Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 28 pages
Summary

Samenvatting Epidemiologie II | Universiteit Twente | Module 6

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 28 pages

Samenvatting van Epidemiologie II aan de Universiteit Twente, met focus op herhaling van epidemiologische basisconcepten en de vier domeinen van epidemiologie. Het document behandelt frequentiematen (prevalentie, incidentie, incidentiedichtheid), onderzoeksdesigns (experimenteel en observationeel), interventiestudies, PICO-vraagstellingen, en geavanceerde onderwerpen zoals interactie-effecten en logistische regressie. Ideaal voor examenvoorbereiding en het verkrijgen van inzicht in de kernconcepten van epidemiologisch onderzoek.

Content preview

lOMoARcPSD|31190513




Epidemiologie ll
Herhaling epidemiologie l

Vier domeinen:
- Interventie
- Diagnose
- Etiologie
- Prognose

Er wordt verschil gemaakt tussen bestaande en nieuwe ziektegevallen
Er zijn een aantal frequentiematen:
- Prevalentie
- Cumulatieve incidentie
- Incidentiecijfer (incidentiedichtheid)

Prevalentie = aantal bestaande gevallen op een bepaald moment

Aantal bestaande gevallen op een bepaald
Prevalentiecijfer =
moment Totaal aantal individuen

Prevalente gevallen gaat vooral over een selecte groep en is dus minder geschikt voor onderzoek
naar oorzaken van ziektes. Wel geschikt voor bepalen van zorgbehoefte.

Incidentie = aantal nieuwe gevallen in een bepaalde periode

Aantal nieuwe gevallen op een bepaald moment
Incidentiecijfer =
Totaal aantal individuen

- Cumulatieve incidentie = aantal nieuwe gevallen op de populatie “at risk”
- Incidentiedichtheid = aantal nieuwe gevallen op het aantal persoonsjaren (tijd).
o Eindpunt: wanneer iemands verwachte waarde is bereikt
o Withdrawn alive: gedurende het onderzoek/ follow-up periode is het einddoel of
de verwachte waarde niet bereikt
o Lost to follow-up: de personen die verloren zijn in het onderzoek (door onder
andere sterfte)

, lOMoARcPSD|31190513




Withdrawn alive (WF) = Personen die
aan het eind van het onderzoek het event
niet hebben gekregen.

Lost to follow-up (LF) = Het is onduidelijk
wat er met deze mensen is gebeurd.
Deze mensen hebben het onderzoek
tijdig verlaten, zonder bekende reden.

Als het niet duidelijk is wanneer
iemand is begonnen of overleden is
gedurende het jaar, wordt er met een
half jaar gerekend.


Interventie

Wetenschappelijke vraagstelling
- Determinant (onafhankelijke variabele, expositie en risicofactor)  Factoren die de uitkomst
kunnen beïnvloeden. Het is van belang dat er een relatie tussen determinant en de uitkomst
wordt gevonden
- Uitkomst (afhankelijke variabele) = wat komt eruit (bijv. genezing of sterfte)
- Doelpopulatie = In welke populatie wil je een uitspraak doen tussen de determinant en de
uitkomst. De tijdsdimensie, plaats en kenmerken moeten hierin beschrijven zijn.

Voor epidemiologie zijn er 4 domeinen, met de daarbij behoorde onderzoeksdesign:
Domeinen Designs
Interventie: behandeling/ therapie Experiment
Diagnose: ziek ja/nee Dwarsdoorsnede onderzoek
Observationeel onderzoek
Prognose: verloop van de ziekte Follow up onderzoek = cohort
Observationeel onderzoek
Etiologie: oorzaak Follow up / Patiënt controle onderzoek
Observationeel onderzoek
De drie domeinen prognose, diagnose en etiologie maken gebruik van observationeel onderzoek,
hier wordt geobserveerd wat er gebeurt.

Experimenteel onderzoek = bij deze vorm van onderzoeken grijpt de onderzoeker in op de situatie.
De behandeling wordt opgelegd en er wordt gebruik gemaakt van een placebo
- Expositie bepaald door de onderzoeker
- Bedoelde effecten
Observationeel onderzoek = bij deze vorm van onderzoek kijkt de onderzoeker naar de situatie
zoals die is, de situatie wordt geobserveerd.
- Natuurlijke expositie, er wordt gekeken naar hoe het is
- Onbedoelde effecten, dus de bijwerkingen.

