1. Theoretisch concept van kruispuntdenken
Microniveau (Individu): persoonlijke identiteitsdimensies/ deelidentiteiten* achterhaald obv relatie tot indicatoren van gender, ethniciteit, opleiding, …
• caleidoscoopmodel: door te draaien aan eenzelfde caleidoscoop ziet u verschillende beelden → Wie zie ik voor mij ? (vebreden)
• ijsbergmodel: → Wie zie ik onder water ? (verdiepen)
• communicatiekompas → Hoe ga ik om met jou ? (verbinden)
Mesoniveau (Context): directe omgeving/interacties (bv. arts-patiëntrelatie)
Macroniveau (Maatschappij)*: grote maatschappelijke structuren, wetgeving, culturele normen → structurele (gezondheids)verschillen
*NB: Identiteiten ≠
• unidimensioneel → combinatie verschillende deelidentiteiten die ze zelf belangrijk vinden ± anderen voor hen naar voren schuiven
o → mensen ≠ reduceerbaar: bv. politieman: identiteit < maatschappelijke eenheid (opleidingsniveau, tewerkstelling, inkomen, gender,
etniciteit) + Niet-maatschappelijk eenheid (ouder)
• statisch → identiteitsevolutie → stabielere identiteit (bv. geslacht, opleidingsniveau) + evolutief (bv. leeftijd, ouderrol…)
• universele oordeling over identiteit:
o Bv. negatieve perceptie over oud zijn in EU ≠ in Azië
Kruispuntdenken = intersectionaliteit; analytisch model dat beschrijft hoe verschillende identiteitsdimensies met elkaar verweven zijn:
→ Essentie = coexistentie & mutele versterking van identiteitskenmerken* (etniciteit, klasse, gender, seksualiteit, leeftijd, …) bepaalt unieke sociale positie
(*werken niet los van elkaar)
→elke identiteit: bepaalde voor-/ nadelen in onze samenleving
→ maatschappelijk kwetsbare mensen: negatieve inwerking identiteitsaspecten (inkomen, tewerkstelling, opleiding …)
MAAR ze zijn ook veel méér dan enkel maatschappelijk kwetsbaar + evolutief karakter identiteit
2. De determinanten van gezondheid via het model van Dahlgren en Whitehead
Regenboogmodel van Dahlgren & Whitehead
= visualisatie beïnvloedding individuele gezondheid door gelaagd systeem van determinanten (bijdrage in %)
→ gezondheid ≠ individuele verantwoordelijkheid, maar resultaat van wisselwerking tussen verschillende factoren:
→model opgebouwd in concentrische cirkels (hoe verder naar buiten, hoe minder directe controle het individu over de determinant heeft)
A. KERN = Leeftijd, geslacht, erfelijke factoren (genetische predispositie: 22%):
o Bv. COVID-19: Behoort iemand tot een risicogroep op basis van leeftijd of de aanwezigheid van multimorbiditeit?
B. LAAG 1 = Individuele leefstijlfactoren < persoonlijke keuzes & gedragingen (individueel gedrag: 36%)
o NB: keuzes sterk gestuurd door omliggende lagen
o Bv. COVID-19: Kiest iemand ervoor om een mondmasker te dragen of zich te laten vaccineren?
C. LAAG 2 = familiale, sociale, en gemeenschapsinvloed (peer group) → sociale druk/steun + normbepaling (sociale omgeving: 24%):
o Bv. COVID-19: Wat denkt de vriendengroep (peer group) over de ernst van het virus en de betrouwbaarheid van het vaccin? Wat is het
opleidingsniveau binnen de familie (ongelijkheid in opleidingsniveau)?
D. LAAG 3 = Leef- en werkomstandigheden → toegang tot essentiële voorzieningen (gezondheidszorg: 11%):
o Bv. COVID-19: Biedt de werkomgeving de mogelijkheid om onder werktijd te vaccineren? Is er een structureel tekort aan personeel door ziekte? Is
de gezondheidszorg zo georganiseerd dat er een betrouwbare zorgverstrekker dichtbij en persoonlijk beschikbaar is?
E. LAAG 4 = Algemene socio-economische, culturele, omgevingsfactoren (fysieke omgeving: 7%)
o = macrocontext < economische status land, politieke stabiliteit, culturele waarden, wetgeving/overheidsbeleid
o Bv. COVID-19: Is er een hoge maatschappelijke en politieke druk om de economie draaiend te houden? Wordt het maatschappelijk verkeer
gereguleerd via een COVID-certificaat (wetgeving)? Heeft de burger fundamenteel vertrouwen in de politiek en overheidsinstanties?
