-
01
1. Definitie van ontwikkeling
1
-
02
2. Drie domeinen van ontwikkeling
1
-
1. Biologische/lichamelijke ontwikkeling
1
-
2. Cognitieve ontwikkeling
1
-
3. Psychosociale ontwikkeling
1
-
03
3. Misvatting over ontwikkeling (klassiek model)
1
-
Realiteit:
1
-
04
4. Levensfasen (life span)
2
-
Belangrijke fasen:
2
-
Emerging adulthood (Arnett)
2
-
05
5. Volwassenheid: veranderend concept
2
-
06
6. Cultuur en ontwikkeling
2
-
Belangrijke concepten:
3
-
07
7. Rites of passage
3
-
08
8. Subculturele verschillen
3
-
SES-invloed:
3
-
09
9. Historische veranderingen
3
-
10
10. Toekomst en demografie
3
-
11
11. Life-span perspectief (Baltes)
4
-
1. Levenslang proces
4
-
2. Multidirectioneel
4
-
3. Gain + loss
4
-
4. Plasticiteit
4
-
5. Historisch-cultureel bepaald
4
-
6. Multicausaal
4
-
7. Multidisciplinair
4
-
12
12. Kernconclusie
4
-
13
1.3 Hoe wordt ontwikkeling bestudeerd?
4
-
1. Doelen van ontwikkelingsonderzoek
4
-
2. De wetenschappelijke methode
5
-
3. Steekproeven (sampling)
5
-
4. Methoden van dataverzameling
5
-
5. Onderzoeksmethoden
6
-
6. Onderzoeksdesigns (ontwikkeling over tijd)
7
-
7. Belangrijke concepten samengevat
7
-
14
1.2 Theories of Life-Span Development
8
-
1. Ontstaan van de ontwikkelingspsychologie (historische basis)
8
-
2. Functie en structuur van theorieën
9
-
3. De drie fundamentele ontwikkelingsvraagstukken
9
-
3.1 Nature vs. Nurture (oorzaak van ontwikkeling)
9
-
3.2 Continuïteit vs. Discontinuïteit (vorm van verandering)
10
-
3.3 Universalisme vs. Context-specificiteit
10
-
15
4. De vijf hoofdtheorieën
11
-
4.1 Evolutionaire theorie
11
-
4.2 Psychoanalytische theorie
11
-
4.3 Leertheorieën
12
-
4.4 Cognitieve ontwikkelings theorie
12
-
4.5 Bio-ecologische systeemtheorie
12
-
16
5. Integratieve conclusie
13
-
1. Ontwikkeling is multicausaal
13
-
2. Geen enkele theorie is volledig
13
-
3. Moderne visie
13
-
17
2.5 Gene–Environment Interplay
13
-
1. Kernidee
13
-
2. Drie hoofdmechanismen van interactie
13
-
3. Gene–Environment Correlations (rGE)
14
-
4. Epigenetica
14
-
5. Epigenetica en verschillen tussen identieke tweelingen
15
-
6. Epigenetische effecten van opvoeding (klassiek experiment)
15
-
7. Intergenerationele epigenetica
15
-
8. Reversibiliteit
16
-
9. Methodologische implicaties
16
-
10. Praktische implicaties
16
-
18
Selection, Optimization, and Compensation (SOC)
16
-
1. Basisidee
16
-
2. SOC-model (Baltes & Baltes)
16
-
3. Selection (selectie)
16
-
4. Optimization (optimalisatie)
17
-
5. Compensation (compensatie)
17
-
6. Samenhang tussen de drie processen
17
-
7. Toepassing in dagelijks leven
18
-
8. Leeftijdsverschillen in SOC-gebruik
18
-
9. SOC en geheugen (belangrijk tentamenpunt)
18
-
10. SOC en zelfstandigheid
18
-
11. “Use it or lose it” principe
19
-
12. Overkoepelende inzichten
19
-
19
Erikson’s psychosociale theorie
19
-
1. Positionering t.o.v. Freud
19
-
2. Structuur van de theorie: 8 psychosociale stadia
20
-
3. Dynamiek van ontwikkeling
20
-
4. Belangrijk principe: balans (geen extremen)
20
-
5. Voorbeeld: eerste stadium (Trust vs Mistrust)
20
-
6. Psychosociale conflicten als kern van ontwikkeling
21
-
7. Rol van omgeving en cultuur
21
-
8. Karakteristieke adaptaties
21
-
9. Belangrijkste inzichten
21
-
10. Vergelijking Erikson vs Freud (kort overzicht)
22
-
11. Kernsamenvatting (tentamenproof)
22
-
8.1 Understanding Intelligence and Creativity
22
-
20
De psychometrische benadering (IQ-tests)
22
-
Spearman: g-factor en s-factor
23
-
Cattell & Horn: Fluid vs Crystallized Intelligence
23
-
1. Fluid intelligence
23
-
2. Crystallized intelligence
23
-
21
CHC-model (Cattell-Horn-Carroll)
23
-
Bovenaan:
23
-
Midden:
23
-
Onderaan:
23
-
22
IQ-tests
24
-
Binet & Simon
24
-
Mental Age (MA)
24
-
IQ-formule vroeger
24
-
Moderne IQ-tests
24
-
23
Verdeling IQ-scores
24
-
24
Uitersten van intelligentie
24
-
25
Intellectual Disability (=verstandelijke beperking)
24
-
Oorzaken
24
-
Ernst varieert
25
-
26
Giftedness (hoogbegaafdheid)
25
-
Kenmerken van gifted children
25
-
Belangrijk inzicht
25
-
27
Versnellen op school
25
-
28
Meervoudige intelligentie (Gardner)
26
-
Voorbeelden van intelligenties
26
-
Voorbeeld savant syndrome
26
-
29
Sternberg: Successful Intelligence
26
-
1. Practical intelligence
26
-
2. Creative intelligence
26
-
3. Analytical intelligence
26
-
30
Volgens Sternberg is iemand intelligent als diegene:
26
-
31
Creativiteit
26
-
32
Intelligentie ≠ creativiteit
27
-
IQ-tests meten vooral:
27
-
Creativiteit meet:
27
-
33
Kenmerken van creatief denken:
27
-
34
Investment Theory of Creativity (Sternberg)
27
-
35
Kernboodschap hoofdstuk 8.1
27
-
8.6 Waarom verschillen mensen van dezelfde leeftijd in IQ?
27
-
36
Erfelijkheid en omgeving
27
-
Genetische invloed op intelligentie
27
-
Genetische invloed verandert met leeftijd
28
-
Belangrijk: genetisch betekent niet vaststaand
28
-
37
SES (Sociaal-Economische Status)
28
-
38
Risicofactoren voor lager IQ
28
-
39
Armoede en cognitieve ontwikkeling
28
-
40
Goed nieuws: brein is plastisch
29
-
41
Home Environment (thuisomgeving)
29
-
42
Genen + omgeving samen
29
-
43
Cultuur en IQ
29
-
Zeer belangrijk:
29
-
44
Waarom groepsverschillen ontstaan
29
-
45
Culturele bias in IQ-tests
30
-
46
Culture-fair tests
30
-
47
Stereotype Threat
30
-
48
Onderzoek toont:
30
-
49
Positieve stereotypen kunnen helpen
30
-
50
Hoe stereotype threat verminderen?
