4.2 Gedragstherapeutische Interventies
Week 1 - Probleeminventarisatie en Holistische Theorie (HT)
Hoofdstuk ‘Diagnostisch interview met ouders’ van G. Berden
Inleiding
Het ouderinterview is een diagnostisch instrument dat inzicht moet geven in:
● De reden van aanmelding en de hulpvraag van ouders
● Factoren die bijdragen aan het ontstaan en voortbestaan van probleemgedrag
● De behandelingsmogelijkheden van kind en gezin
Daarnaast dient het interview om een goede werkrelatie met ouders op te bouwen.
Om dit effectief te doen, moet de interviewer beschikken over:
● Kennis van normale ontwikkeling en kinderpsychopathologie
● Goede gespreksvaardigheden
● Inzicht in het eigen functioneren tijdens het gesprek
Belangrijk om goede balans te houden tussen inhoudelijke info verkrijgen en de therapeutische band behouden
Technische aspecten van het ouderinterview
De interviewer moet ouders begrip en erkenning geven, vooral voor gevoelens van schaamte, schuld of onmacht.
Belangrijke gesprekstechnieken zijn:
● Empathisch reageren en samenvatten om orde te
scheppen in chaotische verhalen
● Uitleg geven over het doel en de gewenste informatie
om relevantie te behouden
● Bekrachtigen van ouders (verbaal en non-verbaal) om
motivatie te vergroten
● Gerichte vragen stellen om concreet probleemgedrag te
achterhalen
Soms delen ouders informatie niet bewust, door schuldgevoel of schaamte. De onderzoeker moet daar rekening
mee houden en sensitief doorvragen
Feiten kunnen ook vervormd zijn door emoties of herinneringsfouten, maar die hebben wel diagnostische waarde.
Het interview moet niet alleen focussen op problemen, maar ook op positieve aspecten en goed functioneren.
De onderzoeker moet zich bewust zijn van zijn eigen invloed: te veel nadruk op ouderlijke schuld kan de relatie
schaden
De voorkeur gaat uit naar open vragen, gevolgd door gerichte vragen. De onderzoeker bewaakt de balans tussen
feitelijke informatie en het ruimte geven aan emoties. Wanneer mogelijk, wordt het gezin als geheel geïnterviewd,
om de interactie tussen gezinsleden te observeren. Individuele gesprekken met ouders of kind kunnen later
aanvullend zijn
Algemeen-inhoudelijke opbouw van het ouderinterview
Het interview begint met een grondige verkenning van de aanmeldingsklachten, zodat ouders zich gehoord
voelen. Daarna volgen:
● Ontwikkelingsanamnese: systematische bespreking van de belangrijkste mijlpalen in motorische, sociale
en emotionele ontwikkeling
● Gezinsanamnese: inzicht in het gezinsklimaat en factoren die probleemgedrag beïnvloeden
● Persoonlijke anamnese van ouders: hun visie op opvoeding en kindontwikkeling
Deze drie onderdelen helpen het probleemgedrag te begrijpen binnen een ruimer levens- en gezinscontext
1
,Klachtenanamnese
De klachtenanamnese richt zich op het gericht navragen van gedragsaspecten die relevant zijn bij de
aanmeldingsklachten. Hiervoor is kennis van psychopathologie noodzakelijk
● Concrete beschrijving van klachten: ouders moeten zo specifiek mogelijk beschrijven wat het
probleemgedrag is en in welke situaties het voorkomt. Daarbij zijn ook de emoties die hiermee
samenhangen diagnostisch waardevol
● Emotionele impact: onderzoeker vraagt naar de gevoelens die de klachten oproepen bij kind en gezin
(angst, boosheid, schaamte)
● Aanleiding en verloop: belangrijk is te achterhalen wanneer het probleem begon, hoe het zich
ontwikkelde (plots of geleidelijk) en welke gebeurtenissen ermee samenhangen
● Ernst en situatieafhankelijkheid: de onderzoeker schat in hoe ernstig het probleem is en in hoeverre het
interfereert met de normale ontwikkeling (eten, slapen, stemming, school)
● Tijdsverloop en context: wordt het gedrag vooral thuis of op school gezien? En hoe lang speelt het al?
● Visie van ouders: hoe zien ouders zelf de oorzaak van het probleemgedrag? En wat verwachten zij van
hulpverlening?
● Toekomstverwachtingen: hoe schatten ouders de prognose in en welke zorgen hebben zij over de
toekomst?
● Hulpverleningsgeschiedenis: er wordt gevraagd naar eerdere hulpverlening en de ervaringen daarmee,
inclusief redenen om een behandeling te stoppen
Ontwikkelingsanamnese
Geeft inzicht in ontwikkelingsaspecten en levensgebeurtenissen die mogelijk hebben bijgedragen aan het
probleemgedrag. De onderzoeker beoordeelt hiermee de mogelijkheden, beperkingen en prognose van het kind
● Richt zich zowel op lichamelijke als psychische ontwikkeling
● Brengt progressieve (bevorderende) en regressieve (remmende) factoren in kaart
● Houdt rekening met het adaptatievermogen van kind en ouders bij stressvolle gebeurtenissen
Zwangerschap en geboorte
● Wenselijkheid van zwangerschap, verloop, fysieke/psychische toestand van moeder en vader
● Factoren zoals spanningen, ziekte, middelengebruik, financiële problemen
● Belang van eerdere zwangerschappen/miskramen, perinatale complicaties, postpartumdepressie
Eerste levensmaanden
● Contact tussen ouder en kind, hechting, eventuele stoornissen (bv. autisme)
● Temperament van de baby, steun van omgeving, eventuele postpartumproblemen
● Invloed van stressoren zoals huisvesting of werkproblemen op gezinsklimaat
Psychomotorische ontwikkeling
● Mijlpalen zoals zitten, lopen, fietsen
● Activiteitsniveau, vasthoudendheid, stimulatie door ouders
Voedingsanamnese: eetproblemen, conflicten rond eten, lichamelijke oorzaken, ouderlijke reacties
2
,Slaapanamnese: slaapritme, inslaapproblemen, parasomnieën, invloed van ouder-kindrelatie
Taal- en spraakontwikkeling: wanneer sprak het kind? Opvallend
taalgebruik, neologismen, echolalie, verwijzingen naar spraakproblemen of
gehooronderzoek
Zindelijkheidstraining: hoe verliep deze fase? Machtstrijd of problemen bij
encopresis/enuresis, ouderlijke aanpak
Hechting en separaties: reacties op scheiding van ouder/verzorger,
opvangsituaties, meerdere verzorgers
Contact met broers, zussen en leeftijdsgenoten: jaloezie, conflicten,
sociale relaties, mate van betrokkenheid en ondersteuning
Schoolverloop: schoolprestaties, gedrag op school, relaties met
leerkrachten en medeleerlingen, schoolwisselingen
Ontwikkelingsinterfererende gebeurtenissen: ernstige ziekten,
ongevallen, ziekenhuisopnames, echtscheiding, verhuizing, financiële
problemen, veranderingen in gezinssamenstelling of werk
Adoptie- of pleegkinderen: reden voor adoptie/pleegzorg, verloop van proces, contact met biologische ouders,
reactie van het kind op adoptie/pleegstatus
Huidig functioneren van het kind of de jeugdige
De onderzoeker moet het probleemgedrag plaatsen binnen het totale functioneren van het kind. Naast
probleemgebieden is het ook belangrijk om sterke kanten te belichten. Dit helpt bij het vormen van een
evenwichtig beeld en bij het inschatten van prognose en behandelmogelijkheden
Lichamelijk welbevinden, motorisch functioneren en zintuiglijke functies
● Vraag naar chronische aandoeningen (zoals astma, epilepsie, diabetes) en hun invloed op dagelijks
functioneren
● Lichamelijke klachten (buikpijn, hoofdpijn, misselijkheid) kunnen wijzen op psychisch onwelbevinden
● Beoordeel motorische vaardigheden (gym, schrijven, knutselen) en zintuiglijke functies (gehoor, zicht)
● Belangrijk is of het kind plezier beleeft aan beweging en hoe ouders eventuele beperkingen ervaren
Aandacht en concentratie
● Problemen met concentratie en taakspanning komen vaak voor
● Onderzoeker vraagt hoe lang het kind aandacht kan vasthouden, hoe snel het afgeleid wordt en of het
doorzet tot een resultaat
● Zelfs als dit geen hoofdklacht is, blijft aandacht een belangrijk diagnostisch thema
Taal en spraak
● Schat het taalbegrip en de uitdrukkingsvaardigheid in
● Vraag naar taalproblemen zoals stotteren, echolalie, neologismen of ‘papegaaienspraak’
● Belangrijk is of het kind zich coherent kan uitdrukken en begrijpelijke verhalen kan vertellen
Intelligentie en denken
● Vraag ouders naar hun inschatting van het intelligentieniveau van het kind
● Bespreek schoolprestaties, geheugenproblemen, incoherentie in denken of magisch/fantasierijk denken
● Let op tekorten in logisch redeneren en neiging tot overmatige fantasie
3
, School
● Verzamel informatie over schooltype, niveau en cijfers, maar ook
over motivatie, plezier en discipline
● Vraag naar oorzaken van lage cijfers, zoals
concentratieproblemen of gedragsmoeilijkheden
● Betrek ook de relatie met leerkrachten en klasgenoten en
eventuele klachten over gedrag op school
Eet- en slaapgedrag
● Vraag naar eetlust, gewichtstoename of -afname, en gedrag aan
tafel
● Bespreek slaapgewoonten en -problemen (nachtmerries,
slaapwandelen, moeite met inslapen)
● Houd rekening met lichamelijke oorzaken en invloed van
omgevingsfactoren zoals lawaai of kamerindeling
Relatie tot ouders en gezinsleden
● Onderzoek kwaliteit van ouder-kindrelatie: voelen ouders zich
verbonden met hun kind, en hoe vaak ondernemen ze iets
samen?
● Belangrijk is of ouders gedragsaspecten in hun kind herkennen en
bereid zijn te investeren in de relatie
● Conflicten of afstand kunnen behandelingskansen beperken
Relatie tot broers/zussen en leeftijdsgenoten
● Kwaliteit van relaties, jaloezie, conflicthantering en sociale vaardigheden worden bevraagd
● Bij leeftijdsgenoten gaat het om duurzaamheid van vriendschappen, vermogen om in te leven en
conflicten op te lossen
Stemming en angst
● Vraag naar tekenen van depressie of angst, zoals somberheid, piekeren, gevoelens van waardeloosheid
of euforie
● Let op frequente stemmingswisselingen en suïcidale gedachten
● Ga na hoe het kind met angstgevoelens omgaat en in hoeverre deze het dagelijks leven beïnvloeden
Spel, fantasieleven en hobby’s
● Hoe vult het kind zijn vrije tijd? Heeft het voldoende speelmogelijkheden of hobby’s?
● Vraag naar voorkeur voor alleen of samen spelen, competitief gedrag en opvallende spelthema’s
● Ook fantasie en creativiteit zijn diagnostisch relevant
Seksuele ontwikkeling
● Vraag op neutrale wijze naar seksuele belangstelling of gedrag dat niet leeftijdsadequaat lijkt
● Bij meisjes kan men informeren naar de menarche en de emotionele verwerking daarvan
Norm- en waardebesef
● Informeer naar schuldgevoelens, moreel besef en rechtvaardigheidsgevoel
● Bij ernstige gedragsproblemen moet men expliciet vragen naar liegen, stelen, weglopen, brandstichten,
middelengebruik of politiecontact
Specifieke gedragingen
● Denk aan enuresis (bedplassen), encopresis (poepincidenten), obsessionele gedragingen of
auto-erotisch gedrag
● Deze gedragingen kunnen belangrijke aanwijzingen geven over onderliggende spanningen of
ontwikkelingsproblemen
4
Week 1 - Probleeminventarisatie en Holistische Theorie (HT)
Hoofdstuk ‘Diagnostisch interview met ouders’ van G. Berden
Inleiding
Het ouderinterview is een diagnostisch instrument dat inzicht moet geven in:
● De reden van aanmelding en de hulpvraag van ouders
● Factoren die bijdragen aan het ontstaan en voortbestaan van probleemgedrag
● De behandelingsmogelijkheden van kind en gezin
Daarnaast dient het interview om een goede werkrelatie met ouders op te bouwen.
Om dit effectief te doen, moet de interviewer beschikken over:
● Kennis van normale ontwikkeling en kinderpsychopathologie
● Goede gespreksvaardigheden
● Inzicht in het eigen functioneren tijdens het gesprek
Belangrijk om goede balans te houden tussen inhoudelijke info verkrijgen en de therapeutische band behouden
Technische aspecten van het ouderinterview
De interviewer moet ouders begrip en erkenning geven, vooral voor gevoelens van schaamte, schuld of onmacht.
Belangrijke gesprekstechnieken zijn:
● Empathisch reageren en samenvatten om orde te
scheppen in chaotische verhalen
● Uitleg geven over het doel en de gewenste informatie
om relevantie te behouden
● Bekrachtigen van ouders (verbaal en non-verbaal) om
motivatie te vergroten
● Gerichte vragen stellen om concreet probleemgedrag te
achterhalen
Soms delen ouders informatie niet bewust, door schuldgevoel of schaamte. De onderzoeker moet daar rekening
mee houden en sensitief doorvragen
Feiten kunnen ook vervormd zijn door emoties of herinneringsfouten, maar die hebben wel diagnostische waarde.
Het interview moet niet alleen focussen op problemen, maar ook op positieve aspecten en goed functioneren.
De onderzoeker moet zich bewust zijn van zijn eigen invloed: te veel nadruk op ouderlijke schuld kan de relatie
schaden
De voorkeur gaat uit naar open vragen, gevolgd door gerichte vragen. De onderzoeker bewaakt de balans tussen
feitelijke informatie en het ruimte geven aan emoties. Wanneer mogelijk, wordt het gezin als geheel geïnterviewd,
om de interactie tussen gezinsleden te observeren. Individuele gesprekken met ouders of kind kunnen later
aanvullend zijn
Algemeen-inhoudelijke opbouw van het ouderinterview
Het interview begint met een grondige verkenning van de aanmeldingsklachten, zodat ouders zich gehoord
voelen. Daarna volgen:
● Ontwikkelingsanamnese: systematische bespreking van de belangrijkste mijlpalen in motorische, sociale
en emotionele ontwikkeling
● Gezinsanamnese: inzicht in het gezinsklimaat en factoren die probleemgedrag beïnvloeden
● Persoonlijke anamnese van ouders: hun visie op opvoeding en kindontwikkeling
Deze drie onderdelen helpen het probleemgedrag te begrijpen binnen een ruimer levens- en gezinscontext
1
,Klachtenanamnese
De klachtenanamnese richt zich op het gericht navragen van gedragsaspecten die relevant zijn bij de
aanmeldingsklachten. Hiervoor is kennis van psychopathologie noodzakelijk
● Concrete beschrijving van klachten: ouders moeten zo specifiek mogelijk beschrijven wat het
probleemgedrag is en in welke situaties het voorkomt. Daarbij zijn ook de emoties die hiermee
samenhangen diagnostisch waardevol
● Emotionele impact: onderzoeker vraagt naar de gevoelens die de klachten oproepen bij kind en gezin
(angst, boosheid, schaamte)
● Aanleiding en verloop: belangrijk is te achterhalen wanneer het probleem begon, hoe het zich
ontwikkelde (plots of geleidelijk) en welke gebeurtenissen ermee samenhangen
● Ernst en situatieafhankelijkheid: de onderzoeker schat in hoe ernstig het probleem is en in hoeverre het
interfereert met de normale ontwikkeling (eten, slapen, stemming, school)
● Tijdsverloop en context: wordt het gedrag vooral thuis of op school gezien? En hoe lang speelt het al?
● Visie van ouders: hoe zien ouders zelf de oorzaak van het probleemgedrag? En wat verwachten zij van
hulpverlening?
● Toekomstverwachtingen: hoe schatten ouders de prognose in en welke zorgen hebben zij over de
toekomst?
● Hulpverleningsgeschiedenis: er wordt gevraagd naar eerdere hulpverlening en de ervaringen daarmee,
inclusief redenen om een behandeling te stoppen
Ontwikkelingsanamnese
Geeft inzicht in ontwikkelingsaspecten en levensgebeurtenissen die mogelijk hebben bijgedragen aan het
probleemgedrag. De onderzoeker beoordeelt hiermee de mogelijkheden, beperkingen en prognose van het kind
● Richt zich zowel op lichamelijke als psychische ontwikkeling
● Brengt progressieve (bevorderende) en regressieve (remmende) factoren in kaart
● Houdt rekening met het adaptatievermogen van kind en ouders bij stressvolle gebeurtenissen
Zwangerschap en geboorte
● Wenselijkheid van zwangerschap, verloop, fysieke/psychische toestand van moeder en vader
● Factoren zoals spanningen, ziekte, middelengebruik, financiële problemen
● Belang van eerdere zwangerschappen/miskramen, perinatale complicaties, postpartumdepressie
Eerste levensmaanden
● Contact tussen ouder en kind, hechting, eventuele stoornissen (bv. autisme)
● Temperament van de baby, steun van omgeving, eventuele postpartumproblemen
● Invloed van stressoren zoals huisvesting of werkproblemen op gezinsklimaat
Psychomotorische ontwikkeling
● Mijlpalen zoals zitten, lopen, fietsen
● Activiteitsniveau, vasthoudendheid, stimulatie door ouders
Voedingsanamnese: eetproblemen, conflicten rond eten, lichamelijke oorzaken, ouderlijke reacties
2
,Slaapanamnese: slaapritme, inslaapproblemen, parasomnieën, invloed van ouder-kindrelatie
Taal- en spraakontwikkeling: wanneer sprak het kind? Opvallend
taalgebruik, neologismen, echolalie, verwijzingen naar spraakproblemen of
gehooronderzoek
Zindelijkheidstraining: hoe verliep deze fase? Machtstrijd of problemen bij
encopresis/enuresis, ouderlijke aanpak
Hechting en separaties: reacties op scheiding van ouder/verzorger,
opvangsituaties, meerdere verzorgers
Contact met broers, zussen en leeftijdsgenoten: jaloezie, conflicten,
sociale relaties, mate van betrokkenheid en ondersteuning
Schoolverloop: schoolprestaties, gedrag op school, relaties met
leerkrachten en medeleerlingen, schoolwisselingen
Ontwikkelingsinterfererende gebeurtenissen: ernstige ziekten,
ongevallen, ziekenhuisopnames, echtscheiding, verhuizing, financiële
problemen, veranderingen in gezinssamenstelling of werk
Adoptie- of pleegkinderen: reden voor adoptie/pleegzorg, verloop van proces, contact met biologische ouders,
reactie van het kind op adoptie/pleegstatus
Huidig functioneren van het kind of de jeugdige
De onderzoeker moet het probleemgedrag plaatsen binnen het totale functioneren van het kind. Naast
probleemgebieden is het ook belangrijk om sterke kanten te belichten. Dit helpt bij het vormen van een
evenwichtig beeld en bij het inschatten van prognose en behandelmogelijkheden
Lichamelijk welbevinden, motorisch functioneren en zintuiglijke functies
● Vraag naar chronische aandoeningen (zoals astma, epilepsie, diabetes) en hun invloed op dagelijks
functioneren
● Lichamelijke klachten (buikpijn, hoofdpijn, misselijkheid) kunnen wijzen op psychisch onwelbevinden
● Beoordeel motorische vaardigheden (gym, schrijven, knutselen) en zintuiglijke functies (gehoor, zicht)
● Belangrijk is of het kind plezier beleeft aan beweging en hoe ouders eventuele beperkingen ervaren
Aandacht en concentratie
● Problemen met concentratie en taakspanning komen vaak voor
● Onderzoeker vraagt hoe lang het kind aandacht kan vasthouden, hoe snel het afgeleid wordt en of het
doorzet tot een resultaat
● Zelfs als dit geen hoofdklacht is, blijft aandacht een belangrijk diagnostisch thema
Taal en spraak
● Schat het taalbegrip en de uitdrukkingsvaardigheid in
● Vraag naar taalproblemen zoals stotteren, echolalie, neologismen of ‘papegaaienspraak’
● Belangrijk is of het kind zich coherent kan uitdrukken en begrijpelijke verhalen kan vertellen
Intelligentie en denken
● Vraag ouders naar hun inschatting van het intelligentieniveau van het kind
● Bespreek schoolprestaties, geheugenproblemen, incoherentie in denken of magisch/fantasierijk denken
● Let op tekorten in logisch redeneren en neiging tot overmatige fantasie
3
, School
● Verzamel informatie over schooltype, niveau en cijfers, maar ook
over motivatie, plezier en discipline
● Vraag naar oorzaken van lage cijfers, zoals
concentratieproblemen of gedragsmoeilijkheden
● Betrek ook de relatie met leerkrachten en klasgenoten en
eventuele klachten over gedrag op school
Eet- en slaapgedrag
● Vraag naar eetlust, gewichtstoename of -afname, en gedrag aan
tafel
● Bespreek slaapgewoonten en -problemen (nachtmerries,
slaapwandelen, moeite met inslapen)
● Houd rekening met lichamelijke oorzaken en invloed van
omgevingsfactoren zoals lawaai of kamerindeling
Relatie tot ouders en gezinsleden
● Onderzoek kwaliteit van ouder-kindrelatie: voelen ouders zich
verbonden met hun kind, en hoe vaak ondernemen ze iets
samen?
● Belangrijk is of ouders gedragsaspecten in hun kind herkennen en
bereid zijn te investeren in de relatie
● Conflicten of afstand kunnen behandelingskansen beperken
Relatie tot broers/zussen en leeftijdsgenoten
● Kwaliteit van relaties, jaloezie, conflicthantering en sociale vaardigheden worden bevraagd
● Bij leeftijdsgenoten gaat het om duurzaamheid van vriendschappen, vermogen om in te leven en
conflicten op te lossen
Stemming en angst
● Vraag naar tekenen van depressie of angst, zoals somberheid, piekeren, gevoelens van waardeloosheid
of euforie
● Let op frequente stemmingswisselingen en suïcidale gedachten
● Ga na hoe het kind met angstgevoelens omgaat en in hoeverre deze het dagelijks leven beïnvloeden
Spel, fantasieleven en hobby’s
● Hoe vult het kind zijn vrije tijd? Heeft het voldoende speelmogelijkheden of hobby’s?
● Vraag naar voorkeur voor alleen of samen spelen, competitief gedrag en opvallende spelthema’s
● Ook fantasie en creativiteit zijn diagnostisch relevant
Seksuele ontwikkeling
● Vraag op neutrale wijze naar seksuele belangstelling of gedrag dat niet leeftijdsadequaat lijkt
● Bij meisjes kan men informeren naar de menarche en de emotionele verwerking daarvan
Norm- en waardebesef
● Informeer naar schuldgevoelens, moreel besef en rechtvaardigheidsgevoel
● Bij ernstige gedragsproblemen moet men expliciet vragen naar liegen, stelen, weglopen, brandstichten,
middelengebruik of politiecontact
Specifieke gedragingen
● Denk aan enuresis (bedplassen), encopresis (poepincidenten), obsessionele gedragingen of
auto-erotisch gedrag
● Deze gedragingen kunnen belangrijke aanwijzingen geven over onderliggende spanningen of
ontwikkelingsproblemen
4