Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 5 out of 111 pages
Summary

Ethiek samenvatting / KULAK

Document preview thumbnail
Preview 5 out of 111 pages

Dit is een samenvatting van het vak Ethiek uit het Bachelor rechten programma . Zowel het boek als lesnotities worden erin verwerkt. Duidelijk uitgelegd met voorbeelden. De stof behandelt normatieve ethiek met focus op fundamentele filosofische stromingen (Aristoteles, Kant, utilitarisme, Habermas), natuurrecht versus rechtspositivisme, democratische samenleving, mensenrechten, en sociaaleconomische rechtvaardigheid. Ideaal voor examenvoorbereiding omdat alle kernthema's duidelijk gestructureerd staan en belangrijke filosofische concepten toegankelijk worden uitgelegd.

Content preview

ETHIEK

Inhoudstafel

1.0 Inleiding: ethiek en scepticisme

1.1 Wat is Goed handelen? Fundamenten van de westerse ethiek

1.1.1 Aristoteles en het natuurlijke doel van de mens
1.1.2 Het epicurisme: ‘Genot is het hoogste goed’
1.1.3 Petrus Abaelardus: zondigen zonder zondige intenties?
1.1.4 De rede als grondslag: Immanuel Kant
1.1.5 Utilitarisme: ‘the greatest happiness priniciple’
1.1.6 Taal als grondslag: Jürgen Habermas
1.1.7 Synthese: grondtypes van de ethiek

1.2 Van natuurwet tot mensenrechten. Normatieve fundamenten van het recht

1.2.1 Het natuurrecht als brug tussen recht en moraal
1.2.2 Het christelijke natuurrecht: Thomas van Aquino
1.2.3 Het moderne natuurrecht en het ontstaan van het idee van individuele rechten
1.2.4 Hobbes: Het natuurlijke recht op vrijheid en het sociaal contract
1.2.5 Locke: natuurwet en natuurlijke rede
1.2.6 De ambiguïteit van de natuurwet bij Montesquieu
1.2.7 Het klassieke rechtspositivisme
1.2.8 Rechtspositivisme versus natuurrecht: de hedendaagse discussie
1.2.9 Mensenrechten als verderzetting van het natuurrecht ?
1.3 Individu versus gemeenschap. Normatieve fundamenten van het democratische
samenleven

1.3.1 De ethiek van de burger (republicanisme)
1.3.2 Het sociaal contract (liberalisme)
1.3.3 Ethiek, traditie en gemeenschap (communitarisme)
1.3.4 Een hedendaagse synthese: Habermas’ model van deliberatieve democratie
1.3.5 Een hedendaagse synthese: Claude Lefort en de lege plaats van de macht

1.4 Wie krijgt wat? Normatieve fundamenten van sociaaleconomische rechtvaardigheid

1.4.1 De rechtvaardigheid van de markt
1.4.2 John Rawls en de naoorlogse welvaartsstaat
1.4.3 Ethiek en globalisering




1

,1.0 inleiding: ethiek en scepticisme
Toegepaste ethiek
 Hoe onze ethische intuïties moeten worden toegepast op parktijken die maatschappelijk
gevoelig liggen, vb. abortus, euthanasie

Algemene, normatieve ethiek
 Betreft normen en principes die van toepassing zijn op het menselijk handelen
 Normen en principes die ons handelen structureren (ook in dagelijkse situaties)
o Expliciet vastgelegd in wetten en reglementen of impliciet
o Normatieve ethici zijn geïnteresseerd in legitimering v die normen
 Waarom mogen we niet liegen?
 Bestudeerd de fundamentele ideeën waardoor we ons laten leiden in individuele &
collectieve handelen -> ideeën vormen de mentale infrastructuur v samenleving

In de normatieve ethiek onderscheid tussen sociale & individuele ethiek
Sociale ethiek
 Gaat over handelingsnormen die betrekking hebben op mens qua gemeenschapswezen
o Waarom hebben alle mensen gelijke rechten? Wat maakt een wet bindend?
 = de studie van basisideeën die onze maatschappelijke structuren ondersteunen

Individuele ethiek
 Bestudeert de normen & ideeën waarnaar we ons richten in ons individuele leven, wnr
we nadenken over wat wel/niet mag, over onze morele verantwoordelijkheid of over
vraag van wat een geslaagd leven zou zijn
 Zoekt dus een fundament of rechtvaardiging
o Zijn normen en principes louter een kwestie van gewoonte, traditie en afspraak?
Of bestaat er een sluitende, objectieve, redelijke rechtvaardiging?