Experimenteel onderzoek
- Preventieve interventies = wordt gekeken om het ontstaan van een aandoening te
voorkomen (aan de hand van vaccinaties/ gezondheidsvoorlichtingen), gezonde
mensen.

, lOMoARcPSD|31190513




- Therapeutische interventies = verloop aandoening wordt beïnvloed of de gevolgen ervan
geminimaliseerd (aan de hand van medicijnen/fysiotherapie/chirurgie), zieke mensen.
Heeft als doel de prognose van de ziekte in gunstige zin te beïnvloeden.
Experimenteel onderzoek wordt veel gebruikt in de farmaceutische wereld, door middel van
geneesmiddelenonderzoek. De werkzaamheid en de veiligheid van medicijnen wordt op deze manier
onderzocht.

Interventieonderzoek = richt zich primair op het bestuderen van het bedoelde effect van
interventies.

PICO-vraagstelling
Een vraagstelling kan worden opgedeeld in vier aspecten:
- P= Patient
- I= Intervention (bij diagnostisch onderzoek: de nieuwe te onderzoeken technologie)
- C= Comparison (bij diagnostisch onderzoek: de gouden standaard)
- O= Outcome


Opzetten van een inleiding:
Beginnen met de onderzoeksvraag  domein aan linken  en daarbij de bijbehorende
onderzoeksmethode

Experimenteel onderzoek, de drie belangrijkste aspecten:
- Gebruik van controlegroep
- Blindering
- Randomisatie

Waargenomen effect
Regression to the mean = wanneer er niks wordt gedaan,
zullen extreme waarden lager uitvallen. Dit heeft te maken met
het natuurlijk beloop van de ziekte. Hierbij blijven normale
waarden gemiddeld gelijk.  Dit speelt een rol bij de
waarneming van de uitkomst.

Table of contents

  1. 01 Interventie 2
    1. Wetenschappelijke vraagstelling 2
    2. Experimenteel onderzoek 2
    3. PICO-vraagstelling 3
    4. Experimenteel onderzoek, de drie belangrijkste aspecten: 3
    5. Blindering 3
    6. Confounding = externe variabelen die effect kunnen hebben op de uitkomst variabele 4
  2. 02 Diagnostiek 6
    1. Validiteit 7
    2. Predictieve (diagnostische) waarde 8
    3. - 8
    4. (225+25)/(225+25+225+525)= 0,25 9
    5. 225/ (225+225) = 0,5 9
    6. Likelihood ratio 9
  3. 03 Klinimetrie 11
    1. Eigenschappen van een meetinstrument: 11
  4. 04 Gebruiksvriendelijkheid 11
  5. 05 Validiteit 11
    1. Soorten validiteit 11
  6. 06 Reproduceerbaarheid 12
    1. Reproduceerbaarheid kwantificeren 12
    2. 75/100 = 75% 12
    3. % overeenkomst op basis van randtotalen: 12
    4. (P0 – pe) / (1-pe) 12
    5. Reproduceerbaarheid vergroten: 13
  7. 07 Responsiviteit 13
  8. 08 Prognostiek 14
    1. Frequentie en associatiematen: Dichotome uitkomst: 17
    2. Continue uitkomsten: 17
    3. Voor- en nadelen cohortonderzoek Voordelen 17
    4. Nadelen 18
  9. 09 Etiologie 18
    1. Argumenten die causaliteit waarschijnlijker maken: 18
    2. Verschillen tussen patiënt-controle onderzoek en cohortonderzoek 20
    3. Voordelen en nadelen patiënt-controle onderzoek 21
    4. Nadelen 21
  10. 10 Precisie en validiteit 22
    1. Resultaten geven niet altijd de werkelijkheid aan, door fouten voor, na, tijdens een onderzoek. Dit geeft een vertekende werkelijkheid. 22
    2. Valide/ accuraat = als systematische fouten ontbreken 22
  11. 11 Random Error  toevallige fouten 23
    1. Sampling error = standaardfout/ deviatie, is een belangrijk aspect van random error 23
    2. Elke populatieparameter die geschat wordt op basis van een steekproef heeft een standaardfout 23
    3. De meetfout van de afzonderlijke waarnemingen bij de individuen in de steekproef 23
  12. 12 Precisie 23
    1. 95% betrouwbaarheidsinterval (BI)  wordt gebruikt om precisie in onderzoeksresultaten te laten zien. Als de desbetreffende studie heel vaak herhaald zou worden, dan zou het betreffende interval in 95% van de gevallen de werkelijke waarde omvatten. 23
    2. Dit geeft alleen informatie over de precisie (toeval fout) en niet over de validiteit (systematische fout) van een epidemiologische parameter. 23
    3. Nulhypothese  stelt dat er geen effect is van een determinant op de ziekte 23
    4. 5% is de acceptabele foutenkans, wanneer <0,05 mag er gesproken worden van een significant effect 23
    5. Grotere steekproef 23
  13. 13 Validiteit 23
    1. Valide = het ontbreken van een systematische fout  gemiddeld een resultaat geeft dat een correcte weerspiegeling is van de werkelijkheid (meet ik wat ik moet meten?) 23
    2. Externe validiteit = zijn de resultaten ook van toepassing op personen die niet geïncludeerd zijn in deze studie? (Generaliseerbaarheid) 24
    3. Representatief wil zeggen dat de mensen in de steekproef een mooie afspiegeling vormen van de mensen in de populatie. Hierbij zijn de interne en externe validiteit goed. 24
    4. Er zijn drie bedreigingen van de validiteit: 24
    5. Informatiebias 24
    6. Bias = ieder proces, in welk stadium van het onderzoek ook, dat de neiging in zich heeft resultaten of conclusies te produceren die systematisch afwijken van de werkelijkheid. Zorgt dus voor een foute observatie in de studie (opzet). Kan achteraf niet gecorrigeerd worden 24
    7. richting krijgt. 24
    8. OR = 2,5. 24
    9. Selectiebias = vertekening van de effectschatting als gevolg van fouten bij selectie of de follow-up van de onderzoekspersonen  invalide vergelijking 24
    10. totale patiëntenpopulatie 24
    11. Healthy workers bias = de werkzame populatie in NL is gezonder, hier moet rekening mee gehouden worden tijdens de selectie 24
    12. Patiënt-controle onderzoek  dataverzameling m.b.t. de expositie verschilt tussen patiënten en controles 25
    13. OR = 3, een derde van de mensen is niet goed gediagnostiseerd. 25
    14. Voorbeeld: BMI van de moeder is niet goed gemeten, gevolg voor het geboortegewicht van het kind, want die wordt dus ook niet goed gemeten 25
    15. Cohortonderzoek  ziekte nauwkeuriger diagnosticeren in blootgestelde groep dan controlegroep 25
    16. Voorbeeld: BMI van de moeder is niet goed gemeten, maar dit heeft geen invloed op het IQ van een kind, dit komt doordat het IQ wordt gemeten door een ander meetinstrument 25
    17. Confounding = een versteking van het effect van 1 of meer externe determinanten, wordt ook wel een verstorende variabele genoemd. 25
    18. Draagt positief bij aan de relatie en wanneer hier niet voor wordt gecompenseerd volgt dus een overschatting 25
    19. Confounding komt vaker voor dan effectmodificatie (EM eigenlijk haast nooit) 25
    20. De desbetreffende factor is een onafhankelijke determinant van de bestuderende ziekte 25
    21. De desbetreffende factor vormt geen verbindingsschakel in de causale keten tussen primaire determinant en uitkomst 25
  14. 14 Interactie/effectmodificatie 26
    1. Multipele analysetechnieken: 27
    2. Als multiplicatieve interactie wordt gevonden dan is er altijd additieve interactie. 28

Document information

Study
Uploaded on
August 25, 2026
Number of pages
28
Written in
2025/2026
Type
Summary
$9.05

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
0
Followers
0
Items
3
Last sold
-



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions