Aantekeningen Capita Selecta van het Ondernemingsrecht
College 1 – Grondslagen van het ondernemingsrecht
Stof:
L. Timmerman, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2009/2
H.J. de Kluiver, ‘Vennootschappelijke repliek op Timmerman’s
grondslagen’, Ondernemingsrecht 2009/4
M.J. Kroeze, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2019/50
L. Timmerman, ‘Uitdagingen voor het ondernemingsrecht; op weg naar een echt
ondernemingsrecht?’, MvO 2020/5-6
L. Timmerman, ‘Denken over vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2024/15
Asser/Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/124-135, 191 en 200-201
Voor het ondernemingsrecht bestaan er uiteraard ook beginselen. Toch heeft men daar lange tijd weinig
aandacht aan besteed. Pas vanaf 2008 kwam hier verandering in, met name door Vino Timmerman.
De grondslagen van het ondernemingsrecht zijn niet absoluut; ze staan nooit vast en kunnen veranderen. In
2009 bestonden er woelige tijden waardoor er andere grondslag golden dan nu. Nu zijn er ook woelige tijden
vanwege oorlog en klimaat/milieu.
Een grondslag/beginsel is een fundamentele opvatting waarop de rest van het ondernemingsrecht stoelt. Het
zijn meestal geen wettelijke regels, maar ze vormen wel vaak de basis voor die regels en liggen eraan ten
grondslag. Kortom, ze zijn bouwstenen voor het ondernemingsrecht die als grondslag dienen voor dit recht.
Doel grondslagen:
Juridische functie: dat grondslagen eraan kunnen bijdragen dat wetgever en rechter beter doordachte
en beter gemotiveerde beslissingen nemen. Zij kunnen helpen duidelijk te krijgen of het basisidee
deugt dat aan een wettelijke regel of rechterlijke beslissing ten grondslag ligt; en
Economische functie: het scheppen van rechtsvormen die ondernemingen in staat stellen succesvol
deel te nemen aan het economische verkeer. Dit houdt in dat ondernemingsrecht economische
vooruitgang en ondernemerschap moet bevorderen, en activiteiten die economische waarde
vernietigen (zoals duurzaamheid) zonder rechtvaardiging moet tegengaan. Slaagt het
vennootschapsrecht daarin? Timmerman vroeg zich in zijn oratie af of het oorspronkelijke doel van het
ondernemingsrecht, namelijk het faciliteren van economische vooruitgang, nog steeds volstaat of dat
er ruimte moet zijn voor bredere maatschappelijke doelen zoals duurzaamheid en gelijkheid. Er is
discussie of het vennootschapsrecht moet worden aangepast om ondernemingen te verplichten bij te
dragen aan klimaatdoelen en sociale gelijkheid.
Sinds 2008 is de discussie over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen toegenomen. In
2020 signaleerde Timmerman dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden naar wat hij noemt "de
maatschappelijke onderneming". Dit komt onder meer tot uiting in:
Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD): Deze richtlijn verplicht ondernemingen om niet
alleen over financiële, maar ook over niet-financiële informatie te rapporteren. Het concept van
dubbele materialiteit speelt hierbij een belangrijke rol: ondernemingen moeten rapporteren over zowel
de risico’s voor de onderneming als de impact van hun activiteiten op de maatschappij.
Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD): Deze richtlijn legt ketenverantwoordelijkheid
op aan bedrijven. Zij moeten zorg dragen voor naleving van milieunormen en mensenrechten binnen
hun gehele toeleveringsketen en een klimaattransitieplan opstellen in lijn met het Parijsakkoord.
Zoals gezegd hebben grondslagen een juridische functie voor de wetgevende macht. Dit kan verder worden
uitgewerkt in twee functies:
1. Vangnetfunctie voor rechters. De rechterlijke macht kan terugvallen op de grondbeginselen als de wet
niet volstaat.
Bij de vangnetfunctie kunnen de grondbeginselen fungeren als aanvulling op de wet (als de wet
tekortschiet) of als corrigerend mechanisme (houvast bij interpretatie van onduidelijke situaties).
Een belangrijk beginsel dat hierbij een rol speelt, is het beginsel van belangenpluralisme, waarbij de
belangen van alle betrokken actoren worden afgewogen.
1
, De aanvullende functie van grondbeginselen (belangenpluralisme) zie je veel in het enquêterecht.
Het biedt bepaalde actoren het recht om een enquêteverzoek in te dienen om het beleid en de
gang van zaken binnen een vennootschap te onderzoeken. De wet noemt hierbij een limitatieve
lijst van actoren, zoals aandeelhouders, de algemene vergadering, curatoren en de vennootschap
zelf. Deze lijst is limitatief, zoals bevestigd in de beschikking De Vries Robbé. Actoren die niet op de
lijst staan, zoals vakbonden en ondernemingsraden (OR), hebben geen zelfstandig recht om een
enquêteverzoek in te dienen. ECHTER, in de praktijk doen zich situaties voor waarbij moeder- en
dochtervennootschappen deel uitmaken van een concernstructuur. Op basis van de wet hebben
de aandeelhouders van de moeder niet het recht om een enquêteverzoek in te dienen bij de
dochter indien er misstanden zijn bij de dochter. De vraag is dan of het redelijk is om
aandeelhouders van de moeder uit te sluiten van het recht om een enquêteverzoek in te dienen
bij de dochter. Dit probleem laat zien hoe belangenpluralisme in de praktijk van invloed is op de
reikwijdte van het enquêterecht. Op basis van de vangnetfunctie is de aandeelhouder van de
moeder wel bevoegd! HR Landis en HR SNS: de Hoge Raad erkend In HR Landis dat de formele
juridische structuur niet altijd aansluit bij de economische werkelijkheid. De Hoge Raad in HR
Landis oordeelde dat onder bepaalde omstandigheden aandeelhouders van de moeder ook als
aandeelhouders van de dochter kunnen worden beschouwd. Dit geldt met name wanneer er
sprake is van (i) een bijna volledige personele unie en (ii) de moeder alle aandelen in de dochter
bezit. In HR SNS heeft de Hoge Raad deze voorwaarden verduidelijkt en deels versoepeld:
o Groepsmaatschappij: Er moet sprake zijn van een groepsmaatschappij (artikel 2:24b BW),
wat betekent dat er sprake moet zijn van een economische eenheid waarin
vennootschappen organisatorisch verbonden zijn.