Onderscheid praktische & theoretische wijsbegeerte
 Theoretische = vraag naar het zijn, werkelijkheid zoals ze is -> fundament zoeken voor
onze kennis van die werkelijkheid
 Praktische = ethiek = vraag naar het moeten -> allerlei ideeën hoe we moeten handelen,
maar zijn die wel goed gefundeerd

Taak normatieve ethiek = rechtvaardigingen te bestuderen, zelf op te zetten of ontbreken ervan
te thematiseren
Kernvraag normatieve ethiek = bestaat er een betrouwbaar fundament voor opvatting die we
hebben omtrent hoe we moeten handelen

Nog ander onderscheid naast normatieve ethiek, nl. meta-ethiek:
 Er wordt filosofisch gereflecteerd over precieze aard & natuur v morele concepten en
morele oordelen


2

,Twee rode lijnen
1. Verhouding tussen normen voor menselijk gedrag en natuur
o Mensen hebben neiging om natuur als voorbeeld te nemen voor hoe we moeten
handelen, maar niet altijd een goede redenering
o Voorbeelden
o In de (katholieke) seksuele moraal wordt homoseksualiteit afgewezen omdat
het niet “natuurlijk” zou zijn
o Bij slavernij werd verwezen naar “natuurlijke ongelijkheid”(slimmer, sterker)
tussen mensen om ongelijkheid in wetten te rechtvaardigen
o Conclusie: beroep op natuur kan zowel goede als slechte gevolgen hebben
MAAR band met de natuur is niet volledig loslaten:
o Wat goed handelen is, hangt deels af van de natuurlijke eigenschappen van de
mens
o Bijvoorbeeld: een muis folteren is verkeerd voor een mens, maar normaal
gedrag voor een kat
o De natuur speelt een rol, maar mag niet zomaar als norm of maatstaf voor menselijk
gedrag worden verheven


2. Verhouding tussen individu en samenleving



Ethiek en scepticisme :
Ethisch scepticisme
 Is verontrustender dan ‘ontologisch scepticisme’ (cf. Descartes)
 Hoeft niet te ontkennen dat normatieve ideeën en principes bestaan en circuleren in de
samenleving
 Betwijfelt enkel de bindende kracht ervan
 Geschiedenis v westerse ethiek is lange reeks pogingen om ethisch scepticisme te
weerleggen en stevig fundament te construeren


Historische achtergrond :
Deze kernvraag verschijnt aan ons op een natuurlijke manier :
 Het is vanzelfsprekend dat we normen waarnaar we handelen en de samenleving
ordenen, kritisch in vraag stellen
 Indien ze slecht gefundeerd zijn, kunnen/zullen we ze zelfs wijzigen
MAAR
In de meeste menselijke samenlevingen : dergelijke vragen helemaal niet gesteld
 Sociale orde verscheen als onproblematisch en niet als onderwerp van kritische
bevraging
= mythische samenlevingen (niet-westers)
 Worden zo genoemd omdat ze zichzelf & hun plaats in wereld verstaan adhv mythes




3

,Mythes:
 Geven in verhalende vorm betekenis en zin aan de grondfenomenen van het bestaan
 Verklaren de orde van de wereld en gemeenschap

Ze beantwoorden 3 vragen (antwoorden door mythes)
 Wie zijn wij?
o Afstammelingen van een god of van een legendarische voorvader
o Mythes reiken mens een zelfbeeld aan & dus ook wat het betekent om mens te
zijn
 Hoe zit de werkelijkheid in elkaar?
o Reiken theoretisch verhaal aan over de aard v werkelijkheid
o Beschrijving van wat de natuurlijke werkelijkheid ten diepste beweegt en ze
verhalen het ontstaan ervan
o Goddelijke speelt een belangrijke rol, vaak aanwezig in allerlei elementen van de
werkelijkheid (in dieren, planten, …)
 Hoe moeten we leven?
o Allerlei normen en voorschriften voor het dagelijks leven (hoe dieren slachten,
wie mag trouwen, …) kunnen worden vastgelegd

-> Mythes geven stabiliteit door normen te verankeren in verhalen over mens en wereld
-> In mythische samenlevingen voelen mensen zich vanzelf ingebed in een zinvol geheel, zonder
veel vragen
-> Eigen manier van leven wordt als natuurlijk aangezien zo onlosmakelijk verbonden met orde
van natuur, kosmos, goddelijke


MAAR wanneer de wereld gemythologiseerd & gedesacraliseerd werd, ontstond de discussie
over de fundering van sociale normen weer (men gelooft er niet meer zomaar in)