, 3. ‘Analyse Model Armoede’ op micro-meso-macroniveau (Jan Vrancken)
= analysis oorzaken armoede door 2 assen te kruisen: (1) niveau van oorzaak (micro, meso, macro) en (2) aard van oorzaak (intern of extern)
1. Microniveau: oorzaak ligt bij individu of diens directe levensloop:
• Individueel schuldmodel (Intern):
o Kern: Armoede is de eigen schuld door persoonlijke tekorten, gebrek aan motivatie of onverantwoordelijk gedrag
▪ → negeren bredere maatschappelijke context
o Bv.: fraude, onverantwoord/te dure aankopen, niet willen werken, …
• Individueel ongevalmodel (Extern):
o Kern: Armoede ontstaat door onvoorziene persoonlijke tegenslag ⇆ kapitalistische ideaal (‘werk biedt kansen tegen armoede’)
o Bv.: Langdurige ziekte, echtscheiding, ongeval, faillissement, …
2. Mesoniveau: oorzaak ligt bij groepen/ gemeenschappen/ instanties/ organisaties:
• Institutioneel schuldmodel (Intern):
o Kern: interne structuur of falende functioneren van specifieke groep, organisatie of instantie veroorzaakt de uitsluiting
o Bv.: discriminatie op de werkvloer door een bedrijf, ontoegankelijke procedures bij een lokale hulpdienst
• Institutioneel ongevalmodel (Extern):
o Kern: organisatie/gemeenschap wordt van buitenaf getroffen door externe instantie/beslissing → mensen komen in de problemen
o Bv.: sluiten van lokale fabriek door buitenlands moederbedrijf, stopzetting van subsidies voor een wijkcentrum
3. Macroniveau: oorzaak ligt bij brede maatschappelijke systemen of mondiale verschuivingen
• Maatschappelijk schuldmodel / Structureel model (Intern):
o Kern: samenleving is zo georganiseerd dat ze armoede zelf in de hand werkt → Machthebbers beschermen eigen kapitaal & normen →
kloof tss arm & rijk blijft bestaan
o Bv.: lage minimumlonen, hoge huurprijzen, tekort aan kinderopvang, Mattheüseffect (voordelen komen vooral terecht bij wie al bevoorrecht is)
• Maatschappelijk ongevalmodel / Conjunctureel model (Extern):
o Kern: Armoede ontstaat door grote, onvoorziene verschuivingen of crisissen in de samenleving → verdwijnen van crisis lost niet per se de
armoede op
o Bv.: energiecrisis, coronacrisis, oorlogen, inflatie, natuurrampen
4. Begrippen
a. Multidimensionele benadering van kwetsbaarheid:
= kwetsbaarheid PT niet uitsluitend vanuit zuiver medisch (biologisch) perspectief → holistische benadering
→ rationale = kwetsbaarheden op verschillende domeinen → versterking via multiplicatie- & levensloopeffect → slechtere algehele gezondheid
= toepassing multidimensionele benadering als zorgverlener
→ identificatie specifieke drempels + via gerichte proportionele acties op maat gezondheidsverbetering voor patiëntgerichte behandeling
(patient centered care) & adequate opvolging (BelRAI Sociaal Supplement)
→ Dimensies:
1. Fysiek = biologische component:
o lichamelijke beperkingen, chronische aandoeningen, krachtsverlies, beperkte mobiliteit, …
2. Cognitief = intellectuele & communicatieve vaardigheden:
o beperkte verstandelijke vermogens, dementie, taalbarrières, laag niveau gezondheidsvaardigheden (health literacy), …
3. Psychisch = mentale & emotionele toestand:
o angst, schaamte (bv. falen, obesitas), depressie, insomnia, …
4. Sociaal = relationele netwerk & mate van sociale steun:
o beperkt sociaal netwerk, afwezigheid familie/vrienden, sociaal isolement, …
5. Omgeving = materiële & externe randvoorwaarden waarin iemand leeft:
o directe woonomstandigheden, huisvestingskwaliteit, …
b. Multiplicatie- en levensloopeffect
1) Multiplicatie-effect (stapelingseffect): Horizontale momentopname
= kwetsbaarheden op verschillende levensdomeinen (fysiek, psychisch, sociaal, financieel, omgeving)
→ geen simpele optelsom, maar vermenigvuldigend & versterkend
→ 1 probleem lokt nieuwe problemen uit → vicieuze cirkel → exponentiële verslechetring algemene gezondheid
Voorbeeldcasus:
1. Fysiek = milde knieartrose
2. Omgeving = beweging ↓ → niet goed trap appartementsgebouw af zonder lift
3. Sociaal = isolement
4. Psychisch = eenzaamheid & klinische depressie → geen energie voor gezond koken → obesitas → arthrose ↑