o Mede-bepaling van het beleid: De moeder moet het beleid van de dochter mede hebben
bepaald. Dit criterium is soepeler dan de eerdere eis van volledige beleidsbepaling door
de moeder, waarbij werd aangenomen dat de dochter geen beleidsvrijheid mocht
hebben.
Deze versoepeling laat zien hoe het beginsel van belangenpluralisme niet alleen de bescherming
van aandeelhoudersbelangen ondersteunt, maar ook een correctiemechanisme biedt op een te
formele uitleg van de wet.
Aanvullende functie zie je ook in bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van HR Staleman van de
Ven heb je een ernstig verwijt nodig – dit was eerst niet in art. 2:9 lid 2 BW opgenomen, maar
door dit arrest is dit wetsartikel aangevuld. Bestuurders en aandeelhouders zijn dus beperkt
aansprakelijk (grondbeginsel): de rechtspersoon is aansprakelijk en je kan de bestuurder slechts
aanspreken bij ernstig verwijt. Dit is een hoge drempel, omdat de vennootschap de eerst
aangesprokene entiteit is in geval van aansprakelijkheid en ten tweede is dit omdat ze bange
bestuurders willen voorkomen. Ondernemen hoort fouten maken bij, dus het zou onredelijk zijn
als een bestuurder overal aansprakelijk voor kan worden gesteld. Wanneer is er sprake van een
ernstig verwijt? Afhankelijk van de omstandigheden van het geval (HR Staleman/Van de Ven). De
HR geeft wel een catalogus van omstandigheden. Er moet dan gekeken worden naar de aard van
de activiteiten van de rechtspersoon en of die activiteiten risico’s met zich mee brengen.
Bijvoorbeeld: zijn er gedragsregels opgesteld? Als er gedragsregels zijn die een bestuurder
overtreedt, dan is een bestuurder sneller eerder aansprakelijk op basis van ernstig verwijtbaar
handelen.
Maar hoe bij onrechtmatige daad? Bij een od geldt namelijk een lagere drempel voor
aansprakelijkheid. Zie HR NOM/Willemsen: Kan een bestuurder aansprakelijk worden gesteld
op grond van onrechtmatige daad wanneer hij handelt in strijd met de statuten van de
vennootschap? Schending van de statuten door een bestuurder leidt niet per definitie tot
onrechtmatigheid tegenover derden. Voor aansprakelijkheid jegens derden moet meer vereist
zijn dan alleen een handelen in strijd met de statuten. De HR stelt dat (i) het in strijd handelen
met de statuten op zichzelf niet automatisch een onrechtmatige daad vormt jegens derden en
(i) er sprake moet zijn van bijkomende omstandigheden die de onrechtmatigheid bevestigen,
zoals benadeling van derden. Dit oordeel is van belang omdat het bestuurders enige ruimte
biedt om beslissingen te nemen, ook wanneer die mogelijk niet volledig in lijn zijn met de
statuten, mits dit geen benadeling van derden tot gevolg heeft.
Corrigerende functie zie je bij de regeling van vertegenwoordigingsbevoegdheid (2::240
BW). Deze artikelen stellen dat de vertegenwoordiging onbeperkt en onvoorwaardelijk is, tenzij
anders bepaald. De tegenstrijdig-belangregeling vormt echter geen beperking van de
2
, vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf, maar heeft betrekking op de besluitvorming. Dit betekent
dat een bestuurder met een tegenstrijdig belang rechtsgeldig kan vertegenwoordigen, tenzij
sprake is van omstandigheden die wijzen op misbruik van bevoegdheid. In het arrest Bibolini heeft
de Hoge Raad bepaald dat een derde die bewust misbruik maakt van de situatie (bijvoorbeeld
door mee te werken aan een transactie waarbij een tegenstrijdig belang speelt), geen beroep kan
doen op de onbeperkte en onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de
vennootschap. Het arrest benadrukt dat er méér nodig is dan alleen wetenschap van het
tegenstrijdig belang; er moet sprake zijn van een situatie waarin de derde opzettelijk heeft
meegewerkt aan een onrechtmatige handeling of misbruik.
Dit arrest illustreert hoe beginselen zoals het bescherming van derden en interne besluitvorming
elkaar kunnen corrigeren en een balans moeten vinden.
