een SJD’er
Staatsrecht
Hoofdstuk 2: Rechtsstaat
- Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.
Een staat bestaat uit: bewoners (mensen met of zonder een Nederlandse nationaliteit), een
grondgebied (een gebied waar de staat macht kan uitoefenen) en staatsgezag (overheid, met
bestuursorganen, bijv. de regering).
- Staten zijn soeverein ze zijn de hoogste en onafhankelijke macht die wetten maken en
toepassen binnen de eigen grenzen en om internationale betrekkingen te onderhouden.
- Nederland is lid van de Europese Unie samen met 26 andere Europese landen. Er zijn
daarbinnen regels dat verordeningen en richtlijnen worden genoemd. Bij besluitvorming
hiervan zijn de lidstaten en het Europees Parlement betrokken.
- Wie Nederlander is, is geregeld in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Dat geeft het recht
om in Nederland te mogen verblijven.
Je hebt ook mensen die uit een ander land komen die in Nederland verblijven. Je hebt dan
toeristen en mensen die langdurig blijven.
- Staten zijn vaak monopolist. Alleen zij mogen regels opleggen en eventueel dwangmiddelen
afdwingen. Om de macht goed uit te kunnen oefenen hebben ze de trias politica, het
legaliteitsbeginsel en de grondrechten.
- De trias politica bestaat uit 3 machten:
De wetgevende macht: het vaststellen van algemeen bindende regels, worden vastgesteld
door de Staten-Generaal en de regering.
Uitvoerende macht: de organen die de regels toepassen, zorgen dat ze uitgevoerd worden,
gemaakt door de regering samen met de ambtenaren en uitvoeringsdiensten.
De rechterlijke macht: doen uitspraken in juridische geschillen, de belangrijkste instanties
zijn: rechtbanken, gerechtshoven, en Hoge Raad.
- Het legaliteitsbeginsel houdt in dat elk overheidsoptreden op een democratische wijze tot
stand moet zijn gekomen en op een algemeen verbindende regels gebaseerd moet zijn. Bijv
artikel 16 van de Grondwet.
- De grondwet begint met de grondrechten. De klassieke (burgers beschermen tegen de staat)
en de sociale grondrechten (een actieve rol van de overheid). Het tweede deel van de
Grondwet is gewijd aan de organisatie van de overheid.
- Nederland is een monarchie met een staatshoofd de koning. Het tegenovergestelde is een
republiek met een president.
Hoofdstuk 3: betrokkenheid van de burgers
- Bij een democratische rechtsstaat kunnen burgers invloed op het bestuur uitoefenen. De
belangrijkste manier is via het kiesrecht. Je hebt het passief- en het actief kiesrecht:
Actief kiesrecht recht om een stem uit te brengen bij de verkiezingen van
volksvertegenwoordigende organen.
Passief kiesrecht recht om kandidaat te zijn bij verkiezingen en gekozen te worden.
- Nederland heeft een systeem met evenredige vertegenwoordiging. Als een partij bijv. 6.550
stemmen heeft, krijgt die partij 6 zetels.
, - Om te mogen stemmen moet je aan voorwaarden voldoen. Die zijn te vinden in de Kieswet.
- Een referendum is een stemming onder de bevolking om zich over een bepaald onderwerp
uit te spreken.
Hoofdstuk 4: Organen van het Rijk
- De Koning + ministers = regering. De Koning is ook de voorzitter van de Raad van State. De
Koning heeft vooral een ceremoniële functie. Een opvallende taak is het voorlezen van de
troonrede op Prinsjesdag (bevat plannen die de regering heeft voor het volgende jaar). De
Koning maakt deel uit van het koninklijk huis (art. 39 GW). De leden hiervan vallen onder het
ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42 lid 2 GW).
- Onder elke minister heb je een staatssecretaris (onderminister). Zij vormen samen het
kabinet (ze heten ook wel bewindslieden). De minister is het hoofd van 1 departement. Elk
departement gaat over 1 of meer beleidsterreinen. Zoals de minister van Financiën.
- Op het ministerie werken ambtenaren vakspecialisten die het beleid van het ministerie
voorbereiden en betrokken zijn bij de uitvoering van het beleid.
- Er zijn ministers met en zonder portefeuille. Een minister met heeft een eigen ministerie, een
departement, waar ambtenaren voor hem werken. De minister zonder heeft dat niet, die
heeft werkruimte bij een andere minister in het departement en kan daar ook een beroep
doen op ambtenaren.
De ministers vormen samen de ministerraad. Dit is het overleg- en besluitvormingsorgaan
van de regering.
- Het Nederlandse parlement wordt de Staten-Generaal genoemd. Het bestaat uit 2 kamers:
De Tweede Kamer bestaat uit 150 leden en wordt om de 4 jaar gekozen door
kiesgerechtigde Nederlanders.
De Eerste Kamer bestaat uit 75 leden en wordt om de 4 jaar gekozen door de leden van de
Provinciale Staten.
De twee belangrijkste taken van het Parlement zijn:
1 samen met de regering vaststellen van wetten.
2 controleren van de regering.
- Kamerleden werken in fracties alle Kamerleden die voor dezelfde partij gekozen zijn.
- De Raad van State is het belangrijkste adviesorgaan van de rijksoverheid, hij is adviseur van
de regering en het parlement. Hij heeft twee hoofdtaken: 1 geeft advies over alle
wetsontwerpen. 2 hij is onze hoogste bestuursrechter.
Het bestaat uit 12 personen. Ze zijn geselecteerd op juridische kennis.
- De Algemene Rekenkamer bestaat uit 3 personen. Het houdt zich met de rechtmatigheid als
doelmatigheid van de uitgaven bezig. Bij rechtmatigheid wordt er bekeken of het geld zo is
uitgegeven als in de begroting is bedoeld. Bij doelmatigheid gaat het om vragen als: wordt
het geld wel goed uitgegeven.
- De Sociaal Economische Raad belangrijkste adviesorgaan van regering en parlement voor
het sociaaleconomisch beleid. De belangrijkste taak van de SER is gevraagd en ongevraagd
adviseren van de regering en parlement over thema’s als arbeidsmarkt.
- De Nationale Ombudsman instantie waar burgers terecht kunnen met klachten over het
optreden van de overheid. Een klacht over overheidsoptreden dient in eerste instantie
ingediend te worden bij het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor het optreden.
, Hoofdstuk 5: Gereedschap van de volksvertegenwoordiging
Het parlement heeft een aantal rechten:
Middel Uitleg Wie Voor welke rol
Recht van initiatief Recht voor Tweede Kamer Medewetgever
parlementariër om
wetsontwerp in te
dienen
Recht van Wijziging aanbrengen Tweede Kamer Medewetgever
amendement in een voorliggend
wetsvoorstel
Recht om moties in te Uitspraak van Kamer Eerste en Tweede Medewetgever +
dienen die opdracht aan Kamer Controleur
regering geeft
Budgetrecht Recht om begroting Eerste en Tweede Medewetgever
vast te stellen Kamer
vragenrecht Recht om vragen te Eerste en Tweede Controleur
stellen over alles wat Kamer
van belang kan zijn
voor het
parlementaire werk
Recht van interpellatie Een debat over een Eerste en Tweede Controleur
actuele kwestie Kamer
Enquêterecht Onderzoek doen naar Eerste en Tweede Controleur
actuele ontwikkeling Kamer
buiten regering om
- Het vertrouwensbeginsel de regering heeft om te kunnen regeren het vertrouwen van
beide Kamers nodig. Het opzeggen van het vertrouwen gebeurt door het motie van
wantrouwen. Die richt zicht vervolgens tot een minister of staatssecretaris.
- De Kamers kunnen besluiten maken die leiden tot het opstappen van een minister.
Ze kunnen een belangrijk wetsonderwerp van de minister verwerpen.
Vergaande amendementen in een wetsontwerp aanbrengen tegen de zin van de
minister. Het karakter van het wetsonderwerp kan veranderen waardoor de minister zich
hier niet meer in herkent.
Het verwerpen van de begroting.
- Staten en raden beschikken over dezelfde middelen als het nationale parlement. Die staan in
de Provinciewet en de Gemeentewet.
Hoofdstuk 6: wetgeving
- Een wet regeling van een overheidsorgaan. Het moet gaan om algemeen verbindende
regels regeling die voor een (open(kan groter of kleiner worden)) groep geldt.
- Wet in de formele zin wordt gemaakt door regering en parlement.
- Wet in materiële zin sprake van een algemeen bindende regel, afkomstig van een
bestuursorgaan.