Paragraaf 2; van handwerk naar machine
Voor er fabrieken waren vond er huisnijverheid plaats. Dit hield in dat mensen thuis deden
voor een ondernemen om extra geld te verdienen.
Dit veranderde rond 1700 toen de vraag naar katoen erg steeg. Weevers en spinners konden
de vraag naar katoen niet bijhouden. Uitvinders bedachte nieuwe machines uit maar deze
waren niet geschikt voor in de huiskamer, machines werden in grote gebouwen gezet;
fabrieken. (bedrijven waar op grote schaal met machines producten worden gemaakt) Deze
werden gebouwd langs snel stromend water > water als aandrijfkracht.
Industrialisatie:
De industrialisatie ( de opkomst van industrie in een gebied waar eerst vooral aan landbouw
werd gedaan) begon in Engeland.
Oorzaken industrialisatie:
- 18e eeuw, bevolkingsgroei door verbetering van landbouw; Agrarische revolutie.
- Vraag naar katoen steeg waardoor er meer fabrieken nodig waren
- Werkloze boeren trokken naar industriegebieden om werk te zoeken
Gevolgen industrialisatie:
- Van landbouw-stedelijke samenleving naar industriële samenleving. (1750-1850)
o Industriële samenleving: samenleving waar industrie het voornaamste middel
van bestaan is.
- Huisnijverheid maakt plaats voor massaproductie
o Massaproductie: met machines grote hoeveelheden van dezelfde producten
maken.
- Landelijke gebieden worden industriële gebieden met grote, dichtbevolkte steden >
Urbanisatie: verstedelijking; toename van het % dat in steden woont
- Betere verbinding over water en land (betere infrastructuur); kanalen aangelegd,
spoorwegen aangelegd.
Belangrijke uitvinders Engeland:
- James Hargreaves
- Richard Arkwright
- George Stephson
- James Watt
Deze uitvinders fabriceerden spinmachines, weeframen en stoomlocomotieven.
Zoals de Spinning Jenny, het waterframe en de Spinning mule.
James Watt was eigenlijk een instrument maker maar uiteindelijk verbeterde hij de
stoommachine.
Deze verbetering was van groot belang tijdens de Industriële revolutie; grote verandering in
West-Europa door de komst van fabrieken en nieuwe vervoersmiddelen aan het eind van de
18e eeuw en in de 19e eeuw.
Paragraaf 3; de industriële samenleving
, Werk in de eerste fabrieken:
100 duizenden mensen trokken naar de industriegebieden in de loop van de 19e eeuw. De
leefomstandigheden waren daarom ook erg slecht daar.
Slechte werkomstandigheden:
- Onveilig, ongezond en saai werk
- Lange werkdagen (±14 u per dag)
- Lage lonen > amper onderhouden van een gezin
- Geen rechten
Wonen bij de fabriek:
Slechte leefomstandigheden:
- Slechte hygiëne > oorzaak cholera en andere ziekten
- Slechte kleine huisjes > krotten
- Saai eentonig voedsel > vlees was zeldzaam
Het wonen bij een fabriek word steeds populairder dit komt omdat er in deze tijd geen goede
infrastructuur was. Daarom zie je al snel Urbanisatie.
De infrastructuur word verbeterd maar vooral voor het vervoer van grondstoffen en
producten. Pas aan het einde van de 19e eeuw zie je trams en bussen. Ook werd het inenten
tegen ziekte pas ingezet aan het eind van de 19e eeuw.
Twee werelden:
Mensen die het konden betalen woonde in de buitenwijken. Hier had je geen last van de
uitstoot van de fabrieken en de slechte woonomstandigheden. Hier had je ruime huizen met
een tuin. De kinderen hier gingen vaak naar school.
In deze wijken woonden:
- Fabrikanten
- Bankiers
- Advocaten
Zij hoorde bij de hoogste sociale laag. Onder deze laag kwam de middenklasse:
- Geschoold kantoorpersoneel
- Winkeliers
Zij hadden het beter dan de onderste sociale laag: de arbeiders. Deze vormde de grootste
groep.
Pas aan het einde van de 19e eeuw werden de leef- en werkomstandigheden van
fabrieksarbeiders beter de overheid zorgde voor riolering en er kwam beter onderwijs ook
kwam er een vuilnisdienst.
Paragraaf 4; Nederland in 1848