2. Waarborgfunctie voor de continuïteit. Dit zie je bij tegenstrijdig belang regeling: In de oude regeling
gold dat wanneer een bestuurder een tegenstrijdig belang had, hij "besmet" was. Deze besmetting
gold echter ook voor de overige bestuurders. Dit betekende dat het bestuur de vennootschap niet
mocht vertegenwoordigen. In zo’n geval moest de raad van commissarissen optreden als
vertegenwoordiger. Was er geen raad van commissarissen, dan wees de algemene vergadering iemand
aan. Als een bestuurder desondanks de vennootschap vertegenwoordigde, was er sprake van
ongeldige vertegenwoordiging. In dat geval kon alleen de vennootschap zich beroepen op de
ongeldigheid van de overeenkomst, niet de wederpartij. Dit zorgde voor veel onzekerheid bij derden,
omdat zij pas jaren later konden ontdekken dat een overeenkomst ongeldig was verklaard vanwege
een intern probleem. Deze rechtsonzekerheid stond haaks op het beginsel dat interne kwesties binnen
de vennootschap opgelost moeten worden, zonder dat derden daarvan hinder ondervinden. Daarom
werd in 2012 de regeling aangepast. Nu is het bij tegenstrijdig belang dat je niet mee mag doen met
besluitvorming en beraadslaging. Extern blijft de vennootschap altijd gebonden en kan de
vennootschap niet terugdraaien; het kan alleen nog maar intern worden opgelost.
De acht grondslagen volgens Timmerman (2009):
Deze acht zullen hieronder verder worden uitgewerkt.
Aanvullende grondslagen voor slechts de beursvennootschappen, volgens Timmerman (2009):
Forumbank-regel (HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43): In dit arrest heeft de Hoge Raad het beginsel van
de zelfstandigheid van het bestuur neergelegd. Dit beginsel houdt in dat het bestuur (mits het binnen
de door wet en statuten getrokken grenzen blijft) niet van de aandeelhoudersvergadering instructies
hoeft te aanvaarden. Een AVA is niet bevoegd het bestuur te bewegen om de vennootschap eigen
aandelen in te laten kopen. Deze bevoegdheid komt alleen toe aan het bestuur;
Verplicht toezicht door interne toezichthouders;
Het recht om zich gedurende een bepaalde beperkte tijd te mogen beschermen tegen een ongewenste
overname (HR april 2003, NJ 2003, 286 (RNA));
Snelheid van ingrijpen door de rechter met behulp van onmiddellijke voorzieningen.
Scriptie onderwerp: welke beginselen missen er? Welke beginselen kunnen nog worden toegevoegd?
Bijvoorbeeld bestuursautonomie.
Grondslag 1: Pluraliteit van belangen
3
,Binnen een vennootschap spelen verschillende belangen die tegen elkaar moeten worden afgewogen niet
een belang behartigen maar juist meer belangen. Dit beginsel vindt steun in art. 3:13 BW (misbruik van
bevoegdheid) en art. 2:8 BW (redelijkheid en billijkheid).
Vennootschappen hebben vaak een maatschappelijke functie waardoor botsende belangen (zoals het
aandeelhoudersbelang, het belang van minderheidsaandeelhouders, het werknemersbelang, het
crediteurenbelang, het klantenbelang) onvermijdelijk zijn.
Deze belangen moet je gelijk behandelen of je moet een bepaalde hiërarchie ontwikkelen die
aanvaardbaar is. Het is daarnaast ook noodzakelijk dat goede bevoegdheidsregels en
gedragsnormen bestaan voor functionarissen van de vennootschap om conflicten tussen
belangen in goede banen te leiden.
Voorbeeld: Belangenpluralisme in bestuurdersaansprakelijkheid: De Hoge Raad hanteert voor zowel interne
bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:9 BW) als externe aansprakelijkheid (onrechtmatige daad) dezelfde
maatstaf: handelen als een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris. Voor persoonlijke
aansprakelijkheid geldt de eis van voldoende ernstige verwijtbaarheid. Verschillen bestaan o.a. bij
beleidsvrijheid en décharge. Zie ook hierboven bij HR Staleman van de Ven en HR NOM/Willemsen.
Vroeger gold het aandeelhoudersbelang. Nu wegen ook andere belangen mee. In plaats van een
aandeelhoudersgerichte (shareholdermodel) benadering, waarbij winstmaximalisatie vooropstaat, moet er
meer aandacht zijn voor een stakeholdergerichte (stakeholdermodel) benadering (ook wel ‘enlightened
shareholder value’-benadering). Dit betekent dat ondernemingen niet alleen financiële belangen behartigen,
maar ook rekening houden met werknemers, klanten, leveranciers, en de bredere maatschappij (=
vennootschappelijk belang, zie hieronder meer).
Twee methoden voor belangenpluralisme
Structureel: belangen krijgen een plaats in de vennootschapsstructuur, zoals via medezeggenschap van
werknemers (sterk aanbevelingsrecht om een rvc te benoemen waarmee dus belangen van
werknemers worden behartigt ) of kapitaalbescherming ten behoeve van schuldeisers.
Gedragsmatig: bestuurders en commissarissen moeten in hun handelen rekening houden met
uiteenlopende belangen. Dit zie je bij uitkering van dividend van de BV; je mag alles uitkeren, mits je
kan voortgaan met het betalen van je opeisbare schulden. Dit houdt in dat de BV op gedrag wordt
gestuurd.
Timmerman beschrijft niet het vennootschappelijk belang bij pluraliteit van belangen. Het vennootschappelijk
belang is bepaald in HR Cancun.
Het bestuur is belast met besturen (betekent kortweg leiding geven) en moet handelen in vennootschappelijk
belang (art. 2:129/239 lid 5 BW). Dit is de richtsnoer van het bestuur om te besturen. Bijvoorbeeld: het
opvolgen van instructies moet door de bestuur, tenzij het in strijd is met vennootschappelijk belang.
- (Het uitgangspunt was vroeger altijd dat het bestuur moest handelen in het belang van de
aandeelhouders, maar in HR Doetinchemse IJzergieterij is dit gekeerd naar vennootschappelijk belang
dus vanaf de jaren 50 kwam voor het eerst het vennootschappelijk belang naar voren.)
- In de beschikking Cancun is het vennootschappelijk belang ingevuld: Bestendigsuccesonderneming +
zorgvuldigheidsverplichting. Zie hierna.
- Duurzame lange termijn waardecreatie (Principe 1.1 Code). Zie hieronder
Het bestuur van een NV en BV is in beginsel autonoom in de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden en
hoeft dus geen instructies op te volgen van andere vennootschapsorganen, tenzij de wet of statuten anders
bepalen (HR Forumbank). De bestuursautonomie betekent onder meer dat het bepalen van de strategie en het
beleid in beginsel een aangelegenheid is van het bestuur (HR ABN Amro en HR Boskalis/Fugro).
Functies bestuursautonomie:
- Doelmatigheidsfunctie: het bestuur beschikt, meer dan de andere vennootschapsorganen, over de
kennis en kunde om de beslissingen te nemen die bijdragen aan het bestendig succes.
4
, - Waarborgfunctie: het bestuur moet zich bij de vervulling van zijn taak richten naar het
vennootschappelijk belang (art. 2:129 lid 5 BW en art. 2:239 lid 5 BW).
Twee benaderingen bij vennootschappelijk belang:
- Institutionele benadering: het vennootschappelijk belang moet je als zelfstandig belang zien voor haar
eigen gezonde bestaan van de vennootschap.
- Resultante benadering: hierbij kijk je naar alle belangen van de vennootschap en die ga je met elkaar
afwegen om in bepaalde concrete gevallen bepaalde belangen te pakken.
Welk van de twee benaderingen is leidend? HR Cancun: “het vennootschappelijk belang wordt in de regel
vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de door de vennootschap gedreven
onderneming. De bestuurders en commissarissen dienen bij het bevorderen hiervan zorgvuldigheid te
betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming
betrokken zijn. de rechtsregel van cancun sluit aan bij beide benaderingen, want het gaat over het
bevorderen van het bestendige succes van de onderneming (institutioneel) en het tweede element is dat je bij
het bevorderen van het succes wel zorgvuldigheid moet trachten van alle stakeholders (resultante).
Cancun-beschikking: twee elementen:
1. Het vennootschappelijk belang hangt af van omstandigheden van het geval. Maar Indien aan de
vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral
bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.
Dit betekent dat bestuur/rvc ervoor moet zorgen dat de vennootschap op lange termijn blijft
voortbestaan. Bestendigsucces is niet zo veel mogelijk winst maken, maar dat je op de lange
termijn succesvol bent. Het kan dus zijn dat je hiervoor veel moet investeren. Dit is dus
tegenstrijdig met het aandeelhoudersbelang
2. Bij de taakuitoefening moet je rekening houden met de betrokken belangen. Deze
zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het
vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap
of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Je mag dus wel belangen schaden, maar niet onnodig of onevenredig. Een voorbeeld is een fusie.
Dit geldt voor zowel voor bestuur als rvc (art. 2:140 lid :250 lid 2 BW): ook de rvc moet handelen in het
vennootschappelijk belang. Ook voor aandeelhouders? Uitgangspunt is eigen belang van aandeelhouders (HR
Wennex, HR Melchers, HR Aurora), maar ze zijn wel gehouden aan redelijkheid en billijkheid van 2:8 BW. HR
Funda: r.o. 4.36: … belang vennootschap toch boven belang aandeelhouders naarmate een aandeelhouder een
groter aandelenbelang heeft en meer invloed kan uitoefenen op het beleid en er meer belangen van andere
stakeholders in het geding zijn. Is het ook hoe groter je belang is in aandelen hoe meer je rekening moet
houden met het vennootschappelijk belang? Bij 30% ben je al een controlerend aandeelhouder en dan moet je
wel sterker rekening houden naar vennootschappelijk belang ipv zijn eigen belang (natuurlijk nog niet volledig).
Maar deze drempel zou ook lager of hoger kunnen zijn, afhankelijk hoe de statuten van de vennootschap zijn
ingedeeld kwa zeggenschap dat je hebt, want bepaalde zeggenschapsrechten krijg je pas bij een bepaald
percentage. Je invloed neemt toe als je die rechten hebben; en hoe meer invloed, hoe meer je rekening moet
houden met het vennootschappelijk belang op basis van de redelijkheid en billijkheid. ZIE HIERVOOR
AANTEKENINGEN CORPORATE GOVERNANCE (HR FUNDA).
Corporate Governance Code – vennootschappelijk belang Het bestuur moet zich richten op het
vennootschappelijk belang én de bepalingen van de Corporate Governance Code.
De CGC bepaalt in 1.1 dat het bestuur verantwoordelijk is voor de continuïteit en duurzame
langetermijnwaardecreatie, rekening houdend met effecten op mens en milieu en belangen van
stakeholders.duurzame lange termijn waardecreatie. Hierbij belangen afwegen. Er geldt geen
resultaatsverplichting (volgens de toelichting hierop) naar de lange termijn waardecreatie. Waarom? In verband
met aansprakelijkheidskwesties en er zijn andere belangen die zwaarder wegen.
Actualiteit: is klimaat/milieu/politiek onderdeel van vennootschappelijk belang? Ja, op grond van de
zorgvuldigheidspicht (HR Cancun) kan je klimaat/milieu/politiek hier inlezen. Maar het bestuur hoeft deze
belangen niet actief te bevorderen; uitgangspunt blijft het bevorderen van het bestendige succes van de
5
College 1 – Grondslagen van het ondernemingsrecht
Stof:
L. Timmerman, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2009/2
H.J. de Kluiver, ‘Vennootschappelijke repliek op Timmerman’s
grondslagen’, Ondernemingsrecht 2009/4
M.J. Kroeze, ‘Grondslagen van geldend ondernemingsrecht’, Ondernemingsrecht 2019/50
L. Timmerman, ‘Uitdagingen voor het ondernemingsrecht; op weg naar een echt
ondernemingsrecht?’, MvO 2020/5-6
L. Timmerman, ‘Denken over vennootschapsrecht’, Ondernemingsrecht 2024/15
Asser/Nieuwe Weme & Salemink 2-IIb 2025/124-135, 191 en 200-201
Voor het ondernemingsrecht bestaan er uiteraard ook beginselen. Toch heeft men daar lange tijd weinig
aandacht aan besteed. Pas vanaf 2008 kwam hier verandering in, met name door Vino Timmerman.
De grondslagen van het ondernemingsrecht zijn niet absoluut; ze staan nooit vast en kunnen veranderen. In
2009 bestonden er woelige tijden waardoor er andere grondslag golden dan nu. Nu zijn er ook woelige tijden
vanwege oorlog en klimaat/milieu.
Een grondslag/beginsel is een fundamentele opvatting waarop de rest van het ondernemingsrecht stoelt. Het
zijn meestal geen wettelijke regels, maar ze vormen wel vaak de basis voor die regels en liggen eraan ten
grondslag. Kortom, ze zijn bouwstenen voor het ondernemingsrecht die als grondslag dienen voor dit recht.
Doel grondslagen:
Juridische functie: dat grondslagen eraan kunnen bijdragen dat wetgever en rechter beter doordachte
en beter gemotiveerde beslissingen nemen. Zij kunnen helpen duidelijk te krijgen of het basisidee
deugt dat aan een wettelijke regel of rechterlijke beslissing ten grondslag ligt; en
Economische functie: het scheppen van rechtsvormen die ondernemingen in staat stellen succesvol
deel te nemen aan het economische verkeer. Dit houdt in dat ondernemingsrecht economische
vooruitgang en ondernemerschap moet bevorderen, en activiteiten die economische waarde
vernietigen (zoals duurzaamheid) zonder rechtvaardiging moet tegengaan. Slaagt het
vennootschapsrecht daarin? Timmerman vroeg zich in zijn oratie af of het oorspronkelijke doel van het
ondernemingsrecht, namelijk het faciliteren van economische vooruitgang, nog steeds volstaat of dat
er ruimte moet zijn voor bredere maatschappelijke doelen zoals duurzaamheid en gelijkheid. Er is
discussie of het vennootschapsrecht moet worden aangepast om ondernemingen te verplichten bij te
dragen aan klimaatdoelen en sociale gelijkheid.
Sinds 2008 is de discussie over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen toegenomen. In
2020 signaleerde Timmerman dat er een verschuiving heeft plaatsgevonden naar wat hij noemt "de
maatschappelijke onderneming". Dit komt onder meer tot uiting in:
Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD): Deze richtlijn verplicht ondernemingen om niet
alleen over financiële, maar ook over niet-financiële informatie te rapporteren. Het concept van
dubbele materialiteit speelt hierbij een belangrijke rol: ondernemingen moeten rapporteren over zowel
de risico’s voor de onderneming als de impact van hun activiteiten op de maatschappij.
Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD): Deze richtlijn legt ketenverantwoordelijkheid
op aan bedrijven. Zij moeten zorg dragen voor naleving van milieunormen en mensenrechten binnen
hun gehele toeleveringsketen en een klimaattransitieplan opstellen in lijn met het Parijsakkoord.
Zoals gezegd hebben grondslagen een juridische functie voor de wetgevende macht. Dit kan verder worden
uitgewerkt in twee functies:
1. Vangnetfunctie voor rechters. De rechterlijke macht kan terugvallen op de grondbeginselen als de wet
niet volstaat.
Bij de vangnetfunctie kunnen de grondbeginselen fungeren als aanvulling op de wet (als de wet
tekortschiet) of als corrigerend mechanisme (houvast bij interpretatie van onduidelijke situaties).
Een belangrijk beginsel dat hierbij een rol speelt, is het beginsel van belangenpluralisme, waarbij de
belangen van alle betrokken actoren worden afgewogen.
1
, De aanvullende functie van grondbeginselen (belangenpluralisme) zie je veel in het enquêterecht.
Het biedt bepaalde actoren het recht om een enquêteverzoek in te dienen om het beleid en de
gang van zaken binnen een vennootschap te onderzoeken. De wet noemt hierbij een limitatieve
lijst van actoren, zoals aandeelhouders, de algemene vergadering, curatoren en de vennootschap
zelf. Deze lijst is limitatief, zoals bevestigd in de beschikking De Vries Robbé. Actoren die niet op de
lijst staan, zoals vakbonden en ondernemingsraden (OR), hebben geen zelfstandig recht om een
enquêteverzoek in te dienen. ECHTER, in de praktijk doen zich situaties voor waarbij moeder- en
dochtervennootschappen deel uitmaken van een concernstructuur. Op basis van de wet hebben
de aandeelhouders van de moeder niet het recht om een enquêteverzoek in te dienen bij de
dochter indien er misstanden zijn bij de dochter. De vraag is dan of het redelijk is om
aandeelhouders van de moeder uit te sluiten van het recht om een enquêteverzoek in te dienen
bij de dochter. Dit probleem laat zien hoe belangenpluralisme in de praktijk van invloed is op de
reikwijdte van het enquêterecht. Op basis van de vangnetfunctie is de aandeelhouder van de
moeder wel bevoegd! HR Landis en HR SNS: de Hoge Raad erkend In HR Landis dat de formele
juridische structuur niet altijd aansluit bij de economische werkelijkheid. De Hoge Raad in HR
Landis oordeelde dat onder bepaalde omstandigheden aandeelhouders van de moeder ook als
aandeelhouders van de dochter kunnen worden beschouwd. Dit geldt met name wanneer er
sprake is van (i) een bijna volledige personele unie en (ii) de moeder alle aandelen in de dochter
bezit. In HR SNS heeft de Hoge Raad deze voorwaarden verduidelijkt en deels versoepeld:
o Groepsmaatschappij: Er moet sprake zijn van een groepsmaatschappij (artikel 2:24b BW),
wat betekent dat er sprake moet zijn van een economische eenheid waarin
vennootschappen organisatorisch verbonden zijn.
o Mede-bepaling van het beleid: De moeder moet het beleid van de dochter mede hebben
bepaald. Dit criterium is soepeler dan de eerdere eis van volledige beleidsbepaling door
de moeder, waarbij werd aangenomen dat de dochter geen beleidsvrijheid mocht
hebben.
Deze versoepeling laat zien hoe het beginsel van belangenpluralisme niet alleen de bescherming
van aandeelhoudersbelangen ondersteunt, maar ook een correctiemechanisme biedt op een te
formele uitleg van de wet.
Aanvullende functie zie je ook in bestuurdersaansprakelijkheid. Op basis van HR Staleman van de
Ven heb je een ernstig verwijt nodig – dit was eerst niet in art. 2:9 lid 2 BW opgenomen, maar
door dit arrest is dit wetsartikel aangevuld. Bestuurders en aandeelhouders zijn dus beperkt
aansprakelijk (grondbeginsel): de rechtspersoon is aansprakelijk en je kan de bestuurder slechts
aanspreken bij ernstig verwijt. Dit is een hoge drempel, omdat de vennootschap de eerst
aangesprokene entiteit is in geval van aansprakelijkheid en ten tweede is dit omdat ze bange
bestuurders willen voorkomen. Ondernemen hoort fouten maken bij, dus het zou onredelijk zijn
als een bestuurder overal aansprakelijk voor kan worden gesteld. Wanneer is er sprake van een
ernstig verwijt? Afhankelijk van de omstandigheden van het geval (HR Staleman/Van de Ven). De
HR geeft wel een catalogus van omstandigheden. Er moet dan gekeken worden naar de aard van
de activiteiten van de rechtspersoon en of die activiteiten risico’s met zich mee brengen.
Bijvoorbeeld: zijn er gedragsregels opgesteld? Als er gedragsregels zijn die een bestuurder
overtreedt, dan is een bestuurder sneller eerder aansprakelijk op basis van ernstig verwijtbaar
handelen.
Maar hoe bij onrechtmatige daad? Bij een od geldt namelijk een lagere drempel voor
aansprakelijkheid. Zie HR NOM/Willemsen: Kan een bestuurder aansprakelijk worden gesteld
op grond van onrechtmatige daad wanneer hij handelt in strijd met de statuten van de
vennootschap? Schending van de statuten door een bestuurder leidt niet per definitie tot
onrechtmatigheid tegenover derden. Voor aansprakelijkheid jegens derden moet meer vereist
zijn dan alleen een handelen in strijd met de statuten. De HR stelt dat (i) het in strijd handelen
met de statuten op zichzelf niet automatisch een onrechtmatige daad vormt jegens derden en
(i) er sprake moet zijn van bijkomende omstandigheden die de onrechtmatigheid bevestigen,
zoals benadeling van derden. Dit oordeel is van belang omdat het bestuurders enige ruimte
biedt om beslissingen te nemen, ook wanneer die mogelijk niet volledig in lijn zijn met de
statuten, mits dit geen benadeling van derden tot gevolg heeft.
Corrigerende functie zie je bij de regeling van vertegenwoordigingsbevoegdheid (2::240
BW). Deze artikelen stellen dat de vertegenwoordiging onbeperkt en onvoorwaardelijk is, tenzij
anders bepaald. De tegenstrijdig-belangregeling vormt echter geen beperking van de
2
, vertegenwoordigingsbevoegdheid zelf, maar heeft betrekking op de besluitvorming. Dit betekent
dat een bestuurder met een tegenstrijdig belang rechtsgeldig kan vertegenwoordigen, tenzij
sprake is van omstandigheden die wijzen op misbruik van bevoegdheid. In het arrest Bibolini heeft
de Hoge Raad bepaald dat een derde die bewust misbruik maakt van de situatie (bijvoorbeeld
door mee te werken aan een transactie waarbij een tegenstrijdig belang speelt), geen beroep kan
doen op de onbeperkte en onvoorwaardelijke vertegenwoordigingsbevoegdheid van de
vennootschap. Het arrest benadrukt dat er méér nodig is dan alleen wetenschap van het
tegenstrijdig belang; er moet sprake zijn van een situatie waarin de derde opzettelijk heeft
meegewerkt aan een onrechtmatige handeling of misbruik.
Dit arrest illustreert hoe beginselen zoals het bescherming van derden en interne besluitvorming
elkaar kunnen corrigeren en een balans moeten vinden.
2. Waarborgfunctie voor de continuïteit. Dit zie je bij tegenstrijdig belang regeling: In de oude regeling
gold dat wanneer een bestuurder een tegenstrijdig belang had, hij "besmet" was. Deze besmetting
gold echter ook voor de overige bestuurders. Dit betekende dat het bestuur de vennootschap niet
mocht vertegenwoordigen. In zo’n geval moest de raad van commissarissen optreden als
vertegenwoordiger. Was er geen raad van commissarissen, dan wees de algemene vergadering iemand
aan. Als een bestuurder desondanks de vennootschap vertegenwoordigde, was er sprake van
ongeldige vertegenwoordiging. In dat geval kon alleen de vennootschap zich beroepen op de
ongeldigheid van de overeenkomst, niet de wederpartij. Dit zorgde voor veel onzekerheid bij derden,
omdat zij pas jaren later konden ontdekken dat een overeenkomst ongeldig was verklaard vanwege
een intern probleem. Deze rechtsonzekerheid stond haaks op het beginsel dat interne kwesties binnen
de vennootschap opgelost moeten worden, zonder dat derden daarvan hinder ondervinden. Daarom
werd in 2012 de regeling aangepast. Nu is het bij tegenstrijdig belang dat je niet mee mag doen met
besluitvorming en beraadslaging. Extern blijft de vennootschap altijd gebonden en kan de
vennootschap niet terugdraaien; het kan alleen nog maar intern worden opgelost.
De acht grondslagen volgens Timmerman (2009):
Deze acht zullen hieronder verder worden uitgewerkt.
Aanvullende grondslagen voor slechts de beursvennootschappen, volgens Timmerman (2009):
Forumbank-regel (HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43): In dit arrest heeft de Hoge Raad het beginsel van
de zelfstandigheid van het bestuur neergelegd. Dit beginsel houdt in dat het bestuur (mits het binnen
de door wet en statuten getrokken grenzen blijft) niet van de aandeelhoudersvergadering instructies
hoeft te aanvaarden. Een AVA is niet bevoegd het bestuur te bewegen om de vennootschap eigen
aandelen in te laten kopen. Deze bevoegdheid komt alleen toe aan het bestuur;
Verplicht toezicht door interne toezichthouders;
Het recht om zich gedurende een bepaalde beperkte tijd te mogen beschermen tegen een ongewenste
overname (HR april 2003, NJ 2003, 286 (RNA));
Snelheid van ingrijpen door de rechter met behulp van onmiddellijke voorzieningen.
Scriptie onderwerp: welke beginselen missen er? Welke beginselen kunnen nog worden toegevoegd?
Bijvoorbeeld bestuursautonomie.
Grondslag 1: Pluraliteit van belangen
3
,Binnen een vennootschap spelen verschillende belangen die tegen elkaar moeten worden afgewogen niet
een belang behartigen maar juist meer belangen. Dit beginsel vindt steun in art. 3:13 BW (misbruik van
bevoegdheid) en art. 2:8 BW (redelijkheid en billijkheid).
Vennootschappen hebben vaak een maatschappelijke functie waardoor botsende belangen (zoals het
aandeelhoudersbelang, het belang van minderheidsaandeelhouders, het werknemersbelang, het
crediteurenbelang, het klantenbelang) onvermijdelijk zijn.
Deze belangen moet je gelijk behandelen of je moet een bepaalde hiërarchie ontwikkelen die
aanvaardbaar is. Het is daarnaast ook noodzakelijk dat goede bevoegdheidsregels en
gedragsnormen bestaan voor functionarissen van de vennootschap om conflicten tussen
belangen in goede banen te leiden.
Voorbeeld: Belangenpluralisme in bestuurdersaansprakelijkheid: De Hoge Raad hanteert voor zowel interne
bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:9 BW) als externe aansprakelijkheid (onrechtmatige daad) dezelfde
maatstaf: handelen als een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris. Voor persoonlijke
aansprakelijkheid geldt de eis van voldoende ernstige verwijtbaarheid. Verschillen bestaan o.a. bij
beleidsvrijheid en décharge. Zie ook hierboven bij HR Staleman van de Ven en HR NOM/Willemsen.
Vroeger gold het aandeelhoudersbelang. Nu wegen ook andere belangen mee. In plaats van een
aandeelhoudersgerichte (shareholdermodel) benadering, waarbij winstmaximalisatie vooropstaat, moet er
meer aandacht zijn voor een stakeholdergerichte (stakeholdermodel) benadering (ook wel ‘enlightened
shareholder value’-benadering). Dit betekent dat ondernemingen niet alleen financiële belangen behartigen,
maar ook rekening houden met werknemers, klanten, leveranciers, en de bredere maatschappij (=
vennootschappelijk belang, zie hieronder meer).
Twee methoden voor belangenpluralisme
Structureel: belangen krijgen een plaats in de vennootschapsstructuur, zoals via medezeggenschap van
werknemers (sterk aanbevelingsrecht om een rvc te benoemen waarmee dus belangen van
werknemers worden behartigt ) of kapitaalbescherming ten behoeve van schuldeisers.
Gedragsmatig: bestuurders en commissarissen moeten in hun handelen rekening houden met
uiteenlopende belangen. Dit zie je bij uitkering van dividend van de BV; je mag alles uitkeren, mits je
kan voortgaan met het betalen van je opeisbare schulden. Dit houdt in dat de BV op gedrag wordt
gestuurd.
Timmerman beschrijft niet het vennootschappelijk belang bij pluraliteit van belangen. Het vennootschappelijk
belang is bepaald in HR Cancun.
Het bestuur is belast met besturen (betekent kortweg leiding geven) en moet handelen in vennootschappelijk
belang (art. 2:129/239 lid 5 BW). Dit is de richtsnoer van het bestuur om te besturen. Bijvoorbeeld: het
opvolgen van instructies moet door de bestuur, tenzij het in strijd is met vennootschappelijk belang.
