde ziekte)
● graad A & B: niet bewijzend voor diagnose van refluxziekte, verdere diagnostiek (pH-metrie)
● graad C & D: bewijzend voor onderliggende refluxziekte
● sens: slechts 30% van patiënten met refluxziekte vertonen afwijkingen op endoscopisch onderzoek
Gastroscopie
indicaties
● refractaire GERD-symptomen
● wekelijkse GERD > 50 jaar
● alarmsymptomen
○ dysfagie
○ gastro-intestinaal bloedverlies (hematemesis = bloedbraken)
○ gewichtsverlies
DD
● e osinofiele oesofagitis
● infectie
● slokdarmkanker
PPI-test
g
● edurende 6-8 weken → positieve test indien≥ 50% symptoomreductie
● goede eerste lijns management indien geen alarmsymptomen
● weinig specifiek (24-65%): andere pathologie met gelijkaardige klachten (bv. ulcus ventriculi,
functionele dyspepsie)
pH-metrie (24u pH-recording)
● transnasale katheter met pH-elektrode 5 cm boven LES
○ recorder: pH-waarde meten
○ symptoomregistratie: verband tussen klachten en
refluxepisodes waarnemen
● indicaties
○ therapierefractaire GERD
○ voor heelkunde
● off PPI–on PPI
○ off PPI: 5 dagen na PPI-stop
○ on PPI: bij blijvende klachten van gediagnosticeerde reflux,
ondanks PPI-behandeling
8