HOOFDSTUK 4: EXECUTIEVE FUNCTIES EN ZELFREGULEREND LEREN
1. EXECUTIEVE FUNCTIES
Executieve functies zijn hersenfuncties of denkprocessen die ons gedrag en ons denken
kunnen sturen. Onder executieve functies verstaan we alle functies die de lerende helpen
om het eigen handelen en denken te gaan controleren.
Op die manier krijg je als leerling meer het eigenaarschap over het eigen leren. Het is
voor de leerlingen belangrijk om zich bewust te zijn van deze functies zodat ze hier ook
zelf actief mee aan de slag kunnen.
Lijst van Houtman, Losekoor, van der Waals en Waringa (2017)
Onderscheiden 7 executieve functies en gebruiken een boot-metafoor.
Emotieregulatie helpt om op een goede manier met je emoties om te gaan, zodat
je doelen en taken kan voltooien of gedrag kan controleren en sturen.
Flexibiliteit helpt om soepel om te gaan m veraderingen, schakelen tss activiteiten
en gedrag en gedachten aanpassen naar nieuwe omstandigheden.
Inhibitie helpt je impulsen van binnenuit en prikkels van buitenaf af te remme,
waardoor je eerst kan nadenken voor je doet.
Metacognitie en zelfmonitoring helpen je een stapje terug te doen om het proces
te evalueren en er lering uit te trekken voor de volgende keer.
Planning en organisatie z vaardigheden die je helpen om een plan van aanpak te
maken en uit te voeren.
Taakinitiatie helpt om op tijd en op een efficiënte manier met een taak te
beginnen. Ook zelfstandig bedenken van ideeën, strategieën,…
Werkgeheugen helpt je om info vast te houden en te bewerken bij uitvoeren van
taken. Je gebruikt het om eerder geleerde kennis, vaardigheden en ervaringe toe
te passen in een situatie.
1
,Didactisch handelen
Samenhang executieve functies en leerprestaties heeft ertoe geleid dat men zich richt op
het trainen v executieve funties. Door het trainen hoopt men de leerprestaties v lln te
kunnen opkrikken.
2. ZELFREGULEREND LEREN
Zelfregulerend leren staat centraal in leren en lesgeven en wordt volgens meta-review
studies beschouwd als een van de meest effectieve manieren om leerprestaties te
verbeteren (Gemeenschapsonderwijs, 2024). Ook Leerpunt bevestigt dit in de toolkit over
metacognitie en zelfregulerend leren. Daarom wordt in didactisch handelen ingezet op
zelfregulerend leren om beter te begrijpen hoe leerlingen dit toepassen en hoe ze hierin
ondersteund kunnen worden.
2.1 WAT IS ZELFREGULEREND LEREN?
Peeters (2023): het cyclische proces waarbij een lerende zijn gedrag, gedachten,
gevoelens én motivatie zelf richting geeft met het oog op het bereiken van zijn leerdoelen
en afhankelijk van de context.
Het zelfregulerend leren bestaat uit 6 stappen die onderverdeeld w in 3 fasen:
VOOR HET LEREN
Stap 1: ik analyseer de opdracht
1. Doelen stellen (SMART + ik)
2. Plannen
Stap 2: ik zoek de nodige energie en weet mezelf te motiveren
1. Competentiegevoelens
2. Resultaatsverwachting (p54 vb)
3. Taakwaarde (het is waardevol)
4. Taakinteresse (intrinsieke motivatie)
5. Doeloriëntatie: waarom wil ik het bereiken? (leergericht & prestatiegericht)
TIJDENS HET LEREN
Stap 3: ik focus op mijn doelen & ga vooruit
1. Zelfinstructie: bv door modellen (ik spreek mezelf toe)
2. Beeldvorming: bv mindmap
3. Tijdsbeheer: bv planning
4. Leeromgeving inzichten: bv koptelefoon
5. Hulp zoeken
6. Interesseprikkels: opkrikken motivatie
7. Zelfbekrachtiging: prijzen, belonen.
8. Taakstrategie: cognitieve leesstrategie, rekenstrategie… (strategieën inzetten
voor bepaalde taak)
Stap 4: ik observeer mezelf & stuur bij
1. Zelfmonitoring: jezelf bijsturen
2
,Didactisch handelen
2. Zelfregistratie: info over jezelf registreren
NA HET LEREN
Stap 5: ik beoordeel mijn prestaties
1. Zelfevaluatie
2. Attributie (causale): ik verklaar mijn prestaties
Stap 6: Ik reageer & kijk vooruit
1. Zelftevredenheid
2. Adaptieve/defensieve reactie
Adaptieve reactie: wat kan ik aanpassen om het volgende keer wel beter te doen.
Defensieve reactie: ik doe het niet meer, ik kan het toch niet. Bang om te falen.
In totaal onderscheidt Peeters 21 zelfregulerende vaardigheden.
3
, Didactisch handelen
2.2 ZELFREGULEREND LEREN IN KAART BRENGEN
Aan de hand van: een vragenlijst, observaties, leerlingen hardop laten denken, leerlingen
bevragen/interviewen en een sporenonderzoek uitvoeren.
Nadat je één of meerdere zelfregulerende vaardigheden in kaart hebt gebracht, bepaal je
de ontwikkelingsfase waarin de leerling zich bevindt op gebied van zelfregulerend leren.
4