Rechtswetenschap I
Rechtsfilosofie = beantwoordt de vraag wat recht is; stelt vragen over de wezen
van het recht
R.O.V. :
Wat is recht?
Wat is moraal (alleen orde of ook vrijheid)?
Wat is vrijheid?
De vraag wat recht is wordt door twee stromingen verschillend beantwoord:
Rechtspositivisme: volgens de aanhangers van het rechtspositivisme is het
geldend recht ál het recht dat tot stand is gekomen door een
bevoegde instantie en gehandhaafd wordt door een bevoegde autoriteit;
het maakt niet uit of het recht rechtvaardig of onrechtvaardig is; leer die
elk verband tussen recht en moraal ontkent; leer die ervan uitgaat dat
recht slechts datgene is wat als zodanig door de bevoegde
overheidsorganen wordt gemaakt en effectief gehandhaafd, al is het
inhoudelijk nog zo onrechtvaardig
Natuurrechtsleer: volgens de aanhangers van de natuurrechtsleer is recht
pas geldend recht als het, naast totstandkoming door een bevoegde
instantie en handhaving, rechtvaardig is, dus pas als het recht in
overeenstemming is met de moraal; regels die inhoudelijk niet in strijd zijn
met de moraal; leer die ervan uitgaat dat “recht” een noodzakelijk verband
heeft met “moraal”, met name met rechtvaardigheid
Belangrijk: De natuurrechtsleer vindt dat het recht dus óók door een
bevoegde instantie moet worden uitgevaardigd en dat het recht óók
moet worden gehandhaafd én daarboven op moet het recht óók
rechtvaardig zijn, ofwel in overeenstemming zijn met de moraal. Pas dan
is het recht ook geldend recht
Natuurrechtsleer = aspecten/voorwaarden rechtspositivisme +
recht moet inhoudelijk rechtvaardig zijn oftewel in
overeenstemming zijn met de moraal
Het rechtspositivisme kan verder worden onderverdeeld in:
Normatieve rechtspositivisme: volgens deze stroming is rechtszekerheid zo
belangrijk, dat je ook aan onrechtvaardig recht moet gehoorzamen; Er
geldt dus een absolute gehoorzaamplicht aan het positieve recht
dus. Deze stroming koppelt het rechtspositivisme dus eigenlijk aan een
morele argumentatie: een chaotische samenleving is nog erger dan een
, onrechtaardige samenleving; recht moet je gehoorzamen vanwege de
rechtszekerheid; het positieve recht dient onvoorwaardelijk te worden
gehoorzaamd
Beschrijvende (descriptieve) rechtspositivisme: stroming die recht en
moraal volledig van elkaar loskoppelt; Volgens deze stroming is recht wat
de juridische gezagsdragers gebieden en effectief handhaven in een
bepaald territorium, ongeacht de inhoud van hun voorschriften;
Volgens deze stroming volgt dan ook geen morele plicht om zich te
gehoorzamen aan het recht; de vraag of je recht moet gehoorzamen is
een moreel vraagstuk en geen juridisch vraagstuk, zodoende geven
ze geen commentaar op de vraag
Moraal = geheel van overtuigingen, normen en opvattingen die door een groep
mensen wordt opgevolgd en die dit als juist beschouwen; gaat over hoe je hoort
te leven, in de zin van goed en kwaad; moraal kan per persoon of groep personen
dus verschillen
Rechtsmoraal = de moraal zoals het recht dat voorschrijft; de moraal van het
recht
Smalle rechtsmoraal = rechtsmoraal dat zich beperkt tot de regels voor
vreedzaam samenleven
De overheid moet bij de smalle rechtsmoraal dus niet teveel bemoeien met de
burgers
Voorbeeld: Het recht van onaantastbaarheid van het lichaam is een regel die tot
de smalle rechtsmoraal behoort, omdat het slechts toeziet op de noodzakelijke
minimumeisen die nodig zijn voor een vreedzaam samenleven
De toets die bij de smalle rechtsmoraal hoort is dus: “Is de regel noodzakelijk
voor vreedzaam samenleven?” Indien deze vraag positief wordt
beantwoord, dan gaat het om een smalle rechtsmoraal
Brede rechtsmoraal = rechtsmoraal dat zich uitstrekt over het gehele menselijke
leven
De overheid moet bij de brede rechtsmoraal dus juist actief handelen
Voorbeeld: De regel om aan bestuurders van rechts voorrang te verlenen is een
regel die tot de brede rechtsmoraal behoort, omdat het gaat over hoe je moet
leven
Vrijheid = de afwezigheid van belemmeringen
Er zijn verschillende soorten belemmeringen en zodoende zijn er ook
verschillende soorten vrijheden
Wezensvrijheid = de vrijheid die een mens ondervindt als hij geen
geestelijke belemmeringen heeft
Geestelijke belemmeringen = belemmeringen in het hoofd, zoals
verslavingen en dwangneigingen