30
-
1. Test anders labelen
30
-
2. Zelfwaardebevestiging
30
-
3. Negatieve stereotypen verminderen in samenleving
30
-
51
Integratie van theorieën over intelligentie
30
-
Piaget
30
-
Vygotsky
31
-
Information Processing
31
-
Psychometrische benadering
31
-
Multiple Intelligences / Sternberg
31
-
9.1 – The System of Language
31
-
Basiscomponenten van taal
32
-
Biologische basis van taal
32
-
52
Theorieën over taalontwikkeling
32
-
1. Nature – Aangeboren aanleg (Nativisme)
32
-
2. Nurture – Omgeving en leren
33
-
53
3. Interactionistische visie – Nature + Nurture samen
33
-
Kernidee:
33
-
Sociale ondersteuning:
33
-
Taalontwikkeling bij dove kinderen
33
-
54
Conclusie
34
-
Aangeboren factoren:
34
-
Omgevingsfactoren:
34
-
9.2 – The Infant
34
-
Kernconclusie
36
-
1. Groei: genen × omgeving
37
-
2. Endocrien systeem (hormonen)
37
-
3. Zenuwstelsel en hersenen
37
-
4. Principes van lichamelijke groei
38
-
5. Gezondheid: biopsychosociaal model
38
-
6. Samenvattend inzicht
38
-
1. Kern van de fase
38
-
2. Hersenontwikkeling
38
-
3. Neuroplasticiteit
39
-
4. Groei en lichamelijke ontwikkeling
39
-
5. Reflexen
39
-
6. Gedragsstaten en slaap
40
-
7. Functionele ontwikkeling (belangrijk idee)
40
-
8. Hoofdconclusie
41
-
55
Onderzoeksmethode van Piaget
48
-
1. Zorgvuldige observatie
48
-
2. Klinische methode
48
-
Kritiek op deze methode
48
-
56
Schema’s: de basis van kennis
48
-
Wat zijn schema’s?
48
-
Voorbeelden van schema’s per leeftijd
48
-
57
Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget
48
-
58
1. Organisatie
49
-
59
2. Adaptatie
49
-
a. Assimilatie
49
-
b. Accommodatie
49
-
60
Evenwicht en cognitief conflict
49
-
Disequilibrium
49
-
Equilibratie
49
-
61
Vier stadia van cognitieve ontwikkeling
49
-
1. Sensomotorische fase (0–2 jaar)
49
-
2. Preoperationele fase (2–7 jaar)
50
-
3. Concreet-operationele fase (7–11 jaar)
50
-
4. Formeel-operationele fase (11+ jaar)
50
-
Belangrijk punt
50
-
62
Belangrijkste bijdragen van Piaget
50
-
1. Kinderen zijn actief
50
-
2. Kinderen denken anders dan volwassenen
50
-
3. Grote invloed op onderzoek
50
-
4. Universele ontwikkelingslijn
50
-
63
Kritiek op Piaget
51
-
1. Onderschatting van jonge kinderen
51
-
2. Stadia zijn te star
51
-
3. Te weinig verklaring van mechanismen
51
-
4. Sociale invloed/omgeving onderschat
51
-
\Lev Vygotsky en socioculturele cognitieve ontwikkeling
51
-
64
Centrale gedachte van Vygotsky
51
-
65
Cultuur en denken
52
-
66
Voorbeeld onderzoek: Mayaanse kinderen vs Amerikaanse middenklassekinderen
52
-
1. Europese / Noord-Amerikaanse middenklassekinderen
52
-
2. Traditionele Mayaanse kinderen
52
-
Experiment
52
-
Conclusie
52
-
67
Geen universele stadia
52
-
68
Sociale interactie als motor van ontwikkeling
53
-
69
Voorbeeld: Annie en de puzzel
53
-
70
Zone van naaste ontwikkeling (ZPD)
53
-
Zone of Proximal Development (Zone van Naaste Ontwikkeling)
53
-
Buiten de zone
53
-
Praktische betekenis
53
-
71
Onderzoek naar de ZPD
53
-
Lezen
53
-
Wetenschapsonderwijs
53
-
72
Guided participation (begeleide participatie)
53
-
73
Scaffolding (steunstructuur)
54
-
Scaffolding
54
-
74
Verschil met Piaget
54
-
Piaget:
54
-
Vygotsky:
54
-
75
Mentale hulpmiddelen: tools of thought
54
-
76
Onderzoek: computer als cognitief hulpmiddel
54
-
Resultaat
54
-
77
Taal vormt denken
54
-
Piaget:
54
-
Vygotsky:
54
-
78
Private speech (zelfspraak)
55
-
Piaget noemde dit egocentrisch taalgebruik
55
-
Vygotsky noemde dit private speech
55
-
79
Ontwikkeling van taal volgens Vygotsky
55
-
Fase 1: Sociale spraak
55
-
Fase 2: Private speech
55
-
Fase 3: Inner speech
55
-
80
Onderzoek naar private speech
55
-
81
Effect van private speech
55
-
82
Evaluatie van Vygotsky
55
-
Sterke punten
55
-
Kritiek
55
-
83
Piaget vs Vygotsky samengevat
56
-
84
Toepassing in onderwijs
56
-
Piagetiaanse klas
56
-
Vygotskiaanse klas
56
-
7.2 De baby - ontwikkeling van leren en geheugen
57
-
85
1. Habituatie
57
-
Wat is habituatie?
57
-
Wat bewijst dit?
57
-
Bevindingen
57
-
86
2. Operante conditionering
57
-
Bekend voorbeeld: mobiel boven wieg
57
-
Wat wordt hier gemeten?
57
-
Resultaten
57
-
Gespreid oefenen werkt beter
58
-
Herinneringshulp (cueing)
58
-
Contextafhankelijk geheugen
58
-
87
3. Objectzoektaak (A-not-B taak) (onderzoeken van objectpermanentie)
58
-
Hoe werkt het?
58
-
Wat betekent dit?
58
-
Leeftijdsverschillen
58
-
88
4. Imitatie
58
-
Directe imitatie
58
-
89
Uitgestelde imitatie (deferred imitation)
58
-
Leeftijd
59
-
90
Geheugen voor gebeurtenissen (episodisch)
59
-
Resultaten
59
-
Wat helpt onthouden?
59
-
91
Taal en herinneringen rond 2 jaar
59
-
Resultaten
59
-
92
Autobiografisch geheugen
59
-
Wat is dat?
59
-
93
Childhood amnesia (kinderlijke amnesie)
59
-
94
Onderzoek volwassenen
59
-
95
Waarom vergeten we vroege jeugd?
59
-
96
1. Onrijpe hippocampus
59
-
97
2. Neurogenese
60
-
98
3. Gebrek aan taal
60
-
99
4. Socioculturele ondersteuning
60
-
100
5. Gevoel van zelf
60
-
101
6. Details versus kern (fuzzy-trace theory)
60
-
Verbatim
60
-
Gist
60
-
102
Algemene conclusie
60
-
7.3 – Het kind: ontwikkeling van het geheugen
60
-
Eindconclusie
61
-
7.4 – De adolescentie: ontwikkeling van leren en geheugen
61
-
1. Betere strategieën
61
-
2. Groei van basiscapaciteiten
62
-
3. Meer kennisbasis
62
-
4. Betere metamemory en metacognitie
62
-
5. Verschillen tussen groepen
62
-
6. Groei in probleemoplossing
62
-
103
Praktische tips om geheugen te verbeteren
62
-
Leefstijl
63
-
104
Eindconclusie
63
-
7.5 – De volwassene: geheugen, veroudering en expertise
63
-
105
1. Geheugen en veroudering
63
-
106
2. Sterke en zwakke kanten bij ouderen
63
-
107
3. Soorten geheugen bij ouderen
63
-
Blijft relatief sterk:
63
-
Neemt vaker af:
63
-
Impliciet geheugen blijft vaak goed:
64
-
108
4. Waarom ontstaat achteruitgang?
64
-
A. Kennisbasis is juist sterk
64
-
B. Metamemory blijft grotendeels goed
64
-
C. Minder spontaan strategiegebruik
64
-
D. Basiscapaciteiten nemen af
64
-
109
5. Hersenen en compensatie
64
-
110
6. Context speelt grote rol
64
-
Belangrijk inzicht:
65
-
111
7. Autobiografisch geheugen
65
-
1. Persoonlijk belang
65
-
2. Uniekheid
65
-
3. Emotionele intensiteit
65
-
4. Levensfase
65
-
112
8. Expertise
65
-
113
9. Expertise is meestal domeinspecifiek
65
-
114
Eindconclusie
65
-
1. Wat is een emotie?
66
-
2. Eerste emoties bij baby’s
66
-
3. Nature vs nurture bij emoties
66
-
4. Rol van ouders (emotionele socialisatie)
67
-
5. Emotieregulatie (emotion regulation)
67
-
6. Emotionele ontwikkeling in de kindertijd
67
-
7. Emoties in de adolescentie
68
-
8. Emoties bij ouderen
68
-
9. Belangrijkste conclusies
69
-
Samengevat
69
-
115
12.1 Social Cognition
69
-
Wat is social cognition?
69
-
116
1. Theory of Mind (ToM)
69
-
Definitie
69
-
False-belief taak (klassiek experiment)
70
-
Ontwikkeling van theory of mind
70
-
Autismespectrumstoornis (ASS)
70
-
117
2. Nature vs. Nurture bij ToM
71
-
Nature (biologie)
71
-
Nurture (omgeving)
71
-
Conclusie ToM
71
-
Belang van ToM
71
-
118
3. Trait Perception (persoonlijkheid begrijpen)
71
-
Jonge kinderen (<7 jaar)
71
-
Vanaf ±7–8 jaar
71
-
Adolescentie
72
-
119
4. Perspective Taking (perspectief nemen)
72
-
Definitie
72
-
Ontwikkeling volgens Selman
72
-
Gevolgen van goede perspectiefvaardigheden
72
-
120
5. Social Cognition in Adulthood
72
-
Ontwikkeling
72
-
Ouderdom
72
-
Waarom blijft het goed?
72
-
121
Samenvattend
73
-
Ontwikkelingslijn:
73
-
Kernidee
73
-
122
12.2 Perspectieven op morele ontwikkeling
73
-
1. Wat is moraliteit?
73
-
123
2. Cognitieve benadering: Kohlberg (moreel redeneren)
74
-
Basisidee
74
-
Piaget (voorloper)
74
-
Kohlberg: 3 niveaus, 6 stadia
74
-
Ontwikkelingslijn
75
-
Invloeden op moreel denken
75
-
124
3. Emotionele benadering: Freud + moderne theorie
75
-
Freud: superego
75
-
Moderne visie
75
-
Belangrijke morele emoties
75
-
Empathie (heel belangrijk)
76
-
125
4. Gedragsbenadering: Social learning (Bandura)
76
-
Basisidee
76
-
Situatie is cruciaal
76
-
Zelfregulatie
76
-
Moral disengagement (morele onthechting)
76
-
126
5. Evolutionaire benadering
76
-
Basisidee
76
-
Prosociaal gedrag als voordeel
76
-
Hoe kan altruïsme evolutionair?
76
-
Belangrijk inzicht
77
-
Tomasello: unieke mens
77
-
127
7. Belangrijke inzichten (samenvattend)
77
-
128
8. Kritisch inzicht
77
-
129
12.5 The Adolescent
77
-
130
1. Algemene ontwikkeling in de adolescentie
77
-
131
2. Moral Identity (morele identiteit)
77
-
Wat is het?
77
-
Ontwikkeling
77
-
Effecten van een sterke moral identity
78
-
Hoe ontwikkel je moral identity?
78
-
132
3. Veranderingen in moreel redeneren (Kohlberg)
78
-
Belangrijkste ontwikkeling:
78
-
Leeftijdsverschillen
78
-
Kernontwikkeling
78
-
Belangrijk
78
-
133
4. Antisociaal gedrag in de adolescentie
78
-
Wat is het?
78
-
Ontwikkeling van agressie
79
-
Juvenile delinquency
79
-
Twee typen antisociale jongeren
79
-
Waarom stopt antisociaal gedrag vaak?
