Inleiding
Communicatiewetenschap = wetenschappelijke studie van relatie tussen media of
communicatieprocessen en de samenleving (politiek, juridisch, economisch of
gezondheid). Het is een breed, divers én jong academisch veld → kritiek (zie hfst 2)
Google M-gram: Hoeveel werken zijn er gepubliceerd over media en communicatie?
• Gefragmenteerd veld (veel subvelden) = fragmentation
• Cohesie = veel ideeën
• Inter- en multidisciplinaire invloeden uit bv. psychologie = relevant
• Taalaspect: dominantie in Angelsaksische landen (UAmsterdam: Engelse lessen)
Doelstellingen van de cursus
- D1: overzicht van en kennis met breed en steeds evoluerende veld (gsm,
schermtijd)
o Mediagebruik verandert sinds corona EN blijft nadien
o Generatie van ‘digital natives’ heeft implicaties
Link met cursus? (je krijgt een afbeelding/tekst -> toepassen welke theorie erbij past)
• Informatiemaatschappij
• New media theory, mediatization, …
• Mediageschiedenis
• Mediabeleid en -economie
• Media en ‘effect’-theorieën
• Globalisering, convergentie en concentratie
- D2: Hedendaags belang (actuele relevantie)
o ‘Effect’ van media op maatschappij & individu (overgeven / depressie
door mediaproduct zoals een film, nieuwsbericht of sensibiliserings-
campagne bv. “sexting mag”)
o Politiek en media: Brexit, poll en nieuwsverslaggeving (propaganda)
1
, o Geweld en media (discussie): media kan frames creëren door
representatie, selectie of teveant (iets dat afwijkt)
o Gameverslaving (voordelen en nadelen: veel nuancering)
- D3: Wetenschappelijke benadering
o o.b.v. data kunnen we problematieken aantonen (verslavende apps)
Structuur van de cursus
1. Theorie en ontwikkeling van de discipline
1. Bouwstenen
2. Communicatiewetenschappen als discipline
3. Opkomst en institutionalisering
4. Mainstream-paradigma
5. Alternatief paradigma
6. Nieuwe media, nieuwe theorie?
2. Onderzoeksvelden of perspectieven
1. Historisch perspectief
2. Sociologisch perspectief
3. Economisch perspectief
4. Normatief perspectief en beleid
5. Inhoudelijk perspectief
6. Publieksperspectief
Uitgangspunten en rode draden
1. Oorsprong en snelle ontwikkeling van de discipline
2. Klemtoon op mediacommunicatie
3. Opgelet voor mediacentralisme
4. Multidisciplinariteit: communicatiewetenschappen (invloeden en inspiratie uit andere
disciplines
5. Belang van historische en maatschappelijke context
6. Wetenschappelijke en kritische benadering
BEGRIPPEN
Mediatisering Processen van sociale veranderingen in de maatschappij
(macro- en microniveau), die gelinkt kunnen worden aan de
toenemende impact op en de verwevenheid van media in
onze maatschappij
Mediacommunicatie Communicatieprocessen via een technologisch medium
Mediacentralisme Maatschappelijke problemen integraal verklaren door media
bv. Trump legt schuld bij internet na schietpartijen
Technologisch Geloof dat technologische veranderingen en eigen logica
determinisme volgen, die onafh. is van de menselijke wil en de drijvende
kracht is van sociale veranderingen
Maatschappijcentrisme Dynamieken beïnvloeden de media (media zijn louter een
weerspiegeling van de samenleving.
H1: BOUWSTENEN
2
,Wat is communicatie?
Metafoor: met legoblokken (concepten of elementen) bouwen we een communicatie-
model om een betekenis te geven aan communicatie.
1. Teken en betekenisvol communiceren: hoe ontstaat betekenis?
(communicator)
1. Basisconcepten
Betekenis kan zeer banaal gecreëerd worden door louter een andere uitspraak bv. 1981
(geboortejaar) spreken we uit als ‘negentieneenentachtig’ = afspraak: we hanteren een
code om extra betekenis toe te kennen aan iets.
Semiotiek = studie naar de wijze waarop tekens functioneren en hoe ze betekenis doen
ontstaan
• Fonologie: klanken bv. Play4 (niet uitgesproken als play four)
• Syntaxis: structuur, volgorde, patronen op woordniveau bv. Thuis (logisch patroon)
• Semantiek: relatie tussen teken en betekenis bv. één
• Pragmatiek: relatie tussen tekengebruiker en betekenis bv. Is het met opzet?
Gebruiksvriendelijk? Kan men er gemakkelijk mee aan de slag gaan?
Intensie – extensie (voor iedereen anders -> overlappingen -> miscommunicatie)
- Intensie: geheel van criteria die van toepassing zijn op een bepaald object
- Extensie: klasse van zaken waarop die term correct is toegepast
Bv. romcom -> I (liefdesverhaal, happy ending, komisch) – E (Love Actually)
Teken (Sa, Se verwijst naar een object):
• Betekenaar / signifiant (Sa): materiële verschijningsvorm van een teken die
naar een object verwijst (beeld, klank, neergeschreven woord …)
• Betekende / signifié (Se): concept, begrip, beeld of idee waar de Sa naar
verwijst (voor iedereen anders)
Relatie tussen beide is belangrijk om betekenisvol met elkaar te communiceren op
basis van een code / afspraak ( kakofonie: klanken door elkaar halen)
bv. “hond” (Sa) – “kleine poedel / grote jachthond” (Se)
bv. = Sa “muzieknoot la” = Se
Referent = fysiek object waar het teken naar verwijst
3
, ! Niet alle tekens hebben een referent (nodig) bv. liefde, waarheid …
‘Auto’ → Sa: letters, uitspraak
→ Se: voertuig op vier wielen etc.
→ Referent (extensie, misverstand):
Verschillende niveaus van betekenis → significatie (Roland Barthes):
• Primair betekenisniveau: denotatie (‘wikipedia’-definitie), Se
• Secundair betekenisniveau: connotatie (bijbetekenis), Sa, hangt samen met
specifieke (fysieke) verschijningsvorm van de betekenaar
o Evaluatieve lading (goed, slecht of neutraal)
o Referentiële lading (afh. van persoon, context en tijdstip)
bv. “vuur” -> warmte / gevaar
→ Hier wordt het woord ‘connotatie’ correct gebruikt (examenvraag) ! argumentatie: we
zitten hier duidelijk op het secundaire niveau ‘hippie, saai’ (geen standaarddefinitie).
2. Tekensystemen (systematisch aspect, relatie tussen tekens)
A. Charles Peirce (VSA)
Relatie tussen tekenvorm / representamen en het object waarnaar het verwijst
Het interpretant is geen persoon, maar de
extra betekenis bij de gebruiker.
• Gelinkt aan persoonlijke ervaringen
(additionele betekenisgeving)
4