Jeroen Meulemans – 2023-2024
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: De structuur van het ademhalingsstelsel…………………………………………………………………………..2
Hoofdstuk 2: De ademhaling bij het spreken.…………….…………………………………………..……………………………10
Hoofdstuk 3: De fonatie……………………………………………………………………………………………………………………….13
Hoofdstuk 4: Het tot stand komen van de stemplooitrilling…………………….…………………………………………..28
Hoofdstuk 5: Detailbeeld van de trilling……………………………………………………………………………………………….31
Hoofdstuk 6: De articulatie……………………………………..…………………………………………………………………………..46
Hoofdstuk 7: De embryologische ontwikkeling…………………………………………………………………………………….98
Algemeen
• Spraak is pas later in onze evolutie gekomen
• We gebruiken hiervoor organen die voor andere
doeleinden bestaan
• Infraglottale systeem => articulatie
o Alles onder de stemplooien
o Zorgen voor ademhaling, luchtstroom
o Uitgaande luchtstroom = initiatie
▪ energie voor spraak, zorgen ervoor dat
stemplooien trillen
• Glottale systeem => fonatie
o productie stemgeluid
o intensiteit en frequentie variëren
• Supraglottale systeem => initiatie
o Omvormen basis stemgeluid naar spraakklanken
1
,1 De structuur van het ademhalingsstelsel
• Primaire functie: gasuitwisseling (=> zuurstof opnemen, CO2 afgeven, ook andere gassen zoals
afvalgassen (bvb alcohol))
o Longen: interactie bloed en lucht
▪ Uitademen van afvalstoffen
• Spraak: gebruik luchtstroom en luchtdruk die samengaan met de ademhalingsbewegingen als
energiebron voor de spraak
• Spraak tijdens expiratie: egressief stemgeluid
o Door uitademing
o Weinig ingressieve geluiden die door inademing zijn in onze taal
1.1 Thorax
• = Borstholte, waar longen en hart zich in bevinden
1.1.1 Beenderen
• Thorax = beenderige kooi, opgehangen aan wervelzuil bestaande uit wervels (vertebrae)
• 7 cervicale, 12 thoracale, 5 lumbale wervels
o Wervellichaam
o Lamina (boog) met opening voor ruggenmerg
• Heiligbeen met daaronder staartbeen
• Buiging naar voren = lordose
• Buiging naar achter = kyfose
o Bochel: ernstige kyfose
• Discus intervertebralis = tussenwervelschijven
o Bij hernia: TWS niet meer op juiste plaats → beetje achter wervel ipv tussen
• Voor thorax zijn vooral de 12 thoracale wervels belangrijk, waarop de ribben vastzitten
o 12 paar ribben
▪ 7 paar ware ribben (hangen vast aan voorkant en achterkant thorax op thoracale
wervels)
▪ 3 paar valse ribben (hangen vast aan rib boven hen)
▪ 2 paar zwevende ribben (hangen enkel achteraan vast)
• Bestaan uit been en kraakbeen
• Sternum = borstbeen
o (manubrium – corpus – processus-xiphoideus)
o Blauw gekleurd = ribkraakbeen (kraakbeen tussen ribben en borstbeen)
▪ Maakt beweeglijkheid mogelijk tijdens ademhaling
▪ Sternum geeft dus zowel bescherming aan hart en longen (dankzij been) als is de
basis voor ademhaling (dankzij kraakbeen)
▪ Kraakbeen = elastisch
▪ Ribben kunnen gedraaid worden om hun lengteas => ribben kunnen roteren tov
sternum dankzij ribkraakbeen
• Clavicula = sleutelbeen
• Scapula = schouderblad
2
, o Maken verbinden tussen thorax en arm
1.1.2 Spieren
• Middenrif = diafragma
o Gespannen in borstholte
o Koepelvormige spier
o Buikholte en borstholte scheiden
o Belangrijkste inademingsspier
o Samentrekken diafragma
▪ Diafragma duwt op inwendige organen
▪ Buikorganen niet comprimeerbaar
(indrukbaar)
▪ Buik begint uit te zetten, want inwendige organen geven druk
op buikwand
o Bij inademen
▪ Diafragma omlaag en ribben omhoog
▪ Thorax wordt breder in zijwaartse en in voorwaartse richting
▪ Onderste ribben naar boven: vergroting lateraal <->
▪ Bovenste ribben naar boven: vergroting achterwaarts
o Door passieve krachten:
▪ Zwaartekracht (ribbenkast, abdominale organen, bovenste
ledematen, …)
▪ Gewrichtjes, ribkraakbeen
▪ Niet comprimeerbare buikorganen
▪ => ruststand, neutrale stand (thorax heeft bepaalde rusttoestand wnr
alle spieren ontspannen zijn: spierkracht nodig wnr je throax minder
breed of breder wordt dan de rusttoestand => wordt daarna door
passieve krachten terug nr ruststand gebracht)
• Intercostaalspieren
o Tussen ribben (inter-costa-
o Interne en externe intercostaalspieren
Buikorganen en buikwand ook belangrijk
• Is gevuld met vloeistof, niet samendrukbaar
• Als je diafragma beweegt heeft dat invloed op de buikorganen
o Buikwand samentrekken: buik intrekken en diafragma naar boven
▪ Krachtige manier om uit te ademen
o Diafragma naar beneden: buik naar buiten
Heimlichmaneuver
• Krachtige snok net onder middenrif
• Achter stikkende persoon gaan staan
• Je vuist in je handpalm duwen
• Patiënt omhelzen langs achter
• Duim en handpalm onder borstbeen houden
(bovenste deel van de buik)
• Met volle kracht je armen nr u toetrekken
• Buikorganen worden nr binnengeduwd
• Diafragma wordt omhooggeduwd
3
, 1.2 De longen
• Luchtwegen
o Larynx = strottenhoofd
o Trachea = luchtpijp
▪ Bestaat uit 20-tal hoefijzervormige
kraakbeenringen (achteraan open)
• Flexibel voor nekbewegingen
• Stevig voor voorkomen van collaps
tijdens inademen
▪ Achteraan: glad spierweefsel = Pars
membranacea (geel)
• Ontspannen bij inademen -> diameter trachea groter
▪ Splitst in 3 bronchi
▪ Splitst verder op in bronchiolen
• Kleine spiertjes errond die zorgen voor uitzetten
• Minder dan halve millimeter: terminale bronchiolen
o Longen:
▪ Grote, elastische, sponsachtige organen
▪ Rijke doorbloeding
▪ Talrijk luchtzakjes
▪ Asymmetrisch: rechts 3 longkwabben, links 2 (plek voor hart)
▪ Als je iets inademt, komt dat meestal in de rechterlong
▪ Verbonden aan de borstkas via longvlies/pleura
• Functie: transport van lucht
• Splitst nog verder op in: respiratoire bronchiolen
• Ducti alveolares
• Alveoli = longblaasjes
o In wand vd alveoli:
▪ Cellen voor gaswisseling O2/CO2
▪ Cellen die surfactant produceren
(surfactant verlaagt
oppervlaktespanning)
o Veel bloedvaten
o Zo’n 300 miljoen: opp 70m²
o Hangen altijd samen in een trosje alveolen
o Vloeistoflaagje in alveolen
o Wnr jong kindje niet kan ademen doordat longblaasjes dichtgeknapt zijn → surfactant
geven
• Passieve krachten -> neiging tot collaps door elasticiteit (door oppervlaktespanning en door
elastische bindweefselvezels tussen alveoli) => longen vallen plat
o Aan binnenkant hebben alveoli dun vloeistoflaagje met oppervlaktespanning, willen zo
weinig mogelijk volume
o Surfactant zorgt ervoor dat er minder snel collaps is
• Pleura: dubbel membraan rond de longen:
o Vlies zit rond de longen
o Pleura hangt ook vast aan diafragma (dus wnr diafragma
samentrekt, zetten de longen uit)
o Pariëtale pleura (borstvlies) = blauw
o Viscerale pleura (longvlies) = oranje
o Pleurale ruimte: gevuld met pleuravocht, subatmosferische druk
▪ = vacuüm, geen contact met buitenwereld
4