Bestuurskunde
Hoofdstuk 1 – Introductie
Bestuurskunde is de wetenschap van het besturen. Het onderzoekt hoe
bestuurders richting geven en helpt zowel de overheid zelf als burgers om
effectiever en doelgerichter te handelen. Het boek is verdeeld in vier
delen:
1. Kennismaking met bestuurskunde
2. Hoe beleid tot stand komt
3. Hoe beslissingen worden genomen
4. Hoe de overheid is georganiseerd
Hoofdstuk 2 – Enkele begrippen
Staat: Een staat heeft grondgebied, bestuur, gezag (soevereiniteit)
en hoogste macht. Machtverdeling is cruciaal.
Soorten samenlevingen:
1. Gelijkheid – individuen redelijk gelijk, leiderschap beperkt
(bijv. jagers-verzamelaars)
2. Rangorde – bezit en nieuwe machtposities spelen rol
3. Gelaagdheid – standen, weinig sociale mobiliteit,
bestaansmiddelen niet voor iedereen toegankelijk
Trias Politica (Montesquieu): scheiding van drie machten
(horizontaal)
1. Wetgevende macht (Staten-Generaal)
2. Uitvoerende macht (ministers)
3. Rechtsprekende macht (onafhankelijke rechters)
Andere invloedrijke machten: ambtenarenapparaat (bureaucratie),
media, lobbyisten, adviesbureaus
1848 Grondwetswijziging (Thorbecke): ministeriële
verantwoordelijkheid, directe verkiezingen Tweede Kamer,
mogelijkheid ontbinding Kamers, recht van amendement en
enquête, jaarlijkse begroting, herziening Grondwet
Rol van overheid verandert door bevolkingsgroei, industrialisatie,
wetenschap
Belangrijke politieke stromingen:
o Liberalisme: vrijheid, beperkte overheid, marktgericht
o Socialisme: gelijkheid, actieve overheid
o Christendemocratie: solidariteit, naastenliefde
Overheid: verzameling van alle bestuurders en bestuursorganen, elk
met eigen taken en belangen
Decentralisatie:
o Verticale machtenscheiding: rijk, provincie, gemeente
o Territoriale decentralisatie: beheer over een gebied
o Functionele decentralisatie: beheer voor specifieke doelen
Drie bestuurslagen:
o Rijk: centrale taken
o Provincie: coördinerend, schakel tussen rijk en gemeenten
, o Gemeente: uitvoerend, dicht bij burger
Autonomie: eigen taken en huishouding
Medewindstaken: uitvoeren van rijkstaken door lagere overheden
Deconcentratie: fysiek verspreiden van overheidstaken (inspecties,
directies, consulentschappen)
Doel overheid: algemeen belang behartigen, rekening houden met
deelbelangen, vaak via poldermodel voor compromissen
Beleid: alles wat de overheid doet; verschillende definities leiden tot
verschillende inzichten
Hoofdstuk 3 – De overheid als systeem
Systeemdenken: manier om te begrijpen hoe informatie (input) het
politieke systeem binnenkomt en hoe er uitvoer (output) en effecten
(outcomes) uit ontstaan. Model van David Easton: input → doorvoer (black
box) → output → effecten.
Input: eisen (demands) en steun (support) van burgers en groepen
Doorvoer: omzetting van input tot uitvoer binnen het systeem (zwarte
doos)
Output: gezaghebbende (wetten, maatregelen) en niet-gezaghebbende
(bijv. interviews)
Effecten: gewenste en ongewenste resultaten van beleid
Indikking: selectie en vereenvoudiging van eisen door poortwachters en
politieke instellingen; helpt het systeem hanteerbaar te houden.
Non-decision: kwesties die genegeerd of niet behandeld worden in het
systeem.
Contingentietheorie: organisaties passen zich aan hun omgeving aan;
omgeving beïnvloedt organisatie, maar organisatie kan omgeving ook
beïnvloeden.
Interorganisatietheorie (netwerktheorie): alle actoren rond een vraagstuk
vormen een netwerk; belangrijk is onderlinge afhankelijkheid, inclusief
informele processen.
Beleidsveld: de groep van actoren die reageren op geformuleerde uitvoer
en mede bepalen welke effecten van beleid optreden.
Procesanalyse: het in kaart brengen van een situatie, betrokken actoren,
processtappen, onderlinge samenhang en mogelijkheden om in te grijpen
(plattegrond).
, Nut systeemmodel: laat zien dat beleid dynamisch tot stand komt,
verband houdt met de omgeving, niet alle eisen worden omgezet, en
helpt bij het plaatsen van nieuws/maatregelen in invoer, omzetting of
uitvoerfase.
Hoofdstuk 4 – Beleid in fasen
Beleid: kan alles zijn wat de overheid doet of een plan voor de
toekomst.
Beleidsfasen (beleidsfasenmodel) laten zien hoe beleid ontstaat en
hoe het zich verhoudt tot omgeving en actoren:
1. Agendering: onderwerp op de agenda brengen.
o Maatschappelijke agenda: kwesties vanuit samenleving
o Politieke agenda: kwesties waar politieke partijen en
instellingen aandacht aan besteden
o Selectie en indikking door groepen en ambtelijk apparaat
2. Beleidsvoorbereiding: verzamelen van gegevens en onderzoeken
om omvang en aard van probleem in kaart te brengen.
3. Beleidsbepaling: beslissen over inhoud beleid. Beperkingen kunnen
komen van: eerdere doelstellingen, ander beleid, hogere instanties,
EU, beschikbare middelen of draagvlak.
4. Beleidsuitvoering: toepassen van middelen, leidt tot beleidsreacties
en resultaten. Factoren die uitvoering beïnvloeden:
o Beleidsprogramma: beleidsvrijheid, doelstellingen, middelen,
instrumenten, regels
o Uitvoerende organisatie: informatie, doelen, macht
o Beleidsveld (omgeving): interactie overheid – omgeving,
beïnvloedt resultaten
5. Evaluatie en bijsturing: beoordelen effecten aan de hand van
doelen. Drie vragen:
o Doelen bereikt?
o Door beleid bereikt?
o Andere factoren?
Resultaten kunnen bijsturing van beleid veroorzaken.
6. Beleidsbeëindiging: beleid kan stoppen of gedeeltelijk ophouden,
bijvoorbeeld omdat:
o Doelstellingen zijn bereikt
o Beleid wordt aangepast of opgevolgd
o Redenen voor beleid veranderen of wegvallen
Hoofdstuk 5 – Beslissingen
Beslissen: gaat over het nemen van keuzes in het beleid. Belangrijke
elementen: doel, beslisser, doelgroep, verwachte effecten en
beschikbare informatie.
Besluitvormingsmodellen:
1. Klassiek (synoptisch-rationeel): volledig inzicht in probleem en
alternatieven; stap voor stap van probleemformulering →
evaluatie. Geschikt bij bekende informatie en duidelijke
voorkeuren.