6e – 5e eeuw v.C. in oude Griekenland: mythes verliezen overtuigend karakter & orde v
samenleving komt op losse schroeven te staan
 Zeden & wetten verliezen verschijnen niet meer als natuurlijke gegevens maar als
contingent (ze hadden ook anders kunnen zijn) -> verliezen bindend karakter
 Ontstaan ethisch vacuüm : de overgeleverde normen verliezen hun natuurlijke
overtuigingskracht, zonder dat er meteen nieuwe normen voorhanden zijn




4

, Verschillende oorzaken van het einde van dat mythische zelfverstaan
1. Nieuwe houding tav de werkelijkheid en natuur
o Mensen beginnen vragen te stellen over aard v natuur en mythische verklaring
kritisch te ondervragen (theoretisch vacuüm)
o Te zien bij natuurfilosofen: adhv rationeel denken is inzicht in natuur mogelijk
o Wereld wordt object van afstandname & kritische beschouwing

2. Atheense ‘democratie’ / Atheense polis
o Goddelijke kracht beslist niet meer over vb. het handelen, maar de mens zelf
gaat dat doen
MAAR niet democratie zoals bij ons: alleen meestemmen als je aan bepaalde
voorwaarden voldeed -> heel klein procent v bevolking
o Werking v macht wordt zichtbaar gemaakt -> duidelijk dat beslissingen die leven
bepalen niet uit het niets ontstaan maar resultaat zijn van concrete strijd tussen
groepen
o Gevolg : maatschappelijk orde verschijnt niet langer als noodzakelijk of
natuurlijk, maar als veranderbaar (liggend in macht v mens)

3. Groeiende contacten (oorlog en handel) met niet-Griekse volkeren
o Gevolg : vaststelling dat sociale orde een conventioneel product is -> product v
menselijke afspraken en iets dat anders kan zijn
o Komen in contact met andere normen & waarden en zien dus dat die van hen niet
universeel & natuurlijk zijn

Ethisch vacuüm :
 Zolang mensen deel uitmaken v groter zingevingssysteem dat vanzelfsprekend is, is er
geen ruimte voor kritische of filosofische reflectie over fundamenten v sociale orden




5

Table of contents

  1. 01 H5: UTILITARISME (‘THE GREATEST HAPPINESS PRINCIPLE’) 33
  2. 02 DE HEDONISTISCHE CALCULUS 35
  3. 03 Utilitarisme = consequentialistische ethiek → ENKEL gevolgen vd handeling = belangrijk voor evaluatie vd handeling Hoeveelheid lust (kwantiteit) = enige wat telt (maakt niet uit wat handeling is) è intentie totaal gn belang, we zien intentie niet & alleen het effect vd handeling 35
  4. 04 Hoe meer plezier/lust hoe beter = kwantiteit: hoeveel pleasure levert handeling op? 35
  5. 05 Niet kwaliteit: alle vormen van lust zijn evenwaardig 35
  6. 06 Door afwijzen vh kwalitatieve criteria kan morele oordelen worden herleid tot rekenen è ‘hedonistic calculus’: we moeten uitrekenen welke handeling zal leiden tot grootste hoeveelheid lust/geluk 35
  7. 07 Adhv parameters (cijferwaarde), vb. intensiteit vd lust, duur, zekerheid waarmee lust zal worden opgewekt… 35
  8. 08 MAAR niet altijd even gemakkelijk: hedonistic calculus = gepast ideaal om voor ogen te houden 35
  9. 09 Hoeveelheid lust/geluk ≠ voor ied hetzelfde: hangt er van af hoe gelukkig jijzelf er van wordt 35
  10. 10 KRITISCHE BESCHOUWINGEN 36
  11. 11 H6: TAAL ALS GRONDSLAG (JÜRGEN HABERMAS – 20STE – 21S TE E) 36
  12. 12 TAAL EN RATIONALITEIT 37
  13. 13 HABERMAS’ DISCUSSIE-MORAAL 39
  14. 14 Veronderstelling vd ideale gesprekssituatie niet alleen id materiële wereld, MAAR ook id normatieve wereld 39
  15. 15 MAATSCHAPPIJKRITIEK (THEORIE DES KOMMUNIKATIVEN HANDELNS, 1981) 40
  16. 16 SYSTEEM EN LEEFWERELD 40
  17. 17 SYSTEMISCHE MEDIA 40
  18. 18 H7: GRONDTYPES VAN DE ETHIEK 41
  19. 19 H1: HET NATUURRECHT ALS BRUG TUSSEN RECHT EN MORAAL 42
  20. 20 KORT HISTORISCH OVERZICHT 42
  21. 21 DE STOÏCIJNEN EN DE ‘LEX NATURALIS’ 43
  22. 22 1ste expliciete verwoording vh natuurrechtelijk schema = ‘lex naturalis’, bij de Romeinse stoïcijnen: 43
  23. 23 H2: HET CHRISTELIJKE NATUURRECHT (THOMAS VAN AQUINO) 44
  24. 24 LEX AETERNA, LEX NATURALIS, LEX HUMANA VEL POSITIVA 45
  25. 25 NATUURLIJKE NEIGINGEN 45
  26. 26 DE ERFENIS VAN THOMAS 47
  27. 27 H3: HET MODERNE NATUURRECHT EN HET ONTSTAAN VAN HET IDEE VAN INDIVIDUELE RECHTEN 47
  28. 28 INDIVIDUELE RECHTEN: WAAR KOMEN ZE VANDAAN? 48
  29. 29 DE ONTDEKKING VH INDIVIDU 48
  30. 30 VAN “IUS” NAAR “IUS NATURALE” 49
  31. 31 NATUURLIJKE RECHTEN NA DE 12DE EEUW 49
  32. 32 H4: HET NATUURLIJKE RECHT OP VRIJHEID EN HET SOCIAAL CONTRACT (HOBBES) 49
  33. 33 NATUURTOESTAND 50
  34. 34 HET SOCIAAL CONTRACT EN DE SOEVEREIN 51
  35. 35 ETHISCH SCEPTICISME EN INDIVIDUELE VRIJHEID 51
  36. 36 HOOFDSTUK 5: NATUURWET EN NATUURLIJKE REDE (LOCKE) 52
  37. 37 NATUURTOESTAND 52
  38. 38 OVERGANG NAAR DE BURGERLIJKE TOESTAND 53
  39. 39 Ied moet zich aan natuurwet houden zodat ied volledig van zijn vrijheid kan genieten 53
  40. 40 Ied kent die, maar niet zeker dat ied er naar zal handelen 53
  41. 41 DAAROM nood aan iem die natuurwet bekrachtigd & overtreders straft MAAR probleem: niem mag boven iemand anders staan 53
  42. 42 1 oplossing: ied mag natuurwet bekrachtigen & ied heeft recht om te straffen (ook al zelf niet betrokken) 53
  43. 43 = vreemd volgens Locke, maar eig onweerlegbaar + potentieel krachtige bron van conflict (gn 1sgezindheid) 53
  44. 44 Strange doctrine verstoort dus vreedzaamheid 53
  45. 45 Wrm burgerlijke toestand dan wenselijk? 53
  46. 46 (geld) 53
  47. 47 Interpretatie & bekrachtiging vd natuurwet maakt het nodig om contract te sluiten & zo OH in leven roepen 53
  48. 48 Betekenis contract = beperkt 53
  49. 49 burgers stemmen er unaniem mee in af te zien vh recht om elkaar individueel te berechten è wordt verantwoordelijkheid vd hele samenleving 53
  50. 50 Men beslist om samen recht te spreken (→ volgende stap: ontstaan vd OH die handelt in naam vd gemeenschap) 53
  51. 51 DE STAAT EN DE BURGERLIJKE GOEDEREN 53
  52. 52 INSTEMMING EN MEERDERHEIDSSTEMMINGEN 54
  53. 53 HOOFDSTUK 6: DE AMBIGUÏTEIT VAN DE NATUURWET BIJ MONTESQUIEU 55
  54. 54 “COMMENT PEUT-ON ETRE PERSAN? 55
  55. 55 HET PROJECT VAN DE L’ESPRIT DES LOIS 55
  56. 56 PROBLEMEN IN MONTESQUIEUS PROJECT 57
  57. 57 DE ERFENIS VAN MONTESQUIEU 57
  58. 58 HOOFDSTUK 7: HET KLASSIEKE RECHTSPOSITIVISME 58
  59. 59 HET POSITIVISTISCHE PROGRAMMA VAN COMTE 58
  60. 60 DE HISTORISCHE RECHTSSCHOOL 59
  61. 61 AUSTINS BEVELTHEORIE 59
  62. 62 DEFINIËRING VD NOTIES ‘WET’ EN ‘POS. WET’ 60
  63. 63 ZIN EN ONZIN VAN AUSTINS DEFINITIE 61
  64. 64 HOOFDSTUK 8: RECHTSPOSITIVISME VS NATUURRECHT (DE HEDENDAAGSE DISCUSSIE) 62
  65. 65 KRITIEK OP AUSTIN 62
  66. 66 The Concept of Law: verdedigen vh rechtspositivisme met rijkere beschrijving vh recht dan in Austins beveltheorie → 2 hoofdproblemen met Austins beveltheorie: 62
  67. 67 WAT IS RECHT? 63
  68. 68 DE MINIMALE MORELE INHOUD VAN HET RECHT 64
  69. 69 DWORKIN: “LAW AS INTEGRITY” 64
  70. 70 “PRINCIPLES” EN “POLICIES” 65
  71. 71 HOOFDSTUK 9: MENSENRECHTEN ALS VERDERZETTING VAN HET NATUURRECHT? 68
  72. 72 VOORGESCHIEDENIS 68
  73. 73 HET MERKWAARDIGE STATUUT VAN MENSENRECHTEN 69
  74. 74 DE POLITIEKE OPVATTING VAN MENSENRECHTEN 71
  75. 75 DIERENRECHTEN 73
  76. 76 HOOFDSTUK 1: DE ETHIEK VAN DE BURGER (REPUBLICANISME) 74
  77. 77 KLASSIEK REPUBLICANISME 74
  78. 78 POLITIEKE INSTITUTIES EN BURGERDEUGD 76
  79. 79 BRUNI EN HET BURGERLIJK HUMANISME 77
  80. 80 SPECIFICITEIT VAN HET BURGERLIJK HUMANISME 78
  81. 81 MACHIAVELLI: RADICALISERING VAN HET BURGERLIJK HUMANISME 78
  82. 82 2 belangrijke werken: 78
  83. 83 CONFLICT 79
  84. 84 BURGERLIJK HUMANISME NA MACHIAVELLI 80
  85. 85 REPUBLICANISME VANDAAG 80
  86. 86 HOOFDSTUK 2: HET SOCIAAL CONTRACT (LIBERALISME) 82
  87. 87 Kwam op met de opkomst vd grote steden id 17e eeuw, ontwikkelt zich geleidelijk uit republicanisme 82
  88. 88 Uitgangspunt van elk liberalisme = idee vd vrijheid voor individuen 82
  89. 89 Individu = van nature onbeperkt vrij & bewijslast logt altijd bij diegene die beperkingen wil opleggen aan vrijheid 82
  90. 90 GEVOLG: staat, wet of elke andere maatschappelijke instelling heeft nood aan expliciete rechtvaardiging, want zo’n instellingen leggen onvermijdelijk bepaalde beperkingen op aan individuele vrijheid 82
  91. 91 Moeten bewijzen aan individu dat er goede redenen zijn om beperkingen in te voeren 82
  92. 92 MAAR overtuiging vd liberale denkers: alles bij elkaar slechts weinig inperkingen echt gerechtvaardigd + relatief weinig collectieve instellingen wenselijk ó Hobbes: WEL verregaande inperking vd vrijheid, individuen zouden ermee instemmen (oog op eigenbelang) 82
  93. 93 Opkomst vh liberalisme heeft samenhang me aantal historische ontwikkelingen: 82
  94. 94 SOCIAAL CONTRACT EN INDIVIDUALISME 82
  95. 95 TWEE OPVATTINGEN VAN VRIJHEID 84
  96. 96 Vrijheid = hoeveelheid handelingsruimte waarover ik beschik + waarbinnen ik zonder externe interferentie of dwang kan handele 84
  97. 97 Die vrijheid = ‘negatief’ → reden?? Enige criterium = afwezigheid van interferentie 84
  98. 98 DE REPUBLIKEINSE OPVATTING VAN VRIJHEID à NEO-ROMEINS 84
  99. 99 HEDENDAAGSE LIBERALE DENKERS 85
  100. 100 Id 20ste eeuw: liberalisme = gezien als overwinnaar 85
  101. 101 Vb. Francis Fukuyama: The End of History à fascisme & communisme hebben eigen failliet bewezen & nu is geschiedenis eig voorbij & begint tijd waarin liberalisme grondslagen voor het samenleven aanlevert 85
  102. 102 LIBERALISME IN DE TWINTIGSTE EEUW 85
  103. 103 LIBERALISME IN DE EENENTWINTIGSTE EEUW 86
  104. 104 HOOFDSTUK 3: ETHIEK, TRADITIE EN GEMEENSCHAP (COMMUNITARISME) 86
  105. 105 KRITIEK OP LIBERALE THEORIEËN 87
  106. 106 ZELFBEPALING 88
  107. 107 HET BELANG VAN DE GEMEENSCHAP 89
  108. 108 HOOFDSTUK 4: HEDENDAAGSE SYNTHESE (MODEL VAN DELIBERATIEVE DEMOCRATIE) 91
  109. 109 HET DELIBERATIEVE MODEL 91
  110. 110 TWEESPORENMODEL 92
  111. 111 DELIBERATIE ALS EEN TRANSFORMATORISCH, CONSTRUCTIEF EN EPISTEMISCH PROCES 94
  112. 112 TYPES VAN DISCOURSEN 95
  113. 113 DE VERDIENSTEN VAN HET DELIBERATIEVE MODEL 96
  114. 114 INDIVIDUELE VRIJHEID VERSUS COLLECTIEVE VRIJHEID 96
  115. 115 IMMANENTE KRITIEK 98
  116. 116 SYSTEEM EN LEEFWERELD 99
  117. 117 MANDEVILLE EN DE « FABLE OF THE BEES » 100
  118. 118 ADAM SMITH EN DE “ONZICHTBARE HAND” 101
  119. 119 DIVISION OF LABOUR 102
  120. 120 EIGENBELANG 103
  121. 121 Drijvende kracht achter succesvolle verdeling = menselijke gerichtheid op eigenbelang 103
  122. 122 Niet uit altruïsme of uit plichtbesef dat we samen werken, alleen uit eigenbelang dat we economische relaties met elkaar aangaan 103
  123. 123 Individuen willen materiële omstandigheden optimaliseren & drm van nature gericht om economisch te interageren met andere individuen è meer produceren leid tot uitgebreide uitwisselingen tussen mensen è drijven van ruilhandel zet aan tot verdere arbeidsverdeling & die arbeidsverdeling verhoogt productiviteit 103
  124. 124 Feit dat neiging om handel te drijven met anderen = natuurlijke eigenschap vd mens, verklaart wrm onze natuurlijke gerichtheid op eigenbelang NIET leidt tot oorlog van allen tgn allen MAAR WEL, op lange termijn, tot moderne commerciële samenleving 103
  125. 125 Egoïsme en de drang om meer te bezitten dan men heeft = motor vd beschaving, want zetten aan tot concurrentie + inspelen op behoeftes vd ander è leidt tot collectieve welvaart 103
  126. 126 DUS omringd door anderen wordt mens: 103
  127. 127 Aangezet tot productiviteit en creativiteit 103
  128. 128 Aangezet tot nemen van risico’s 103
  129. 129 Aangezet tot het doen van allerlei technische uitvindingen die eigen productiviteit doen stijgen 103
  130. 130 Door uitwisseling met anderen gaan mensen ook: 103
  131. 131 Vooral zaken produceren waarvoor momenteel meer vraag dan aanbod is 103
  132. 132 Arbeidskracht weghalen uit productie vd zaken waarnaar gn sterke vraag is, krijgen relatief lage prijs voor 103
  133. 133 Vrije circulatie van prijzen, van goederen, van beroepskeuze (=liberalisme) = iedereen moet vrij zijn om zijn egoïstische verlangens te vervullen 103
  134. 134 Conclusie: gunstige effecten ontstaan pas wnr er vrije markt is, waarop goederen & arbeid ongehinderd worden uitgewisseld 103
  135. 135 Het is maar door aanwezigheid van die markt dat competitie tussen individuen effectief in evenwicht kan komen à menselijke ondeugden moeten dus eig de vrije loop krijgen 104
  136. 136 Inzicht ih belang vd vrije markt = voornaamste leidraad te Smith te bieden heeft aan overheden van zijn tijd 104
  137. 137 Overheid moet natuurlijke mechanisme zoveel mogelijk laten spelen 104
  138. 138 STEL: OH tot economisch beleid te voeren, DAN gwn breken van arbitraire restricties op werking vd markt 104
  139. 139 RECHTVAARDIGHEID 104
  140. 140 DE LIBERALE STAAT 105
  141. 141 HOOFDSTUK 3: JOHN RAWLS EN DE NAOORLOOGSE WELVAARTSTAAT 105
  142. 142 DE SLUIER VAN ONWETENDHEID 106
  143. 143 Hobbes + Locke: ongelijke individuen à sociaal contract = toestand van gelijkheid 106
  144. 144 Rawls gebruikt ook sociaal contract om aan te tonen dat het voor individuen onderworpen aan herverdelingsmechanismes vd welvaartstaat rationeel is om die herverdeling te aanvaarde, aangezien ze daar zelf ook voor zouden kiezen 106
  145. 145 MAAR: onduidelijk wrm individuen id natuurtoestand zouden instemmen met een sociaal contract dat aan ALLE contractanten gelijke rechten & plichten toeschrijft 106
  146. 146 Id natuur mensen = in ongelijkheid (sommigen getalenteerder dan anderen) DUS is het waarschijnlijker dat de sterkste individuen de voordelen die ze id natuurtoestand hebben kunnen opbouwen, die ook zullen laten vergrendelen ih contract 106
  147. 147 DIFFERENTIEPRINCIPE 107
  148. 148 PRINCIPES VAN RECHTVAARDIGHEID 107
  149. 149 Niet alleen sociaal-economische welvaart kan verdeeld worden à 5 groepen van ‘primaire sociale goederen’: 107
  150. 150 a) Basisrechten & -vrijheden 107
  151. 151 b) Vrijheid van beweging & beroeps keuze 107
  152. 152 c) Macht en voordelen uit ambten & posities 107
  153. 153 d) Inkomen 107
  154. 154 e) Zelfrespect 108
  155. 155 Zelfrespect = belangrijkste primaire goed MAAR OH kan dit niet rechtstreeks verdelen = alleen randvoorwaarden voor realiseren daarvan gaan bepalen è DUS: invulling vh goede leven blijft verantwoordelijkheid vd individuen (liberaal) 108
  156. 156 Uitgangspunt blijkt ook uit keuze die individuen zouden maken ivm verdeling van a) en b) 108
  157. 157 Individuen zullen kiezen voor maximale vrijheid & zouden rechten & vrijheden op strikt gelijke manier verdelen 108
  158. 158 Geen redenen om aan te nemen dat ongelijke verdeling, positieve bijdrage zou leveren aan hoeveelheid rechten & vrijheden vd minstbedeelden 108
  159. 159 = the liberty principle 108
  160. 160 Keuze voor dit liberaal principe = logisch: elk individu die achter de sluiter van onwetendheid zit, wil kans vergroten dat ze, ongeacht welke opvatting vh leven ze hebben, de vrijheid zullen hebben die te realiseren 108
  161. 161 Verdeling b) en c)? = principle of fair equality of opportunity (principe van gelijke kansen) è keuze = ook vanzelfsprekend: ook indien ik geboren wordt in niet optimale omstandigheden, hoop ik dat ik alsnog een ernstige kans zal krijgen om mijn eigen welvaartsniveau zo hoog mogelijk te maken 108
  162. 162 Samenvatting vd 2 principes = general conception of algemene idee achter zijn rechtvaardigheidstheorie 108
  163. 163 R. zegt dat hij zo aantoont dat instellingen = goed gefundeerd: individuen die id originele positie geplaatst worden, zouden ervoor kiezen om basisstructuur vd samenleving precies op dezelfde manier in te richten 108
  164. 164 Objecties bij Rawls’ differentieprincipe: 108
  165. 165 1. Communitaristische objectie: dat individu die id originele positie, los vd samenleving, normatieve keuzes maakt, = onmogelijk è je kiest altijd iets binnen een bepaald betekenisgeheel: kan daar niet los van staan, los van samenleving weet helemaal niet in welke hij gaat terecht komen 108
  166. 166 2. Liberale (meritocratische objectie: mens heeft zijn positie te danken aan eigen keuzes en inzet è door hard te werken, kan je de eigen mogelijkheden verruimen, hard werken loont 108
  167. 167 3. Empirische (echt kijken naar de wereld) objectie: theoretisch mooi, maar id praktijk niet realiseerbaar 108
  168. 168 HOOFDSTUK 4: ETHIEK EN GLOBALISERING 108
  169. 169 Vraag naar distributieve rechtvaardigheid = gesteld ih kader vd natiestaat (19de eeuw) 108
  170. 170 Nieuwe economische & sociale theorieën stelden dat leden van 1zelfde samenleving bepaalde sociale en economische herverdelingsplichten tav elkaarh hebben 108
  171. 171 KOSMOPOLITISME 109
  172. 172 PETER SINGER, 20STE EEUW 109
  173. 173 EEN GLOBALE WELVAARTSTAAT 109
  174. 174 MENSENRECHTEN ALS CRITERIUM 109
  175. 175 EEN SAMENLEVING VAN STATEN: LAW OF PEOPLES 110
  176. 176 Veel auteurs verwerpen individualistische uitgangspunt vh kosmopolitisme à id plaats daarvan modellen van rechtvaardigheid waarin enkel plichten tussen staten bestaan è niet individuen, wel staten = relevante eenheden 110
  177. 177 = vertegenwoordigd door Rawls 110
  178. 178 Kosmopolitische uitbreiden van ‘Theory of Justice’ = 2 grote problemen 110
  179. 179 Universalistische, egalitaire individualisme dat ten grondslag ligt aan stellingname ≠ universeel aanvaardbaar 110
  180. 180 Beeld vd individuen als vrij & gelijk ≠ door alle culturen gedeeld 110
  181. 181 Institutionaliseren vd rechtvaardigheidsprincipes afleidbaar uit ‘Theory…’ = illegitieme inmenging 110