- (Het uitgangspunt was vroeger altijd dat het bestuur moest handelen in het belang van de
aandeelhouders, maar in HR Doetinchemse IJzergieterij is dit gekeerd naar vennootschappelijk belang
dus vanaf de jaren 50 kwam voor het eerst het vennootschappelijk belang naar voren.)
- In de beschikking Cancun is het vennootschappelijk belang ingevuld: Bestendigsuccesonderneming +
zorgvuldigheidsverplichting. Zie hierna.
- Duurzame lange termijn waardecreatie (Principe 1.1 Code). Zie hieronder
Het bestuur van een NV en BV is in beginsel autonoom in de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden en
hoeft dus geen instructies op te volgen van andere vennootschapsorganen, tenzij de wet of statuten anders
bepalen (HR Forumbank). De bestuursautonomie betekent onder meer dat het bepalen van de strategie en het
beleid in beginsel een aangelegenheid is van het bestuur (HR ABN Amro en HR Boskalis/Fugro).
Functies bestuursautonomie:
- Doelmatigheidsfunctie: het bestuur beschikt, meer dan de andere vennootschapsorganen, over de
kennis en kunde om de beslissingen te nemen die bijdragen aan het bestendig succes.
4
, - Waarborgfunctie: het bestuur moet zich bij de vervulling van zijn taak richten naar het
vennootschappelijk belang (art. 2:129 lid 5 BW en art. 2:239 lid 5 BW).
Twee benaderingen bij vennootschappelijk belang:
- Institutionele benadering: het vennootschappelijk belang moet je als zelfstandig belang zien voor haar
eigen gezonde bestaan van de vennootschap.
- Resultante benadering: hierbij kijk je naar alle belangen van de vennootschap en die ga je met elkaar
afwegen om in bepaalde concrete gevallen bepaalde belangen te pakken.
Welk van de twee benaderingen is leidend? HR Cancun: “het vennootschappelijk belang wordt in de regel
vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de door de vennootschap gedreven
onderneming. De bestuurders en commissarissen dienen bij het bevorderen hiervan zorgvuldigheid te
betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming
betrokken zijn. de rechtsregel van cancun sluit aan bij beide benaderingen, want het gaat over het
bevorderen van het bestendige succes van de onderneming (institutioneel) en het tweede element is dat je bij
het bevorderen van het succes wel zorgvuldigheid moet trachten van alle stakeholders (resultante).
Cancun-beschikking: twee elementen:
1. Het vennootschappelijk belang hangt af van omstandigheden van het geval. Maar Indien aan de
vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral
bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.
Dit betekent dat bestuur/rvc ervoor moet zorgen dat de vennootschap op lange termijn blijft
voortbestaan. Bestendigsucces is niet zo veel mogelijk winst maken, maar dat je op de lange
termijn succesvol bent. Het kan dus zijn dat je hiervoor veel moet investeren. Dit is dus
tegenstrijdig met het aandeelhoudersbelang
2. Bij de taakuitoefening moet je rekening houden met de betrokken belangen. Deze
zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het
vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap
of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad.
Je mag dus wel belangen schaden, maar niet onnodig of onevenredig. Een voorbeeld is een fusie.
Dit geldt voor zowel voor bestuur als rvc (art. 2:140 lid :250 lid 2 BW): ook de rvc moet handelen in het
vennootschappelijk belang. Ook voor aandeelhouders? Uitgangspunt is eigen belang van aandeelhouders (HR
Wennex, HR Melchers, HR Aurora), maar ze zijn wel gehouden aan redelijkheid en billijkheid van 2:8 BW. HR
Funda: r.o. 4.36: … belang vennootschap toch boven belang aandeelhouders naarmate een aandeelhouder een
groter aandelenbelang heeft en meer invloed kan uitoefenen op het beleid en er meer belangen van andere
stakeholders in het geding zijn. Is het ook hoe groter je belang is in aandelen hoe meer je rekening moet
houden met het vennootschappelijk belang? Bij 30% ben je al een controlerend aandeelhouder en dan moet je
wel sterker rekening houden naar vennootschappelijk belang ipv zijn eigen belang (natuurlijk nog niet volledig).
Maar deze drempel zou ook lager of hoger kunnen zijn, afhankelijk hoe de statuten van de vennootschap zijn
ingedeeld kwa zeggenschap dat je hebt, want bepaalde zeggenschapsrechten krijg je pas bij een bepaald
percentage. Je invloed neemt toe als je die rechten hebben; en hoe meer invloed, hoe meer je rekening moet
houden met het vennootschappelijk belang op basis van de redelijkheid en billijkheid. ZIE HIERVOOR
AANTEKENINGEN CORPORATE GOVERNANCE (HR FUNDA).
Corporate Governance Code – vennootschappelijk belang Het bestuur moet zich richten op het
vennootschappelijk belang én de bepalingen van de Corporate Governance Code.
De CGC bepaalt in 1.1 dat het bestuur verantwoordelijk is voor de continuïteit en duurzame
langetermijnwaardecreatie, rekening houdend met effecten op mens en milieu en belangen van
stakeholders.duurzame lange termijn waardecreatie. Hierbij belangen afwegen. Er geldt geen
resultaatsverplichting (volgens de toelichting hierop) naar de lange termijn waardecreatie. Waarom? In verband
met aansprakelijkheidskwesties en er zijn andere belangen die zwaarder wegen.
Actualiteit: is klimaat/milieu/politiek onderdeel van vennootschappelijk belang? Ja, op grond van de
zorgvuldigheidspicht (HR Cancun) kan je klimaat/milieu/politiek hier inlezen. Maar het bestuur hoeft deze
belangen niet actief te bevorderen; uitgangspunt blijft het bevorderen van het bestendige succes van de
5