Theorie
1.Tegenwoordige tijd (heden)
Het werkwoord en de stam
De stam is het hele werkwoord – en.
Hele werkwoord De stam
Werken Werk
Roepen Roep
Antwoorden Antwoord
Soms moet je een extra klinker (a,o,i,e,u,y) aan toevoegen of een medeklinker weghalen.
Hele werkwoord De stam
Vragen Vraag
Lopen Loop
Zetten Zet
Let op:
De v verandert in een f en een z in een s, als je -en eraf haalt.
Hele werkwoord De stam
Lezen Lees
Blijven Blijf
De persoonsvorm – tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd betekent nu.
Enkelvoud " % - tegenwoordige tijd
$
#
Ik à ik – vorm à hele werkwoord – en
Hij, zij, het, men, jij, je, u à ik – vorm + t
Hele werkwoord Ik – vorm (werkwoord -en) "
%
$
# Hij / zij / het / jij / je/ u (ik-vorm +t)"
%
$
#
Werken Ik werk Hij werkt
Bellen Ik bel Zij belt
Leven Ik leef Het leeft
Let op:
Als jij of je achter de persoonsvorm komt, laat je de -t weg (ik-vorm).
De regel geldt alleen voor jij en je!
Jij of je ACHTER de persoonsvorm
Loop jij altijd zo snel?
Als ik nou deze opgave maak, dan maak jij die andere.
Jij of je staat er voor, dan wel ik-vorm + t
Jij of je VOOR de persoonsvorm
Jij loopt altijd snel.
Jij maakt de andere opdracht.
, Meervoud " %"
$
# % – tegenwoordige tijd
$
#
Schrijf het hele werkwoord op.
Hele werkwoord Wij, zij, jullie, de auto’s ""
%%
$$
##
Lopen Wij lopen naar school
Tegenwoordige tijd – Een -t of -d?
Als de stam van het woord eindigt op een -t, dan hoef je er geen extra -t achter te zetten.
Hele werkwoord Stam Hij, zij, het, men, u "
%
$
#
Zitten Zit Jij zit op een stoel
Als de stam eindigt op een -d, dan zet je er wel een -t achter.
Hele werkwoord Stam Hij, zij, het, men, u "
%
$
#
Houden Houd Men houdt van koekjes
Worden Word Hij wordt
Antwoorden Antwoord Zij antwoordt
Verbinden Verbind U verbindt
Let op:
Jij VOOR de persoonsvorm Jij ACHTER de persoonsvorm
Jij vindt spruitjes lekker. Vind jij spruitjes lekker?
Jij onthoudt alles. Onthoud jij alles?
Twijfel je?
Als je de -t niet hoort of twijfelt of je een -t moet schrijven of niet, vervang de persoonsvorm in de zin
dan even door een persoonsvorm van een ander woord.
Houd je van kaas? à Maak je van kaas? à geen -t
Houdt je vader van paarden? à Maakt je vader van paarden? à wel een -t
1.Tegenwoordige tijd (heden)
Het werkwoord en de stam
De stam is het hele werkwoord – en.
Hele werkwoord De stam
Werken Werk
Roepen Roep
Antwoorden Antwoord
Soms moet je een extra klinker (a,o,i,e,u,y) aan toevoegen of een medeklinker weghalen.
Hele werkwoord De stam
Vragen Vraag
Lopen Loop
Zetten Zet
Let op:
De v verandert in een f en een z in een s, als je -en eraf haalt.
Hele werkwoord De stam
Lezen Lees
Blijven Blijf
De persoonsvorm – tegenwoordige tijd
De tegenwoordige tijd betekent nu.
Enkelvoud " % - tegenwoordige tijd
$
#
Ik à ik – vorm à hele werkwoord – en
Hij, zij, het, men, jij, je, u à ik – vorm + t
Hele werkwoord Ik – vorm (werkwoord -en) "
%
$
# Hij / zij / het / jij / je/ u (ik-vorm +t)"
%
$
#
Werken Ik werk Hij werkt
Bellen Ik bel Zij belt
Leven Ik leef Het leeft
Let op:
Als jij of je achter de persoonsvorm komt, laat je de -t weg (ik-vorm).
De regel geldt alleen voor jij en je!
Jij of je ACHTER de persoonsvorm
Loop jij altijd zo snel?
Als ik nou deze opgave maak, dan maak jij die andere.
Jij of je staat er voor, dan wel ik-vorm + t
Jij of je VOOR de persoonsvorm
Jij loopt altijd snel.
Jij maakt de andere opdracht.
, Meervoud " %"
$
# % – tegenwoordige tijd
$
#
Schrijf het hele werkwoord op.
Hele werkwoord Wij, zij, jullie, de auto’s ""
%%
$$
##
Lopen Wij lopen naar school
Tegenwoordige tijd – Een -t of -d?
Als de stam van het woord eindigt op een -t, dan hoef je er geen extra -t achter te zetten.
Hele werkwoord Stam Hij, zij, het, men, u "
%
$
#
Zitten Zit Jij zit op een stoel
Als de stam eindigt op een -d, dan zet je er wel een -t achter.
Hele werkwoord Stam Hij, zij, het, men, u "
%
$
#
Houden Houd Men houdt van koekjes
Worden Word Hij wordt
Antwoorden Antwoord Zij antwoordt
Verbinden Verbind U verbindt
Let op:
Jij VOOR de persoonsvorm Jij ACHTER de persoonsvorm
Jij vindt spruitjes lekker. Vind jij spruitjes lekker?
Jij onthoudt alles. Onthoud jij alles?
Twijfel je?
Als je de -t niet hoort of twijfelt of je een -t moet schrijven of niet, vervang de persoonsvorm in de zin
dan even door een persoonsvorm van een ander woord.
Houd je van kaas? à Maak je van kaas? à geen -t
Houdt je vader van paarden? à Maakt je vader van paarden? à wel een -t