79
-
134
5. Verklaringen voor antisociaal gedrag
79
-
5.1 Cognitieve factoren
79
-
5.2 Emotionele factoren
79
-
135
6. Dodge’s Social Information-Processing Model
79
-
Kernidee:
80
-
Probleem bij agressieve jongeren:
80
-
Oorzaak
80
-
136
7. Patterson’s Coercive Family Model
80
-
Kernidee:
80
-
Coercieve cyclus:
80
-
Gevolgen
80
-
137
8. Nature & Nurture
80
-
Genetische invloed
80
-
Gene × Environment interaction
80
-
Gene–environment correlation
80
-
138
9. Omgevingsfactoren
80
-
Culturele verschillen
81
-
139
10. Preventie en interventie
81
-
Belangrijk principe:
81
-
Voorbeelden interventies
81
-
Belangrijke strategie
81
-
140
11. Samenvattend kernoverzicht
81
-
Ontwikkeling:
81
-
Risico:
81
-
Oorzaken:
81
-
Oplossing:
82
-
141
13.2 Perspectives on Relationships
83
-
Inleiding: waarom zijn relaties belangrijk?
83
-
142
Attachment Theory (Hechtingstheorie)
83
-
Basisidee van Bowlby
83
-
143
Evolutionaire achtergrond van hechting
83
-
Ethologie als basis
83
-
144
Imprinting bij dieren
83
-
Konrad Lorenz
83
-
145
Hechting bij mensen
84
-
Gedragingen van baby’s die hechting bevorderen
84
-
146
Biologische voorbereiding van ouders
84
-
147
Wanneer ontstaat hechting?
84
-
148
Hoe herken je dat een baby gehecht is?
84
-
1. Zoekt nabijheid
84
-
2. Heeft een duidelijke voorkeur
84
-
3. Gebruikt ouder als veilige basis
85
-
149
Sensitive period
85
-
150
Internal Working Models (IWMs) = Interne werkmodel
85
-
Kernidee
85
-
151
Wat bevatten IWMs?
85
-
Over zichzelf:
85
-
Over anderen:
85
-
152
Secure vs insecure IWMs
85
-
Secure attachment
85
-
Insecure attachment
85
-
153
Belang van vroege hechting
85
-
154
Kernpunten van de hechtingstheorie
86
-
1. Hechting is evolutionair
86
-
2. Hechting ontstaat door natuur + omgeving
86
-
3. Vroege hechting beïnvloedt latere ontwikkeling
86
-
4. Internal Working Models zijn het mechanisme
86
-
155
Peers: de tweede sociale wereld van kinderen
86
-
Wat is een peer?
86
-
156
Twee sociale werelden
86
-
1. Volwassene-kind relaties
86
-
2. Peer-relaties
86
-
157
Waarom zijn peers belangrijk?
86
-
Piaget en Kohlberg
86
-
158
Peers en perspectief nemen
86
-
159
Evolutionair perspectief van Tomasello
87
-
160
Sullivan en vriendschappen
87
-
161
Sociale behoeften volgens Sullivan
87
-
Tot ongeveer 6 jaar
87
-
Daarna
87
-
162
Chumships
87
-
chumships
87
-
163
Functies van close friendships
87
-
164
Vergelijking tussen theoretici
87
-
Freud & Erikson
87
-
Bowlby & Ainsworth
88
-
Piaget & Kohlberg
88
-
Tomasello
88
-
Sullivan
88
-
165
Belangrijkste conclusie van 13.2
88
-
Ouders zijn belangrijk voor:
88
-
Peers zijn belangrijk voor:
88
-
166
13.3 The Infant
89
-
167
Sociale ontwikkeling in de babytijd
89
-
168
Hechting (Attachment)
89
-
Wat is hechting?
89
-
169
De ouder hecht zich ook aan de baby
89
-
Biologische veranderingen bij ouders
89
-
170
Synchronie tussen ouder en baby
90
-
Wat is synchronie?
90
-
Waarom is synchronie belangrijk?
90
-
171
Ontwikkeling van hechting: 4 fasen
90
-
1. Ongedifferentieerde sociale responsiviteit (0–2/3 maanden)
90
-
2. Gedifferentieerde sociale responsiviteit (2/3–6/7 maanden)
90
-
3. Actief nabijheid zoeken / echte hechting (6/7 maanden–3 jaar)
90
-
4. Goal-corrected partnership (vanaf ±3 jaar)
91
-
172
Hechtingsgerelateerde angsten
91
-
Separatieangst
91
-
Vreemdenangst
91
-
173
Exploratie en veilige basis
91
-
1. Secure base (veilige basis)
91
-
2. Safe haven (veilige haven)
91
-
174
Strange Situation – kwaliteit van hechting
91
-
Strange Situation
91
-
175
Vier hechtingsstijlen
91
-
176
1. Veilige hechting (secure attachment)
92
-
Kenmerken
92
-
Ouderkenmerken
92
-
Gevolgen
92
-
177
2. Resistente / ambivalente hechting
92
-
Kenmerken
92
-
Ouderkenmerken
92
-
178
3. Vermijdende hechting
92
-
Kenmerken
92
-
Ouderkenmerken
92
-
179
4. Gedesorganiseerde hechting
92
-
Kenmerken
92
-
Ouderkenmerken
93
-
180
Wat bepaalt hechtingskwaliteit?
93
-
1. Sensitieve opvoeding (belangrijkste factor)
93
-
2. Temperament van het kind
93
-
3. Sociale context
93
-
181
Cultuur en hechting
93
-
Duitsland
93
-
Japan
93
-
182
Alloparenting
93
-
alloparenting
93
-
183
Gevolgen van vroege hechting
94
-
184
Sociale deprivatie
94
-
185
Scheiding van ouders
94
-
186
Dagopvang (day care)
94
-
187
Lange termijn gevolgen van veilige hechting
94
-
1. Betere cognitieve ontwikkeling
94
-
2. Betere sociale competentie
94
-
3. Betere emotieregulatie
94
-
188
Internal Working Models (IWMs)
95
-
Veilig gehechte kinderen:
95
-
Onveilig gehechte kinderen:
95
-
189
Hechting is niet volledig vast
95
-
190
Eerste peerrelaties
95
-
191
Vriendschappen bij peuters
95
-
192
Vroege conformiteit
95
-
193
Kernpunten van 13.3
95
-
Hechting
95
-
Veilige hechting ontstaat door:
95
-
Vier hechtingsstijlen:
95
-
Veilige hechting hangt samen met:
96
-
Hechting wordt beïnvloed door:
96
-
Peerrelaties ontstaan al in de eerste levensjaren
96
-
194
13.6 Adult Attachment Styles (volwassen hechtingsstijlen)
96
-
Kernidee
96
-
195
Overeenkomst tussen babyhechting en romantische liefde
96
-
196
Internal Working Models (IWMs)
97
-
Wat zijn IWMs?
97
-
197
Vier volwassen hechtingsstijlen
97
-
198
1. Secure attachment (veilige hechtingsstijl)
97
-
Kenmerken
97
-
Lage anxiety + lage avoidance
97
-
Gevolgen
98
-
199
2. Preoccupied attachment (gepreoccupeerde / angstige hechting)
98
-
Kenmerken
98
-
Gedrag
98
-
Hoge anxiety + lage avoidance
98
-
Probleem
98
-
200
3. Dismissing attachment (afwijzende/vermijdende hechting)
98
-
Kenmerken
98
-
Gedrag
98
-
Lage anxiety + hoge avoidance
99
-
Probleem
99
-
201
4. Fearful attachment (angstig-vermijdende hechting)
99
-
Kenmerken
99
-
Gedrag
99
-
Hoge anxiety + hoge avoidance
99
-
202
Hechtingsstijlen kunnen veranderen
99
-
Onderzoek toont:
99
-
Leeftijdseffect
99
-
Geslachtsverschillen
99
-
203
Gevolgen van volwassen hechtingsstijlen
99
-
204
1. Romantische relaties
99
-
Secure volwassenen:
99
-
Insecure volwassenen:
100
-
205
Ontwikkelingsketen van relaties
100
-
Veilige hechting in babyfase →
100
-
206
2. Werk en exploratie
100
-
Secure volwassenen:
100
-
Preoccupied volwassenen:
100
-
Dismissing volwassenen:
100
-
207
3. Ouderschap en caregiving
100
-
Intergenerationele overdracht van hechting
100
-
208
4. Ouderdom en welzijn
100
-
Secure ouderen:
100
-
Dismissing ouderen:
100
-
Preoccupied/fearful ouderen:
100
-
209
Belangrijk eindpunt
101
-
Centrale conclusie van attachment theory:
101
-
210
Vormen van gezinsgeweld
104
-
1. Intimate Partner Violence (IPV)
104
-
2. Kindermishandeling (Child Maltreatment)
104
-
3. Geweld tussen siblings (Sibling Violence)
105
-
4. Kind-naar-ouder geweld
105
-
5. Parental Alienation
105
-
6. Ouderenmishandeling (Elder Abuse)
106
-
211
Waarom ontstaat kindermishandeling?
106
-
212
1. Kenmerken van de mishandelende ouder
106
-
a. Zelf mishandeld geweest
106
-
intergenerationele transmissie van opvoeding
106
-
b. Slachtoffer van partnergeweld
107
-
c. Lage sociaaleconomische status (SES)
107
-
d. Persoonlijkheidskenmerken
107
-
213
2. Kenmerken van het kind
107
-
214
Interactioneel en transactioneel perspectief
107
-
Interactioneel model
107
-
Transactioneel model
107
-
215
3. De context van mishandeling
107
-
Ecologisch perspectief
108
-
Culturele context
108
-
216
Gevolgen van kindermishandeling
108
-
1. Biologische gevolgen
108
-
2. Cognitieve gevolgen
108
-
3. Emotionele gevolgen
108
-
4. Sociale gevolgen
108
-
217
Langetermijneffecten in volwassenheid
109
-
218
Veerkracht (Resilience)
109
-
219
Belangrijke theoretische kernpunten
109
-
1. Gezinsgeweld is systemisch
109
-
2. Stress + weinig steun = hoog risico
109
-
3. Vroege ervaringen werken door
109
-
220
Kernconclusie
109
-
221
13.5 The Adolescent
110
-
Adolescentie: verschuiving van ouders naar leeftijdsgenoten
110
-
222
Parent–Adolescent Attachments
110
-
Ouders blijven een “secure base”
110
-
Meer autonomie
110
-
Effecten van veilige gehechtheid
110
-
223
Friendships (Vriendschappen)
111
-
Vriendschappen veranderen met de leeftijd
111
-
Gelijkenis speelt grote rol
111
-
Cross-sex friendships
111
-
Gevolgen van weinig vrienden
112
-
224
Changing Social Networks
112
-
Sociale acceptatie wordt belangrijk
112
-
225
Sociometric Popularity vs Perceived Popularity
112
-
1. Sociometric popularity
112
-
2. Perceived popularity
112
-
Relationele agressie
112
-
Emotionele gevolgen
112
-
226
Cliques and Crowds
113
-
Cliques
113
-
Ontwikkeling richting daten (Dunphy’s model)
113
-
Crowds
113
-
Effecten van crowds
113
-
227
Peer Selection vs Peer Socialization
113
-
Peer selection
113
-
Peer socialization
113
-
228
Peer Influence
114
-
Niet alleen negatief
114
-
Gevoeligheid voor peer pressure
114
-
Invloed hangt af van de groep
114
-
Ouders beschermen tegen negatieve peer influence
114
-
229
Dating
114
-
Dating verandert met de leeftijd
114
-
Onderzoek naar romantische ontwikkeling
115
-
230
LGBTQ Youth
115
-
Moeilijkheden
115
-
231
Wat voorspelt gezonde romantische relaties?
115
-
232
Effecten van dating op ontwikkeling
115
-
Te vroeg daten
115
-
Later daten
115
-
233
Centrale conclusie
116
-
234
13.6 Romantische Relaties en Liefde
116
-
235
Romantische relaties als ontwikkelingstaak
116
-
236
Partnerkeuze (Partner Choice)
116
-
A. Evolutionaire theorie
116
-
Waarom?
116
-
Universele voorkeuren
117
-
237
Filtermodellen van partnerkeuze
117
-
Eerste filters: uiterlijke en sociale overeenkomsten
117
-
Latere filters: psychologische overeenkomsten
117
-
238
Homogamie: “birds of a feather flock together”
117
-
Homogamie = het kiezen van iemand die op jezelf lijkt.
117
-
239
Complementariteit
117
-
Complementariteit
117
-
240
Online dating en algoritmes
118
-
Waarom?
118
-
241
7. Liefde (Love)
118
-
242
8. Romantische liefde is universeel
118
-
243
9. De driehoekstheorie van liefde (Sternberg)
118
-
Triangular Theory of Love
118
-
A. Passie (Passion)
118
-
B. Intimiteit (Intimacy)
118
-
C. Commitment (Verbintenis)
119
-
244
Verschillende soorten liefde
119
-
Alleen passie
119
-
Alleen intimiteit
119
-
Alleen commitment
119
-
Passie + intimiteit
119
-
Intimiteit + commitment
119
-
Passie + commitment
119
-
Alle drie samen
119
-
245
Ontwikkeling van liefde over tijd
119
-
Vaak patroon:
119
-
246
Companionate love
119
-
247
Consummate love
120
-
248
Cultuurverschillen
120
-
249
Leeftijdsverschillen in liefde
120
-
Adolescenten:
120
-
Jongvolwassenen:
120
-
250
Hechting en romantische relaties
120
-
Internal Working Models (IWMs)
120
-
Veilige hechting leidt vaak tot:
120
-
Onveilige hechting kan leiden tot:
120
-
251
Belangrijkste kernpunten
121
-
Partnerkeuze
121
-
Liefde
121
-
Hechting
121
-
Ontwikkeling
121
-
252
14.5 De volwassene: ontwikkeling van familierelaties in de volwassenheid
121
-
253
1. Het vormen van een partnerrelatie
121
-
Huwelijk als levensfase
121
-
Het “honeymoon effect”
121
-
Vroege interacties voorspellen de toekomst
122
-
254
2. Nieuw ouderschap
122
-
De overgang naar ouderschap
122
-
Gezondheidsimpact van ouderschap
122
-
Ongelijkheid tussen mannen en vrouwen
122
-
Wat bepaalt hoe zwaar ouderschap wordt?
123
-
Coparenting
123
-
255
3. Het gezin met opgroeiende kinderen
123
-
Meer kinderen = meer stress
123
-
Werk-gezin conflict
123
-
Ouders van adolescenten
124
-
Ouderschap beïnvloedt gezondheid
124
-
Kindeffecten
124
-
256
4. Het lege nest
124
-
Wat is het lege nest?
124
-
Positieve effecten
124
-
Waarom veel ouders zich goed aanpassen
124
-
257
5. Boomerang children
125
-
Effect op ouders
125
-
258
6. Grootouderschap
125
-
Grootouders zijn meestal niet oud
125
-
259
7. Typen grootouderschap
125
-
1. Remote grandparents
125
-
2. Companionate grandparents
125
-
3. Involved grandparents
125
-
Grootouders als “family national guard”
125
-
Positieve effecten van betrokken grootouders
125
-
Belastingen voor grootouders
126
-
260
8. Veranderende huwelijksrelaties
126
-
Niet elk huwelijk ontwikkelt hetzelfde
126
-
Persoonlijkheid is belangrijk
126
-
261
9. Relaties tussen broers en zussen
126
-
Veranderingen in volwassenheid
126
-
Maar oude spanningen kunnen terugkomen
126
-
Favoritisme van ouders
126
-
262
10. Relaties tussen ouders en volwassen kinderen
127
-
Meestal positief
127
-
Nieuwe relatievorm
127
-
263
11. Middle-generation squeeze / sandwich generation
127
-
264
12. Mantelzorg en caregiver burden
127
-
Caregiver burden
127
-
Risicofactoren
127
-
Gevolgen
127
-
Wat helpt?
127
-
265
Centrale conclusie van hoofdstuk 14.5
128
-
14.6 Diverse Family Experiences
128
-
Cohabitation (Samenwonen)
128
-
Cohabitation en relatiekwaliteit
129
-
266
Childless Married Couples
129
-
Onvrijwillige kinderloosheid
129
-
Effect op welzijn
129
-
267
Gay and Lesbian Families
129
-
Verschillen
129
-
268
LGBTQ Parenting
130
-
Onderzoek naar kinderen
130
-
269
Divorcing Families
130
-
270
Voor de scheiding
130
-
271
Na de scheiding
130
-
Parenting na divorce
131
-
272
Lange termijn effecten
131
-
273
Factoren die adjustment verbeteren
131
-
274
Reconstituted Families (Blended Families)
131
-
Uitkomst
132
-
275
10.2 The Infant
133
-
276
The Emerging Self
133
-
277
Eerste tekenen van zelfbesef
133
-
Rooting reflex
133
-
278
Hersenen en lichaamsbewustzijn
133
-
279
Sense of Agency
133
-
280
sense of agency = het besef dat hun acties effecten veroorzaken.
133
-
281
Ontwikkeling in eerste 6 maanden
133
-
282
joint attention= gedeelde aandacht tussen twee personen voor hetzelfde object.
134
-
283
Self-Recognition (Zelfherkenning)
134
-
284
self-recognition= jezelf herkennen als individu.
134
-
285
mirror self-recognition test
134
-
286
Categorical Self
134
-
287
categorical self
134
-
288
Factoren die zelfbewustzijn beïnvloeden
134
-
1. Cognitieve ontwikkeling
134
-
2. Sociale interactie
134
-
289
3. Cultuur
134
-
Individualistische culturen
134
-
Collectivistische culturen
135
-
290
Kritiek op de mirror test
135
-
291
Belang van zelfbewustzijn
135
-
292
Temperament
135
-
293
Thomas & Chess: 3 temperamenttypes
135
-
1. Easy temperament
135
-
2. Difficult temperament
136
-
3. Slow-to-warm-up temperament
136
-
294
Stabiliteit van temperament
136
-
295
Rothbart’s temperamentdimensies
136
-
296
1. Surgency / Extraversion
136
-
297
2. Negative Affectivity
137
-
298
3. Effortful Control
137
-
299
effortful control
137
-
300
Oorzaken van temperament
137
-
genetica
137
-
prenatale invloeden
137
-
postnatale omgeving
137
-
301
Goodness of Fit
137
-
302
goodness of fit = hoe goed temperament past bij omgeving.
137
-
Goede fit
137
-
Slechte fit
137
-
303
Voorbeeld: Carl
138
-
304
Parenting en temperament
138
-
305
wederzijdse beïnvloeding
138
-
306
10.3 The Child
138
-
307
Inleiding
138
-
308
Zelfconcept en zelfwaardering
138
-
Ontstaan van het zelfconcept
138
-
309
Ontwikkeling van het zelfconcept
138
-
Zelfconcept van kleuters
138
-
Verandering rond 7 à 8 jaar
139
-
Verandering in sociale vergelijking
139
-
310
Zelfwaardering (Self-Esteem)
139
-
Wat is zelfwaardering?
139
-
311
Ontwikkeling van zelfwaardering
139
-
Bij kleuters
139
-
Vanaf de basisschool
140
-
Globale zelfwaardering
140
-
312
Toenemende nauwkeurigheid van zelfevaluaties
140
-
313
Invloeden op zelfwaardering
140
-
1. Genetische invloed
140
-
2. Werkelijke competentie
140
-
3. Sociale feedback
140
-
314
Belang van ouders
141
-
315
Kritiek op overdreven zelfvertrouwen-cultuur
141
-
Inflated praise
141
-
316
Gezonde manier om zelfwaardering op te bouwen
141
-
317
Ontwikkeling van persoonlijkheid
141
-
Van temperament naar persoonlijkheid
141
-
318
Zelfcontrole (self-control)
141
-
self-control
141
-
319
Kenmerken van kinderen met goede zelfcontrole
142
-
320
Langetermijneffecten
142
-
321
Continuïteit en verandering in persoonlijkheid
142
-
Veranderingen in zelfconcept tijdens de adolescentie
143
-
322
Ontwikkeling van zelfwaardering (self-esteem)
143
-
Ontwikkelingspatroon
143
-
Waarom daalt of stabiliseert zelfwaardering tijdelijk?
144
-
Belang van hoge zelfwaardering
144
-
323
Identiteitsvorming volgens Erikson
144
-
Identiteit versus rolverwarring
144
-
Rolverwarring
144
-
Moratorium
144
-
324
James Marcia’s identiteitstheorie
144
-
1. Identity diffusion
144
-
2. Identity foreclosure
145
-
3. Moratorium
145
-
4. Identity achievement
145
-
325
Ontwikkeling van identiteit door de tijd
145
-
Jongere adolescenten (12–15 jaar)
145
-
Oudere adolescenten en emerging adults
145
-
Belangrijk inzicht
145
-
326
Identiteit verschilt per domein
146
-
327
Etnische/raciale identiteit
146
-
Definitie
146
-
Minderheidsgroepen onderzoeken identiteit vaker
146
-
328
Ontwikkeling van etnische identiteit
146
-
Infant
146
-
Peuter- en kleutertijd
146
-
Schoolleeftijd
146
-
Adolescentie
146
-
329
Wat helpt bij positieve etnische identiteit?
146
-
1. Ouderlijke socialisatie
146
-
2. Leeftijdsgenoten
147
-
3. Educatieve programma’s
147
-
330
Voordelen van positieve etnische identiteit
147
-
331
Factoren die identiteitsvorming beïnvloeden
147
-
1. Cognitieve ontwikkeling
147
-
2. Persoonlijkheid
147
-
3. Opvoeding
147
-
4. Mogelijkheden tot exploratie
147
-
5. Culturele context
147
-
332
Gevolgen van identity achievement
148
-
Self-Concepts en Self-Esteem bij volwassenen
148
-
Hoe oudere volwassenen hun self-esteem behouden
148
-
333
Culturele verschillen in het zelf
149
-
Individualistische vs collectivistische culturen
149
-
Verschillen tussen Amerikanen en Japanners
150
-
334
Continuïteit en verandering in persoonlijkheid
150
-
335
Rank-order stability (rangorde stabiliteit)
150
-
336
Mean-level change (gemiddelde verandering)
150
-
Het maturity principle (volwassenheid principe)
150
-
Oorzaken van het maturity principle
150
-
Veranderingen op hoge leeftijd
151
-
337
Biologische basis van persoonlijkheid
151
-
Extraversie
151
-
Neuroticisme
151
-
Conscientiousness
151
-
338
Waarom persoonlijkheid stabiel blijft
151
-
Gene-environment correlation
151
-
339
Waarom persoonlijkheid soms verandert
151
-
340
Persoonlijkheid en aanpassing
152
-
341
Psychosociale groei volgens Erikson
152
-
342
Vroege volwassenheid
152
-
Intimacy vs Isolation
152
-
343
Middelbare volwassenheid
152
-
Generativity vs Stagnation
152
-
Midlife crisis?
152
-
344
Late volwassenheid
153
-
Integrity vs Despair
153
-
345
Life review
153
-
life review → terugkijken op hun leven.
153
-
346
Successful aging
153
-
Rowe & Kahn
153
-
Psychologisch welzijn
153
-
347
Ryff’s model van psychological well-being
153
-
348
Theorieën over succesvol ouder worden
153
-
1. Activity theory
153
-
2. Disengagement theory
154
-
3. Selective Optimization with Compensation (SOC)
154
-
349
Person-environment fit
154
-
match tussen persoon en omgeving.
154
-
350
15.1 Wat maakt ontwikkeling abnormaal?
154
-
Hoe bepalen psychologen wat “abnormaal” is?
154
-
351
DSM-5: hoe stoornissen officieel worden gediagnosticeerd
155
-
352
Voorbeeld: Major Depressive Disorder (ernstige depressie)
155
-
Mogelijke symptomen
155
-
Hoe depressie eruit kan zien
155
-
353
Cultuur en leeftijd zijn belangrijk bij diagnoses
155
-
Culturele verschillen
155
-
Leeftijdsverschillen
155
-
354
Developmental Psychopathology (=ontwikkelingspsychopathologie)
156
-
Definitie
156
-
Kernidee
156
-
355
Psychopathologie als ontwikkeling, niet als “ziekte”
156
-
356
Ontwikkelingspaden
156
-
Mogelijke trajecten
156
-
357
Neurodevelopmental perspective
156
-
358
Leeftijd bepaalt wat “normaal” is
157
-
Voorbeeld
157
-
359
Drie grote vragen binnen developmental psychopathology
157
-
1. Nature vs nurture
157
-
360
Ouders krijgen vaak onterecht de schuld
157
-
361
Diathese-stressmodel
157
-
Diathese
157
-
Stress
157
-
362
Hoe depressie ontstaat volgens dit model
157
-
363
Genen + stress samen
157
-
364
Differential susceptibility
158
-
365
2. Continuïteit vs discontinuïteit
158
-
Belangrijke vraag:
158
-
366
Great Smoky Mountains Study
158
-
Resultaten
158
-
367
Vroege problemen voorspellen latere problemen
158
-
368
Veerkracht (resilience)
158
-
369
3. Universality vs context specificity
158
-
Vraag:
158
-
370
Culturele verschillen
158
-
Thailand vs Verenigde Staten
158
-
371
Voorbeeld: oogcontact en autisme
159
-
Psychologische problemen bij baby’s
159
-
372
Autism Spectrum Disorder (ASD)
159
-
Wat is autismespectrumstoornis?
159
-
373
Twee kernkenmerken van ASD
159
-
1. Sociale en communicatieve problemen
159
-
2. Beperkte interesses en repetitief gedrag
159
-
374
Grote verschillen tussen mensen met ASD
160
-
375
Asperger en ASD
160
-
376
Is er een autismepidemie?
160
-
Sterke stijging in diagnoses
160
-
Vaccins veroorzaken géén autisme
160
-
Waarom stijgen diagnoses dan?
160
-
377
Vroege signalen van ASD
160
-
Mogelijke signalen rond 1 jaar
160
-
378
Hersenontwikkeling bij ASD
161
-
Vroege hersenovergroei
161
-
Onderconnectiviteit
161
-
379
Oorzaken van ASD
161
-
Oude theorie: “refrigerator moms”
161
-
380
Genetische invloed
161
-
381
Omgevingsfactoren
161
-
382
Behandeling van ASD
161
-
Applied Behavior Analysis (ABA)
161
-
Moderne interventies
161
-
383
Belang van vroege interventie
161
-
384
Depressie bij baby’s
162
-
Kan een baby depressief zijn?
162
-
385
Risicofactoren voor depressieve symptomen
162
-
1. Mishandeling of verwaarlozing
162
-
2. Verlies van hechtingsfiguur
162
-
3. Depressieve ouders
162
-
386
Stress en hersenontwikkeling
162
-
387
15.3 The Child
162
-
Veel ontwikkelingsproblemen in de kindertijd
162
-
388
Externalizing vs. Internalizing Problems
162
-
Externalizing problems
163
-
Internalizing problems
163
-
Ontwikkeling over de tijd
163
-
Geslachtsverschillen
163
-
SES en omgeving
163
-
Culturele verschillen
163
-
389
Attention-Deficit/Hyperactivity Disorder (ADHD)
164
-
Kernidee
164
-
1. Inattention (onoplettendheid)
164
-
2. Hyperactivity & impulsivity
164
-
390
Hoe vaak komt ADHD voor?
164
-
Jongens versus meisjes
164
-
391
Comorbiditeit
164
-
Comorbiditeit
164
-
392
Ontwikkelingsverloop van ADHD
164
-
Babyfase
164
-
Peuterfase
165
-
Schoolleeftijd
165
-
Adolescentie
165
-
Volwassenheid
165
-
393
Mogelijke oorzaken van ADHD
165
-
Problemen in executieve functies
165
-
Neurotransmitters
165
-
394
Hersenontwikkeling
165
-
395
Genetische invloed
166
-
396
Omgevingsfactoren
166
-
397
Gene–environment interaction
166
-
398
Ouderschap en ADHD
166
-
399
Behandeling van ADHD
166
-
Medicatie
166
-
Belangrijke nuance
166
-
400
Gedragstherapie
166
-
401
Beste aanpak
166
-
combinatie van medicatie + gedragstherapie werkt het best.
167
-
402
Lange termijn
167
-
403
Depressie bij kinderen
167
-
Oude opvatting
167
-
Huidige visie
167
-
404
Hoe uit depressie zich bij kinderen?
167
-
405
Comorbiditeit
167
-
406
Suïcidaliteit bij kinderen
167
-
407
Continuïteit van depressie
167
-
408
Risicofactoren voor depressie
167
-
409
Beloningssysteem van de hersenen
168
-
410
Behandeling van depressie
168
-
Psychotherapie
168
-
cognitieve gedragstherapie (CGT)
168
-
Antidepressiva
168
-
411
Therapie voor jonge kinderen: PCIT-ED
168
-
Basisidee
168
-
Wat leren ouders?
168
-
412
Effecten van PCIT-ED
168
-
413
15.4 The Adolescent
168
-
414
Kernidee
168
-
415
Adolescent Problem Behaviors and Psychopathology
168
-
Zijn adolescenten echt problematischer? Niet per se.
168
-
416
Adolescent Problem Behaviors
169
-
Middelengebruik
169
-
417
Waarom nemen probleemgedragingen toe?
169
-
A. Ontwikkelingstaken van adolescentie
169
-
B. Puberteit en hormonen
169
-
C. Hersenontwikkeling
169
-
D. Meer kansen om risico’s te nemen
169
-
E. Meer stress
170
-
418
Van risicogedrag naar psychopathologie
170
-
Substance Use Disorder
170
-
Developmental Cascade
170
-
Lange termijn gevolgen
170
-
419
Eating Disorders
170
-
420
Anorexia Nervosa
170
-
Kenmerken
170
-
Typisch verloop
170
-
Geslachtsverschillen
170
-
421
Oorzaken van eetstoornissen
171
-
A. Biologische factoren
171
-
B. Socioculturele factoren
171
-
C. Puberteit
171
-
D. Diathese-stressmodel
171
-
422
Preventie en behandeling
171
-
Body Project
171
-
Behandeling anorexia
171
-
Maudsley-benadering
171
-
423
Depressie in adolescentie
171
-
Grote stijging na puberteit
171
-
424
Waarom stijgt depressie?
172
-
A. Genetische kwetsbaarheid
172
-
B. Stress
172
-
C. Rumination
172
-
425
11. Suïcidaal gedrag
172
-
Belangrijk feit
172
-
Verschil tussen jongens en meisjes
172
-
426
Risicofactoren voor suïcide
172
-
427
Nonsuicidal Self-Injury
172
-
Psychopathologie in de volwassenheid
173
-
428
Stress en psychische stoornissen
173
-
Stress piekt in de vroege volwassenheid
173
-
Leeftijdsverschillen in psychische stoornissen
173
-
429
Depressie bij volwassenen
174
-
Depressie is zeer frequent
174
-
430
Leeftijdsverschillen bij depressie
174
-
Ouderen hebben minder vaak ernstige depressie
174
-
431
Genderverschillen in depressie
174
-
432
Etnische verschillen in depressie
174
-
Hogere depressiecijfers
174
-
Lagere cijfers
174
-
433
Behandeling van depressie
175
-
Groot probleem: mensen zoeken geen hulp
175
-
Effectieve behandelingen
175
-
434
Veroudering en dementie
175
-
Wat is dementie?
175
-
435
Dementie is geen normaal ouder worden
175
-
436
Alzheimer
175
-
Meest voorkomende vorm van dementie
175
-
437
Biologische kenmerken van Alzheimer
176
-
1. Seniele plaques
176
-
2. Neurofibrillaire tangles
176
-
438
Verloop van Alzheimer
176
-
Vroege fase
176
-
Middenfase
176
-
Late fase
176
-
439
Gedragsproblemen bij Alzheimer
176
-
440
Oorzaken van Alzheimer
176
-
Genetische factoren
176
-
441
Omgevingsfactoren
177
-
442
Cognitieve reserve
177
-
443
Preventie van Alzheimer
177
-
444
Behandeling van Alzheimer
177
-
445
Ondersteuning bij Alzheimer
177
-
446
Andere oorzaken van cognitieve achteruitgang
177
-
447
Vasculaire dementie
177
-
448
Lewy body dementie
178
-
449
Omkeerbare dementieën
178
-
450
Delirium
178
-
Tijdelijke acute verwardheid
178
-
451
Depressie versus dementie
178