  182. 182 Volkeren moeten zelf kunnen bepalen welke principes van rechtvaardigheid ze aanhangen & hoe ze hun economisch & sociaal leven organiseren = intrinsiek goed, waarop we geen inbreuk mogen plegen 110
  183. 183 DUS nieuwe hypothetisch-contractuele positie: niet individuen, wel volkeren moeten id originele positie geplaatst worden om principes toepasbaar op basisstructuur vd wereldgemeenschap te kennen: ze zullen kiezen voor: 110
  184. 184 1. Internationale orde die vredevol & stabiel is en waarin principe van niet-inmenging geldt, zodat volkeren ervan verzekert zijn dat ze autonoom & naar eigen goeddunken vorm kunnen geven aan hun collectieve leven 110
  185. 185 2. Bijstandprincipe dat volkeren plicht geeft om bijstand te verlenen aan andere volkeren die zich om 1 of andere reden onder niveau vd welvaart & collectieve organisatie bevinden, dat nodig is om autonoom te kunnen functioneren 110
  186. 186 a. Principe = enige principe van supranationale rechtvaardigheid die Rawl erkent: inhoud ervan kan verregaand zijn MAAR steeds duidelijk doel & daardoor ook duidelijk eindpunt è plicht tot solidariteit stopt, zodra samenleving als autonoom & verantwoordelijk voor eigen keuzes kan beschouwd worden 110
  187. 187 Zo zijn volkeren er zeker van dat ze, welke waarden ze ook werkelijk hebben, ten minste volgens die waarden kunnen leven en de interne orde van hun samenleving naar eigen inzicht kunnen regelen 110
  188. 188 Hij wil naar een soort volkerenrecht 110
  189. 189 KRITIEK: 110
  190. 190 Vooral op weigering om meer verregaande kosmopolitische rechtvaardigheidsprincipes te erkennen 110
  191. 191 Problematisch omdat individuen er niet vrij voor kiezen in welke samenleving ze terechtkomen, terwijl hun welvaartsniveau hierdoor onomkeerbaar bepaald wordt 110
  192. 192 Rawl spreekt zichzelf ivm vorige werk tegen: als we kijken vanuit standpunt van volkeren, kan het hier wel gebeuren dat individuele vrijheden sterk onderdrukt worden 110
  193. 193 POLITIEKE OPVATTING VAN MENSENRECHTEN DOOR RAWLS 110
  194. 194 PROBLEEM: sinds WOII worden mensenrechten gebruikt om militaire invasies, sancties & interventies goed te praten = soort humanitaire vlag 110
  195. 195 Hij gaat reageren op morele & traditionele opvatting van mensenrechten: empirisch benaderen & dus gaan vergelijken voor en na WOII à zoeken naar oplossing voor hoe mensenrechten nu worden gebruikt 111
  196. 196 Gaat mensenrechten 2 rollen geven: 111
  197. 197 1. Dienen om rechtvaardigheidsredenen voor oorlog in te perken (ervoor zorgen dat ze niet langer daarvoor gebruikt te worden) 111
  198. 198 2. Als er in bepaalde samenleving zo’n regime is waar mensenrechten systematisch worden geschonden, DAN pas mogen mensenrechten tussenkomen 111
  199. 199 Moeten dus naar kortere versie vd mensenrechten (ó daarvoor echt een inflatie aan mensenrechten) 111
  200. 200 Onderscheid tussen rechten die we overal ter wereld kunnen afdwingen = echte mensenrechten = human rights proper & rechten die in bepaalde samenlevingen kunnen verschillen = liberal aspirations 111
  201. 201 Ook wat Burms (discussiecollege) bekritiseerde: hij zei dat we mensenrechten moesten zien als bescherming tgn kwaad, MAAR je had ook positieve interpretatie van mensenrechten: recht om menswaardig bestaan te leiden è Burms zegt: wordt in elke samenleving op andere manier ingevuld, want is betekeniskader 111
  202. 202 Mensenrechten moeten altijd negatief geïnterpreteerd worden: beschermen tegen kwaad (Rawls) 111

Connected book
 image
Raf Geenens Ethiek
Publisher: Unknown ISBN: 9789463790840 Edition: 1

Document information

Study
Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
August 27, 2026
Number of pages
111
Written in
2025/2026
Type
Summary
$9.65

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
2
Followers
0
Items
5
Last sold
3 weeks ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions